HR, 06-10-2020, nr. 20/03392
ECLI:NL:PHR:2020:1029
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-10-2020
- Zaaknummer
20/03392
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2020:1029, Conclusie, Hoge Raad (Civiele kamer), 06‑10‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1723
Conclusie 06‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijk ontslag en herplaatsing van een rechter in verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
K/2020/036
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
betreffende
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1963, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].
1. Betrokkene is met ingang van 1 februari 2013 benoemd tot rechter en is derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Betrokkene is werkzaam in de [rechtbank] en heeft een aanstelling voor 28,8 uur per week. Op 12 januari 2018 heeft hij wegens gezondheidsproblemen zijn werkzaamheden moeten neerleggen. In 2018 en 2019 heeft betrokkene een re-integratietraject gevolgd dat ertoe heeft geleid dat hij zijn arbeid gedeeltelijk heeft hervat; hij is thans werkzaam voor 20 uur per week.
2. In haar brief van 19 februari 2020 heeft [de president], president van de [rechtbank], mij verzocht bij de Hoge Raad te vorderen dat betrokkene wordt herplaatst in zijn ambt van rechter voor 20 uur per week en wordt ontslagen voor 8,8 uur per week. De president heeft stukken aangaande de arbeidsongeschiktheid van betrokkene overgelegd.
3. Artikel 46k, lid 1 en lid 5, Wrra voorziet in de mogelijkheid dat een rechter die wegens ziekte zijn werkzaamheden niet kan verrichten voor het aantal uren waarvoor hij is aangesteld maar wel voor een minder aantal uren, door de Hoge Raad wordt herplaatst in zijn ambt voor het aantal uren dat hij kan werken en wordt ontslagen voor het overige aantal uren.
Artikel 46k Wrra
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, een ander ambt of andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt dat of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden.
(…)
5. Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ambt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt opgedragen voor minder uren dan het aantal uren dat hij zijn oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen voor het meerdere aantal uren.
De bepalingen inzake (ziekte)ontslag en herplaatsing zijn in 2002 opgenomen in de Wrra in het kader van de wetgeving betreffende de modernisering van de rechterlijke organisatie. Voordien waren die bepalingen neergelegd in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). De regeling inzake herplaatsing was vervat in artikel 11c Wet RO. In de toelichting bij artikel 11c werd uiteengezet waarom de Hoge Raad een rol speelt bij herplaatsing van een rechter (TK 1996-1997, 24 441, nr. 7, p. 21):
“Gelet op de bijzondere positie van de voor het leven benoemde leden
van de rechterlijke macht zou het op gespannen voet staan met artikel 117
van de Grondwet, indien de Minister van Justitie bevoegd zou zijn tot het,
tegen de wens van betrokkene, opdragen van een andere taak aan een
voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht, indien deze wegens
ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn eigen taak. Een dergelijke
opdracht kan onder omstandigheden immers impliciet het ontslag van
betrokkene als voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht met
zich brengen. Anderzijds is het wel wenselijk dat het herplaatsingsregime
op zichzelf ook van toepassing is op deze categorie ambtenaren. Daarom
is aansluiting gezocht bij de regeling van het ontslag van deze categorie
ambtenaren, waarin de Hoge Raad een belangrijke rol vervult ter
waarborging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.”
Bij de overheveling naar de Wrra is de regeling aangevuld en de formulering aangepast; daarmee werd geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wat betreft de herplaatsing in een rechterlijk ambt werd verduidelijkt (TK 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 72-73):
“dat de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar
in geval van herplaatsing in zijn eigen ambt of een ander ambt dat
een benoeming voor het leven met zich brengt, voor minder uren dan
waarvoor hij daaraan voorafgaand was aangesteld, door de Hoge Raad of
bij koninklijk besluit tevens wordt ontslagen voor het aantal uren dat hij
niet kan worden herplaatst.”
In 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op een vordering tot herplaatsing en gedeeltelijk ontslag: HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1962.
4. Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende.
Tot 1 januari 2018 was betrokkene werkzaam bij het team Bestuursrecht. Met ingang van januari 2018 was hij gestart bij het team Familie- en Jeugdrecht. Betrokkene is op 12 januari 2018 volledig uitgevallen wegens ziekte.
In februari 2018 is een start gemaakt met de re-integratie. In januari 2019 heeft de bedrijfsarts een Functie Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Op dat moment werkte betrokkene 20 uur per week, in het team Bestuursrecht. Per 8 februari 2019 is hij voor 20 uur hersteld gemeld.
Op 22 februari 2019 is een arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. Een van de conclusies van het onderzoek was dat het eigen werk van betrokkene (bij het team Bestuursrecht) niet passend (te maken) was. Het team Bestuursrecht is onder meer belast met de behandeling van zaken op het gebied van het vreemdelingenrecht. Knelpunt was dat betrokkene niet kon worden ingezet bij de behandeling van asielzaken vanwege de lange zittingsdagen. Mede naar aanleiding van het advies van de arbeidsdeskundige is het takenpakket van betrokkene aangepast in die zin dat hij uitsluitend is belast met rechtspraak op het gebied van het sociaal zekerheidsrecht, in het bijzonder de volksverzekeringen.
Bij beslissing van het UWV van 6 januari 2020 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op 30,41%. Omdat dit minder is dan 35% ontvangt betrokkene geen WIA-uitkering. De beslissing van het UWV is mede gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van 24 december 2019.
5. Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor herplaatsing in zijn ambt van rechter. De re-integratieactiviteiten hebben ertoe geleid dat betrokkene de hervatting van zijn werkzaamheden heeft kunnen uitbouwen tot 20 uur per week, in zijn aangepaste rechterlijke taak bij het team Bestuursrecht. Sinds hij in februari 2019 voor 20 uur hersteld is gemeld, is daarin geen verandering gekomen.
Ook in het hiervoor genoemde rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV wordt uitgegaan van dit aantal uren.
De herplaatsing van betrokkene in zijn ambt voor 20 uur betekent dat aan hem voor de overige 8,8 uur ontslag dient te worden verleend.
6. Alvorens over te gaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad heb ik bij schrijven van 10 september 2020 betrokkene - overeenkomstig artikel 46o lid 3 Wrra - in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Uit zijn schriftelijke reactie van 18 september 2020 blijkt dat betrokkene de weergave van de omstandigheden van zijn arbeidsongeschiktheid onderschrijft, alsook dat hij heeft overwogen zelf een verzoek in te dienen tot gedeeltelijk ontslag bij koninklijk besluit maar daarvan heeft afgezien omdat hij de eventuele gevolgen daarvan voor een private verzekeringsaanspraak niet kan overzien.
7. De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
’s-Gravenhage, 6 oktober 2020
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Mr. J. Silvis