NJB 2023/1894
In beginsel mag bij bewezenverklaring van de gedraging waarvoor de boete is opgelegd van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Bij volledig ontbreken van verwijtbaarheid bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Bij een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding bestaan de opgelegde boete te matigen.
ABRvS 28-06-2023, ECLI:NL:RVS:2023:2500
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
28 juni 2023
- Magistraten
Mrs. Uylenburg, Den Ouden, Schipper-Spanninga
- Zaaknummer
202105616/1/A3
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2023:2500, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 28‑06‑2023
- Wetingang
Essentie
In beginsel mag bij bewezenverklaring van de gedraging waarvoor de boete is opgelegd van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Bij volledig ontbreken van verwijtbaarheid bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Bij een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding bestaan de opgelegde boete te matigen.
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 12 juli 2021 in zaak nr. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.