Vgl. HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, NJ 2002/498, rov. 3.3 en HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ’t Hart, rov. 3.4-3.5.
HR, 23-06-2015, nr. 14/02368
ECLI:NL:HR:2015:1696
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-06-2015
- Zaaknummer
14/02368
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1696, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑06‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:949, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:949, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1696, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑09‑2014
- Vindplaatsen
NJ 2015/312 met annotatie van
SR-Updates.nl 2015-0288
Uitspraak 23‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Art. 269.1 Sv. Afwijzing verzoek tot behandeling van de zaak met gesloten deuren. Hoofdregel is dat het onderzoek ttz. in het openbaar geschiedt. Het oordeel van het Hof dat hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd onvoldoende is voor afwijking van die hoofdregel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Partij(en)
23 juni 2015
Strafkamer
nr. 14/02368
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2014, nummer 23/003241-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer over de afwijzing door het Hof van het verzoek van de raadsman van de verdachte tot gedeeltelijke behandeling van de zaak met gesloten deuren.
2.2.
De conclusie van de Advocaat-Generaal houdt onder 4 het volgende in omtrent hetgeen de stukken van het geding - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - :
"(i) Naast de verdachte en diens raadsman is op de in het openbaar gehouden terechtzitting in hoger beroep de aangeefster van feit 1 ([betrokkene]) als belangstellende aanwezig.
(ii) Nadat de voorzitter van het hof op die terechtzitting de korte inhoud van de stukken heeft medegedeeld en nadat de verdachte ten aanzien van de feiten een verklaring heeft afgelegd, heeft de raadsman van de verdachte verzocht de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen, omdat er sprake is van nieuwe omstandigheden waarvan de verdachte niet wil dat deze publiekelijk bekend worden. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende naar voren gebracht. De raadsman zal een strafmaatverweer voeren om uiteen te zetten wat er na de voorvallen is gebeurd, nu uit de getuigenverklaringen en de rest van het dossier niet blijkt hoe de situatie tot stand is gekomen. Er zijn nieuwe elementen en de verdachte is bang dat deze elementen bekend raken. Bij de verdachte bestaat de vrees dat er informatie naar buiten komt en dat de mensen in de directe omgeving van de verdachte dan op de hoogte raken van deze zaak. De verdachte vindt het van belang dat "het" toch wordt genoemd.
(iii) Vervolgens heeft het hof op de terechtzitting het verzoek om de behandeling verder met gesloten deuren te doen plaatsvinden afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het hof acht de informatie die de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende om een gemotiveerd bevel te kunnen geven de zitting voort te zetten met gesloten deuren, nu de hoofdregel is dat de zitting in het openbaar plaatsvindt.
(iv) Na een korte onderbreking van het onderzoek, heeft de raadsman opgemerkt dat de verdediging er niet van op de hoogte was dat de aangeefster ter terechtzitting aanwezig zou zijn als belangstellende.
(v) Daarna heeft de verdachte op de (nog steeds) in het openbaar gehouden terechtzitting een verklaring afgelegd betreffende zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij publiekelijk aan de schandpaal is genageld door de aangeefster en een gezamenlijke vriendin, dat er op sociaal gebied veel kapot is gemaakt en dat hij zijn baan is verloren. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij liever niet wil zeggen of hij weer een relatie heeft en dat hij ook niet wil zeggen of hij alleen of samen woont.
(vi) Ten slotte heeft de raadsman van de verdachte, zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, bij wijze van "strafmaatverweer" verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich vrijwillig bij "De Waag" gemeld en is volledig weg uit de "party-scene". De feiten hebben zich afgespeeld in de vriendenkring van de verdachte, terwijl hij als paria is bestempeld en een geruchtenstroom op gang is gekomen. De verdachte heeft geen contact meer met zijn (voormalige) vrienden maar is bang dat de geruchten zich verder verspreiden, aangezien hij inmiddels een vaste relatie heeft, samenwoont en ontzettend bang is dat zijn nieuwe vriendin wordt benaderd vanuit die vriendengroep."
2.3.
Art. 269, eerste lid, Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt:
"Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in het openbaar. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden."
2.4.
De onder meer in art. 269 Sv neergelegde hoofdregel is dat in strafzaken het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar geschiedt, zij het dat in nader in de wet omschreven gevallen, zoals in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, kan worden afgeweken van die hoofdregel. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging afgewezen op de grond dat het "de informatie die de verdediging heeft aangevoerd, onvoldoende [acht] om een gemotiveerd bevel te kunnen geven de zitting voort te zetten met gesloten deuren nu de hoofdregel is dat de zitting in het openbaar plaatsvindt". Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, onvoldoende is voor afwijking van de hoofdregel dat de gehele strafzaak op de openbare terechtzitting wordt behandeld. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen door de verdediging aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt het middel.
2.5.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015.
Mr. Van de Griend is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Conclusie 26‑05‑2015
Inhoudsindicatie
Art. 269.1 Sv. Afwijzing verzoek tot behandeling van de zaak met gesloten deuren. Hoofdregel is dat het onderzoek ttz. in het openbaar geschiedt. Het oordeel van het Hof dat hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd onvoldoende is voor afwijking van die hoofdregel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Nr. 14/02368 Zitting: 26 mei 2015 | Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2014 de verdachte wegens 1. en 3. “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman van de verdachte om het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedeeltelijk met gesloten deuren te behandelen ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft afgewezen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Naast de verdachte en diens raadsman is op de in het openbaar gehouden terechtzitting in hoger beroep de aangeefster van feit 1 ([betrokkene]) als belangstellende aanwezig.
(ii) Nadat de voorzitter van het hof op die terechtzitting de korte inhoud van de stukken heeft medegedeeld en nadat de verdachte ten aanzien van de feiten een verklaring heeft afgelegd, heeft de raadsman van de verdachte verzocht de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen, omdat er sprake is van nieuwe omstandigheden waarvan de verdachte niet wil dat deze publiekelijk bekend worden. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende naar voren gebracht. De raadsman zal een strafmaatverweer voeren om uiteen te zetten wat er na de voorvallen is gebeurd, nu uit de getuigenverklaringen en de rest van het dossier niet blijkt hoe de situatie tot stand is gekomen. Er zijn nieuwe elementen en de verdachte is bang dat deze elementen bekend raken. Bij de verdachte bestaat de vrees dat er informatie naar buiten komt en dat de mensen in de directe omgeving van de verdachte dan op de hoogte raken van deze zaak. De verdachte vindt het van belang dat “het” toch wordt genoemd.
(iii) Vervolgens heeft het hof op de terechtzitting het verzoek om de behandeling verder met gesloten deuren te doen plaatsvinden afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het hof acht de informatie die de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende om een gemotiveerd bevel te kunnen geven de zitting voort te zetten met gesloten deuren, nu de hoofdregel is dat de zitting in het openbaar plaatsvindt.
(iv) Na een korte onderbreking van het onderzoek, heeft de raadsman opgemerkt dat de verdediging er niet van op de hoogte was dat de aangeefster ter terechtzitting aanwezig zou zijn als belangstellende.
(v) Daarna heeft de verdachte op de (nog steeds) in het openbaar gehouden terechtzitting een verklaring afgelegd betreffende zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij publiekelijk aan de schandpaal is genageld door de aangeefster en een gezamenlijke vriendin, dat er op sociaal gebied veel kapot is gemaakt en dat hij zijn baan is verloren. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij liever niet wil zeggen of hij weer een relatie heeft en dat hij ook niet wil zeggen of hij alleen of samen woont.
(vi) Ten slotte heeft de raadsman van de verdachte, zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, bij wijze van “strafmaatverweer” verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich vrijwillig bij “De Waag” gemeld en is volledig weg uit de “party-scene”. De feiten hebben zich afgespeeld in de vriendenkring van de verdachte, terwijl hij als paria is bestempeld en een geruchtenstroom op gang is gekomen. De verdachte heeft geen contact meer met zijn (voormalige) vrienden maar is bang dat de geruchten zich verder verspreiden, aangezien hij inmiddels een vaste relatie heeft, samenwoont en ontzettend bang is dat zijn nieuwe vriendin wordt benaderd vanuit die vriendengroep.
5. Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen, is een verzoek tot toepassing van art. 269, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 269, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, voor zover hier van belang, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte de gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren eist.
6. In de hiervoor onder 4 sub iii weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren heeft afgewezen, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte de gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren niet eiste. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.
7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Het onderzoek ter terechtzitting moet in het openbaar geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 Grondwet (hierna: GW) verwoord. Art. 4, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) en art. 269 Sv, dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens art. 121 GW en art. 4, eerste lid, RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 4, tweede lid, RO voegt daar nog aan toe dat de rechter om gewichtige redenen, die in het proces-verbaal van de zitting moeten worden vermeld, mag bevelen dat het rechtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaatsvinden. Art. 6, eerste lid, EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Daartoe behoort het belang van “the protection of the private life of the parties”. Art. 269, eerste lid, Sv regelt de reeds in art. 4, tweede lid, RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Het bevel tot gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren kan ingevolge art. 269, eerste lid, Sv onder meer worden gegeven, indien de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eist.1.
8. De in voornoemde wettelijke bepalingen geregelde externe openbaarheid van het strafproces ziet op de toegankelijkheid van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak voor de rechtsgenoten. Daarmee wordt een zekere controle op de rechtspleging mogelijk.2.De wet voorziet in een (gedeeltelijke) sluiting van de deuren om redenen van privacy van de verdachte, zij het dat het daarbij moet gaan om zeer uitzonderlijke gevallen. Daarbij moet worden bedacht dat het uitgangspunt dat het onderzoek ter terechtzitting openbaar is per definitie betekent dat een inbreuk op de privacy van de verdachte wordt gemaakt, bijvoorbeeld doordat ter zitting de persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden besproken. De wetgever heeft heeft niettemin - in overeenstemming met art. 6 EVRM - de afweging gemaakt dat in het volwassenenstrafrecht in de regel de desbetreffende privacybelangen moeten wijken voor de belangen die met openbaarheid van de strafrechtspraak zijn gediend. Dat betekent dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een bevel tot (gedeeltelijke) sluiting van de deuren met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de meerderjarige verdachte.3.
9. In de afwijzing door het hof van het verzoek tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren ligt als zijn oordeel besloten dat in dit geval het belang van een openbare behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep diende te prevaleren boven het belang van de verdachte bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In het licht van hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is voorop gesteld geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen slechts aangevoerd dat hij een strafmaatverweer zal voeren om uiteen te zetten wat na de voorvallen is gebeurd, dat er “nieuwe elementen” zijn, dat de verdachte bang is dat “deze elementen” bekend raken en dat er bij de verdachte de vrees bestaat dat er “informatie” naar buiten komt, waardoor de mensen in zijn directe omgeving op de hoogte raken van deze zaak. De raadsman heeft bij de onderbouwing van zijn verzoek echter op geen enkele wijze aangegeven waarop deze “nieuwe elementen” betrekking hebben en waarom juist de openbaarmaking van “deze elementen” een inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Daarmee heeft de onderbouwing van het verzoek een algemeen karakter. De verdachte heeft vervolgens wel een verklaring afgelegd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden. Daarbij heeft hij slechts de vragen naar een nieuwe relatie en het al dan niet samenwonen, kennelijk met het oog op zijn privacy, niet willen beantwoorden. De raadsman heeft echter in het kader van de onderbouwing van een strafmaatverweer opgemerkt dat de verdachte inmiddels een vaste relatie heeft en samenwoont. Daardoor zijn de antwoorden op de vragen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die de verdachte zelf niet wenste te geven en die mogelijk ten grondslag hebben gelegen aan het verzoek tot behandeling met gesloten deuren, alsnog door de verdediging naar voren gebracht. Gelet op het voorafgaande, valt niet in te zien dat zich in het onderhavige geval een uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan die een gedeeltelijke sluiting van de deuren eist. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.4.
10. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, kan niet worden gezegd dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek enkele persoonlijke omstandigheden, die hij van belang achtte voor de strafmaat. niet naar voren heeft kunnen brengen. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, heeft de verdachte een verklaring afgelegd betreffende zijn persoonlijke omstandigheden en heeft zijn raadsman de “ontbrekende antwoorden” bij pleidooi alsnog gegeven. Noch het in feitelijke aanleg verhandelde noch de cassatieschriftuur bevat een aanknopingspunt welke (soort) informatie de verdachte door het achterwege blijven van een bevel tot sluiting van de deuren niet met het hof zou hebben kunnen delen.
11. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof niet gehouden de verdachte, alvorens op het verzoek te beslissen, in de gelegenheid te stellen achter gesloten deuren zijn verzoek toe te lichten. Art. 269, tweede lid, Sv schrijft slechts voor dat het bevel tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren pas kan worden gegeven nadat de verdachte hieromtrent is gehoord. Dit horen vindt ”zo nodig met gesloten deuren” plaats. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het hof overweegt een bevel tot sluiting van de deuren te geven. In de onderhavige zaak heeft het hof het verzoek tot sluiting van de deuren juist afgewezen. Daarbij komt dat de formulering “zo nodig met gesloten deuren” impliceert dat het horen van de verdachte in voorkomende gevallen ook in het openbaar kan plaatsvinden. Daarbij moet worden bedacht dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk aan het hof heeft verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de verdachte eerst met gesloten deuren te horen. Ook daarop strandt de klacht.
12. Het middel faalt.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑05‑2015
Vgl. G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 49.
Vgl. L. van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces, (dissertatie Universiteit Utrecht 2008), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 88 en C.H. Brants en L. van Lent in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 7.5 bij art. 269 Sv (supplement 125, oktober 2001).
Vgl. HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8274 (middel 5, art. 81 RO).
Beroepschrift 08‑09‑2014
Aan de HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Zaak : [rekwirant] / OM
Raadsman : mr. M.L.M. van der Voet
SCHRIFTUUR: houdende een middel van cassatie in de zaak van
[rekwirant]
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats]
wonende [adres], [postcode] [woonplaats]
rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Amsterdam, uitgesproken op 11 april 2014 onder parketnummer 23-003241-13.
Middel
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 269, 359 en 415 Sv alsmede de artikelen 6 en 8 EVRM geschonden nu het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verzoek om het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedeeltelijk met gesloten deuren te behandelen heeft afgewezen. Het hof heeft daarbij miskend dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van rekwirant in dit geval diende te prevaleren boven het belang van de externe openbaarheid van het strafproces, althans het hof heeft verzuimd ten behoeve van de belangenafweging aan rekwirant de gelegenheid te bieden met gesloten deuren zijn redenen op te geven voor zijn verzoek. In zoverre heeft het hof inbreuk gemaakt op het recht van rekwirant op een eerlijk proces in samenhang met zijn recht op eerbiediging van zijn privé leven. Hierdoor is rekwirant in zijn belang geschaad om datgene naar voren te brengen dat bij de beoordeling van de op te leggen sanctie in zijn voordeel had kunnen worden meegewogen.
Toelichting
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bevat de volgende passages:
‘(…)
De raadsman verzoekt het hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen. Er is sprake van nieuwe omstandigheden waarvan de verdachte niet wil dat deze publiekelijk bekend worden.
De advocaat generaal zegt dat het een openbare zitting is. Als er bepaalde dingen zijn die dit anders maken, dan moeten deze wel heel bijzonder zijn. Dat aangeefster aanwezig is met een vriendin maakt dat niet anders.
De raadsman antwoordt dat uit de getuigenverklaringen en de rest van het dossier niet blijkt hoe de situatie tot stand is gekomen. Daarom zal hij een strafmaatverweer voeren om uiteen te zetten wat na de voorvallen is gebeurd, ook via de sociale media. Er zijn nu nieuwe elementen en verdachte is bang dat deze elementen bekend raken. Het ligt in deze zaak precair, omdat deze zaak ook zo tot stand gekomen is.
De oudste raadsheer wijst de raadsman op artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, waarin de uitzonderingen op een openbare behandeling zijn weergegeven, waaronder de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en vraagt of de raadsman daarop doelt.
De raadsman zegt dat bij verdachte de vrees bestaat dat er informatie naar buiten komt en dat het circus dan weer opnieuw gaat beginnen. De mensen in de directe omgeving van de verdachte raken dan op de hoogte van deze zaak. En verdachte vindt het van belang dat het toch genoemd wordt.
De advocaat-generaal zegt dat als het gaat om hoe verdachte bejegend gaat worden, zij zich refereert aan het oordeel van het hof.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om de behandeling verder met gesloten deuren te doen plaatsvinden wordt afgewezen. Het hof acht de informatie die de verdediging heeft aangevoerd, onvoldoende om een gemotiveerd bevel te kunnen geven de zitting voort te zetten met gesloten deuren nu de hoofdregel is dat de zitting in het openbaar plaatsvindt.’
2.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts dat aangeefster [aangeefster] (als belangstellende) ter terechtzitting aanwezig was en de raadsman heeft medegedeeld dat de verdediging niet op de hoogte was dat aangeefster aanwezig zou zijn. Voorts blijkt dat rekwirant een aantal vragen naar zijn persoonlijke omstandigheden niet wilde beantwoorden.
3.
Aldus kan uit het verhandelde terechtzitting genoegzaam blijken dat rekwirant bepaalde nieuwe persoonlijke omstandigheden naar voren wilde brengen die hij van belang achtte voor de strafmaat, doch dat hij vanwege de omstandigheid dat aangeefster [aangeefster], zijn ex-vriendin, ter terechtzitting aanwezig was deze persoonlijke omstandigheden slechts met gesloten deuren, derhalve buiten aanwezigheid van aangeefster, naar voren wilde brengen, aangezien hij kennelijk vreesde dat die informatie op zodanige wijze naar buiten zou komen dat hij in zijn persoonlijke levenssfeer zou worden belast. Voorts kan blijken dat, nadat is geweigerd de persoonlijke omstandigheden met gesloten deuren te behandelen, hij vragen die betrekking hadden op de relationele sfeer niet wilde beantwoorden. Aldus kan worden geconcludeerd dat rekwirant als gevolg van de afwijzing van het verzoek tot behandeling met gesloten deuren enkele persoonlijke omstandigheden niet naar voren heeft gebracht die hij van belang achtte voor de beoordeling van de strafmaat.
4.
Artikel 269 eerste en tweede lid Sv luidt als volgt:
• Artikel 269
- °
- 1.
Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in het openbaar. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
- °
- 2.
Een bevel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de rechtbank ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De rechtbank geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord. Artikel 22. vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
De ratio van de krachtens art. 269 Sv voorgeschreven eis van openbaarheid is volgens Wöretshofer tweeërlei. Ten eerste dient de (externe) openbaarheid ter controle van de samenleving op de werkzaamheden van justitiële organen en ter demonstratie naar het publiek dat recht wordt gedaan; ten tweede dient een verdachte zich in het openbaar te verantwoorden.1.
De openbaarheid wordt tevens gewaarborgd door artikel 6 lid 1 EVRM, het recht van een verdachte op een openbare behandeling en een openbare uitspraak. De openbaarheid dient volgens De Vocht naast het bevorderen van het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak bij te dragen aan de bescherming van een verdachte tegen een willekeurige strafoplegging.2.
Art. 269 lid 1 Sv geeft enkele uitzonderingen waaronder de zaak (gedeeltelijk) met gesloten deuren wordt behandeld. Een van de uitzonderingen betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
6.
Ten aanzien van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer schrijft Van Lent in haar proefschrift ‘Externe openbaarheid in het strafproces’ het navolgende:3.
‘In artikel 6 lid 1 EVRM is bepaald dat indien ‘the protection of the private life of the parties’ dat vergt, van openbaarheid mag worden afgezien. Het begrip ‘party’ heeft in deze context niet de beperkte betekenis van het Nederlandse begrip ‘procespartij’. Deze beperkingsgrond moet veeleer worden beschouwd als een specifieke toepassingsvorm van artikel 8 EVRM, dat ieders recht op bescherming van het privé-leven garandeert. De strafrechtspleging moet volgens het EHRM immers zo worden ingericht, dat de andere Verdragsrechten zo veel mogelijk gewaarborgd kunnen blijven. Daaronder vallen de aan de artikelen 2 en 8 te ontlenen rechten op bescherming tegen mogelijke represailles, en op afscherming van erg persoonlijke, bijvoorbeeld medische, gegevens.’4.
7.
Bovengenoemd citaat ziet met name op het feit dat het EHRM onderkent dat de bescherming van veiligheid en privacy van getuigen in het strafproces kan nopen tot een geheel of gedeeltelijke afwijking van de eis van openbaarheid. De in artikel 269 lid 1 Sv genoemde eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte dient evenwel naar mening van rekwirant langs dezelfde meetlat van art. 8 EVRM in verband met artikel 6 lid 1 EVRM gelegd te worden.
8.
In haar proefschrift schrijft Van Lent voorts5.:
‘In de uitzonderlijke situatie dat de openbaarheid aan het eerlijk proces in de weg kan komen te staan, moet de openbaarheid wijken. Slechts in zaken waarin de publieke belangstelling van dien aard is dat op voorhand duidelijk is dat de openbaarheid van het strafproces de verdachte zal hinderen in het uitoefenen van zijn rechten kan de botsing tussen openbaarheid en eerlijkheid door de rechter in de vorm van uitsluiting of beperking van de openbaarheid worden opgelost.’
9.
Naar mening van rekwirant was in de onderhavige zaak sprake van een dergelijke situatie.
Rekwirant heeft ter terechtzitting een aantal aspecten van zijn privé leven naar voren willen brengen. Hij wenste dit evenwel ter bescherming van dat privé leven in beslotenheid te doen. Dat is onderbouwd met het argument dat aangeefster, zijn ex-vriendin, aanwezig was ter terechtzitting en hij kennelijk om voor hem zwaarwegende redenen niet wilde dat zij kennis nam van hetgeen hij over zijn privé leven naar voren wilde brengen.
In zoverre was er sprake van publieke belangstelling die rekwirant hinderde in zijn recht op een eerlijke behandeling met inachtneming van zijn privé leven.
10.
Het hof heeft door zijn afwijzende beslissing verzuimd te onderkennen dat hier sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 269 lid 1 Sv. Het hof had bij de belangenafweging moeten onderkennen dat niet zonder meer valt in te zien dat het belang van een openbare terechtzitting, waar het betreft de bescherming van de verdachte alsmede het bevorderen van het verbouwen in de rechtspraak, wordt geschaad door het met gesloten deuren behandelen van enkele persoonlijke omstandigheden. Voor wat betreft het belang dat rekwirant zich in het openbaar dient te verantwoorden ten aanzien van de beschuldigingen valt evenmin zonder meer in te zien in hoeverre dat belang wordt geschaad door de gedeeltelijke sluiting van de deuren. Het ging hier immers niet zozeer om de tenlastegelegde feiten maar over nadien opgetreden omstandigheden in het privéleven van rekwirant. Tevens had daarbij door het hof in ogenschouw moeten worden genomen dat de advocaat-generaal zich (kennelijk) niet verzette tegen behandeling met gesloten deuren.
11.
Voor zover het hof onvoldoende was ingelicht had het hof moeten onderkennen dat het nu juist voor rekwirant vanwege de openbaarheid van de terechtzitting niet mogelijk was duidelijk te maken waar het hem om ging. Het hof had aldus de deuren behoren te sluiten ten behoeve van het aanhoren van de argumenten van rekwirant alvorens uiteindelijk op het verzoek te beslissen, hetgeen het tweede lid van art. 269 Sv uitdrukkelijk als mogelijkheid noemt. Door rekwirant niet in de gelegenheid te stellen met gesloten deuren zijn redenen op te geven waarom hij de verdere behandeling van zijn persoonlijke omstandigheden met gesloten deuren wilde, heeft het hof zijn beslissing onzorgvuldig —en derhalve ontoereikend gemotiveerd— genomen.
12.
Rekwirant acht zijn cassatieberoep ontvankelijk nu dit beroep blijkens de akte rechtsmiddel zich tevens richt tegen alle ter terechtzitting genomen tussenbeslissingen en rekwirant belang heeft bij cassatie aangezien hij van mening is dat, indien zijn zaak opnieuw door de feitelijke rechter zal worden behandeld en hij de gelegenheid krijgt alle relevante persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, een eventuele sanctie gematigd zal worden..
Rekwirant verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College het door hem bestreden arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 april 2014 vernietigen en betreffende de verdere afhandeling te beslissen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.L.M. van der Voet, kantoorhoudende te (1071 VG) Amsterdam aan de Roelof Hartstraat nr. 31, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gemachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 8 september 2014
M.L.M. van der Voet
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑09‑2014
aldus Wöretshofer in T&C Sv 10 dr., pag 1255 met verwijzing naar Corstens/Borgers: Het Nederlands strafprocesrecht, 7e dr. 3.2.
zie De Vocht T&C Sv 10 dr., pag 2805
Van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces, Pompe Reeks, Boom 2008, pag. 87
EHRM 26 maart 1996 (Doorson t. Nederland); EHRM 25 februari 1997 (Z. t. Finland)
Van Lent, pag 90; zie voorts pag. 60–62