Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.9
2.9 Conclusie
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90978:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.1.1.
Hoofdstuk 2, paragrafen 2.2.1.2 en 2.2.3.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.1.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.2.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.1.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.2.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.5.1.
Hoofdstuk 2, paragrafen 2.6.1 en 2.7.1.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.8.1 en verwijzingen in deze paragraaf.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.8.2 en verwijzingen in deze paragraaf
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.8.2 en verwijzingen in deze paragraaf.
Hoofdstuk 2, paragrafen 2.3.2, 2.4.4, 2.5.4, 2.6.2 en 2.7.2.
In de onderzochte rechtsstelsels bestaat een voorrangspositie voor leverancierskrediet. Uit de hierboven beschreven ontwikkelingen van de voorrangsposities in de vier rechtsstelsels valt te concluderen dat de toekenning van voorrang aan het zekerheidsrecht voor leverancierskrediet samenhangt met (de ontwikkeling van) een eerste zekerheidsrecht ten gunste van een geldkredietverstrekker, veelal een bank, op alle huidige en toekomstige goederen van de koper.
In het Nederlandse recht is bij de invoering van het eigendomsvoorbehoud door de minister opgemerkt dat de leverancier voorrang moet verkrijgen, zodat hij zich kan ‘wapenen’ tegen het eerder gevestigde alomvattende stille pandrecht van de bank.1 Eenzelfde ontwikkeling is waar te nemen in het Nederlandse recht vóór de invoering van het huidige BW. De Hoge Raad sanctioneert eerst in een aantal arresten de eerder overeengekomen alomvattende fiduciaire overdracht tot zekerheid met een levering cp aan de bank, om vervolgens deze sterke zekerhedenpositie van de bank te beperken ten gunste van de leverancier die zaken op krediet levert. De Hoge Raad oordeelt dat de zekerheid van de leverancier voorrang heeft vóór de zekerheid van de bank. Dit volgt bijvoorbeeld uit het Doorverkochte Rogge-arrest en het Pluvier-arrest.2
In het Duitse recht geschiedt de ontwikkeling van de voorrangspositie voor leverancierskrediet gelijktijdig met de ontwikkeling van de mogelijkheid om alle goederen van de koper tot zekerheid over te dragen aan de bank.3 Vervolgens ontstaat er een conflict tussen deze zekerheidsnemers met betrekking de nieuwe zaak die is gevormd uit (mede) door de leverancier onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Ook ontstaat er een vergelijkbaar conflict met betrekking tot de vordering uit doorverkoop van de zaken die de leverancier onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd. Beide conflicten worden door het BGH beslecht ten gunste van de leverancier. Hiermee maakt het BGH een uitzondering op de prior tempore-regel.4
In het Belgische recht wordt in 1997 een wettelijke bepaling voor het eigendomsvoorbehoud ingevoerd. Deze heeft tot gevolg dat de leverancier het eigendomsvoorbehoud kan inroepen jegens andere schuldeisers van de koper, waaronder de bank. De bank kan geen pandrecht meer vestigen op de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak. Zijn zekerhedenpositie wordt beperkt ten gunste van de leverancier. De wetgever merkt bij de invoering van het eigendomsvoorbehoud in 1997 op dat het belang van de leverancier om zekerheid te verkrijgen op de geleverde zaak zwaarder weegt dan het belang van de bank die zekerheid heeft bedongen op alle goederen van de koper.5 Bij de invoering van de Pandwet wordt superprioriteit verbonden aan het eigendomsvoorbehoud, zodat de leverancier opnieuw voorrang heeft boven het pandrecht van de bank.6
In het Amerikaanse recht is de superpriority voor het zekerheidsrecht voor leverancierskrediet geïntroduceerd in de rechtspraak als een directe reactie op de sanctionering van een allesomvattend zekerheidsrecht ten gunste van een eerdere kredietgever in de rechtspraak. Vervolgens is bij het ontwerpen van Article 9 UCC door de ontwerpers aangesloten bij deze door hen billijk geachte uitkomst. In Article 9 UCC wordt, in afwijking van de prioriteitsregel, aan het zekerheidsrecht dat leverancierskrediet secureert voorrang toegekend vóór eerder (bij voorbaat) gevestigde en voltooide zekerheidsrechten.7
Ook in de UNCITRAL Legislative Guide on Secured Transactions, de UNCITRAL Model Law on Secured Transactions en in de Draft Common wordt een voorrangspositie toegekend aan de kredietverstrekkende leverancier. Uit deze modelwetten volgt dat internationaal consensus bestaat over de toekenning van deze voorrangspositie voor leverancierskrediet.8
Verder volgt uit dit hoofdstuk dat de vormgeving van de voorrangspositie wel het resultaat verklaart, maar geen antwoord geeft op de vraag waarom het wenselijk is datdeze rechtsfiguren tot dit resultaat leiden. Dit volgt uit de vergelijkbare argumenten die door de wetgevers, ontwerpers en rechters naar voren wordt gebracht ter rechtvaardiging voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Deze argumenten zijn te vatten in drie categorieën.
Ten eerste wordt de toekenning van een voorrangspositie noodzakelijk geacht om de verstrekking van leverancierskrediet te faciliteren, hetgeen een positief effect heeft op de handel en bedrijvigheid van de ondernemingen en zodoende bijdraagt aan de economische groei.9
Ten tweede verkrijgt de leverancier een voorrangspositie op de zaken die hij heeft geleverd tot zekerheid van voldoening van de daar tegenstaande prestatie van de koper. Er bestaat een nauwe band tussen het onderpand en de gesecureerde vordering.10
Ten derde worden met de toekenning van de voorrangspositie geen andere schuldeisers van de koper benadeeld, omdat de leverancier zekerheid verkrijgt op zaken die nog niet tot het verhaalsvermogen van de koper behoorden voor nieuw krediet. Zij hebben er uiteindelijk ook voordeel van, omdat zij zich kunnen verhalen op deze zaken.11
In het hoofdstuk heb ik laten zien dat de uitwerking van de voorrangspositie in de rechtsstelsels verschilt. Dit is logisch, want de rechtssystemen verschillen. Toch is er één opvallend verschil te ontdekken. In de onderzochte rechtsstelsels en modelwetten wordt de voorrangspositie voor leverancierskrediet verlengd tot het surrogaat van de geleverde zaken, behalve in het Nederlandse recht. Dit is opmerkelijk, omdat aan de rechtvaardiging van deze verlenging dezelfde argumenten ten grondslag liggen als aan de toekenning van de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaken.12 De argumenten die in de andere rechtsstelsels zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van deze verlenging, zijn dus dezelfde als de argumenten die de Nederlandse wetgever naar voren brengt ter rechtvaardiging van de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaken.
Bij deze verlengingen is, evenals met betrekking tot de oorspronkelijke zaken, een conflict beslecht tussen het zekerheidsrecht van de leverancier en het zekerheidsrecht van een andere kredietverstrekker, veelal de bank. Dit conflict is beslecht in het voordeel van de leverancier door een uitzondering te maken op de prioriteitsregel. In het Nederlandse recht wordt dit conflict daarentegen wel opgelost aan de hand van de prioriteitsregel. Dit heeft tot gevolg dat de schuldeiser die als eerste een pandrecht (bij voorbaat) vestigt op het surrogaat, een eerste zekerheidsrecht heeft. Dit is doorgaans de bank die alle huidige en toekomstige goederen (bij voorbaat) aan hem heeft laten verpanden. De vraag komt op of de argumenten die de voorrangspositie voor leverancierskrediet op de geleverde zaak rechtvaardigen in het Nederlandse recht niet gelden voor het surrogaat van de geleverde zaak. Indien dit het geval is, wijkt het Nederlandse recht af van de andere rechtsstelsels en tevens gedeeltelijk van het recht onder het BW (oud) waar de Hoge Raad op grond van de hierboven genoemde argumenten oordeelde dat de leverancier voorrang had bij verhaal op een vordering uit doorverkoop voor de bank. Of het Nederlandse recht inderdaad afwijkt van de andere rechtsstelsels wordt onderzocht in de hoofdstukken 3 tot en met 13. In deze hoofdstukken wordt uiteengezet hoe groot de verschillen tussen het Nederlandse recht en de andere rechtsstelsels zijn ten aanzien van de uitwerking van de voorrangspositie en welke verklaringen voor deze verschillen bestaan.