NJB 2024/2151:Voorwaardelijk opzet bij verkeersdoodslag art. 287 Sr: voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In casu is de verdachte op de kruising met het fietspad door het op rood staande verkeerslicht gereden met een snelheid tussen 81 en 97 km/u terwijl de maximumsnelheid 30 km/u was en heeft hij niet geremd. Het zicht op het fietspad was door de duisternis slecht terwijl er (extra) rekening moest worden gehouden met verkeersdeelnemers op dat fietspad omdat het de avond van Bevrijdingsdag was. Het oordeel van het hof ‘dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht waren op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard’, is niet toereikend gemotiveerd, mede erop gelet dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over bijvoorbeeld andere verkeersdeelnemers met wie de verdachte op dat late uur al voorafgaand aan het ongeval werd geconfronteerd en voorts dat door de verdediging is aangevoerd dat verdachte tijdens het rijden dacht dat de snelheidsbeperking ter plaatse op dat moment niet gold, dat hij niet goed heeft opgelet en dat hij geen andere verkeersdeelnemers heeft gezien.