Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 20. Zie voorts A-G Wuisman voor HR 12 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8059, RvdW 2010/1356 met verdere verwijzingen, alsmede B. Wessels, Insolventierecht, IX, 2009, nr. 9066y; A.J. Noordam, WSNP en goede trouw, Deventer: Kluwer 2008, nrs. 236 en 237.
HR, 08-05-2015, nr. 15/00503
ECLI:NL:HR:2015:1226
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-05-2015
- Zaaknummer
15/00503
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1226, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑05‑2015; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:573, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:154, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2015:573, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑03‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1226, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑05‑2015
Partij(en)
8 mei 2015
Eerste Kamer
nr. 15/00503
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/13/572106/FT RK 14/2000 van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2014;
b. het arrest in de zaak 200.160.107/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 9 april 2015 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 mei 2015.
Conclusie 27‑03‑2015
15/00503 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 27 maart 2015 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], | |
verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]). | |
1. Inleiding
1.1 [verzoeker] heeft op 15 september 2014 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank Amsterdam heeft dit verzoek bij vonnis van 17 november 2014 afgewezen, kort gezegd omdat [verzoeker] bij onherroepelijk geworden civiel eindvonnis op tegenspraak van de Rechtbank Amsterdam van 11 december 2013 is veroordeeld tot betaling van € 123.000,- aan [betrokkene] uit hoofde van onverschuldigde betaling en niet voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld te goeder trouw is geweest.
1.2 Van dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Het hof heeft het bestreden vonnis bij arrest van 27 januari 2015 bekrachtigd. De motivering van dit oordeel is te vinden in rov. 2.2 t/m 2.4, luidende:
“2.2 Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] daarin niet is geslaagd.
[verzoeker] heeft in vorenbedoelde periode (onder andere) een schuld aan [betrokkene] onbetaald gelaten ter grootte van € 123.000,-. Bij civielrechtelijk vonnis van 11 december 2013 is [verzoeker] veroordeeld tot terugbetaling hiervan op grond van onverschuldigde betaling. Ook nadien is niet gebleken dat hij enige poging in het werk heeft gesteld tot terugbetaling aan [betrokkene] over te gaan, dan wel heeft getracht een betalingsregeling te treffen.
2.3 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake van het onbetaald laten van de schuld aan [betrokkene] te goeder trouw is geweest. [verzoeker] heeft, weliswaar, aangevoerd dat hij geen schuld heeft aan [betrokkene] omdat hij het bedoelde bedrag in zijn geheel - overwegend contant - aan hem heeft voldaan, maar op grond van voormeld vonnis van de rechtbank moet die stelling van de hand worden gewezen. Ook in deze procedure heeft [verzoeker] overigens nagelaten zijn stellingen voldoende met stukken te onderbouwen, zodat het hof daaraan voorbij gaat. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] ten aanzien van het gestelde met betrekking tot de contante betalingen aan [betrokkene] - ter zitting in hoger beroep - een nader stuk heeft overgelegd, waarin telkens door [betrokkene] om verstrekking van kleine contante betalingen per sms-bericht wordt gevraagd, is op geen enkele wijze doorslaggevend voor de stelling dat die betalingen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, noch dat eventuele betalingen betrekking hadden op het door [betrokkene] onverschuldigd betaalde. Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat deze schuld aan de toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
2.4 Naar het oordeel van het hof is voorts niet gesteld of gebleken dat sprake is van omstandigheden die toepassing van artikel 288 lid 3 Fw rechtvaardigen. Vooralsnog is onvoldoende gebleken dat de financiële situatie van [verzoeker] zodanig is gestabiliseerd dat daaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat hij aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder het voorkomen van nieuwe schulden, zal kunnen voldoen. Ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat [verzoeker] nog niet beschikt over een eigen inkomen en geld moet lenen van zijn broer en vrienden om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.”
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] op 3 februari 2015 en derhalve tijdig beroep in cassatie ingesteld, met een uit drie onderdelen opgebouwd middel.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Onderdeel 1 klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op [verzoeker] stelling dat er geen sprake is van een schuld die is ontstaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift (te weten 15 september 2014), omdat de door het hof in rov. 2.3 bedoelde schuld aan [betrokkene] dateert uit de periode 8 april t/m 15 juli 2009 (beroepschrift van 25 november 2014, randnummer 4). Het hof zou hebben miskend dat deze schuld niet relevant is voor de beoordeling in het kader van art. 288 lid 1 sub b Fw.
2.2 Het onderdeel stoelt op een onjuiste rechtsopvatting. Het veronderstelt dat de rechter bij de beoordeling of voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest als bedoeld in art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw, slechts rekening mag houden met schulden die op of na het hiervoor bedoelde vijfjaarstermijn zijn ontstaan, en niet mede acht mag slaan op het betalingsgedrag van de schuldenaar ten aanzien van schulden die vóór de vijfjaarstermijn zijn ontstaan. Dat is onjuist. Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw volgt dat de vijfjaarstermijn niet alleen betrekking heeft op het moment van het ontstaan of het ontdekken van een bepaalde schuld, maar ook op het betalingsgedrag van de schuldenaar gedurende de vijfjaarstermijn met betrekking tot schulden die daarvóór zijn ontstaan1.. Blijkens de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen heeft het hof niet over het hoofd gezien dat de schuld aan [betrokkene] ouder dan vijf jaar is, maar veeleer geoordeeld dat op grond van hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd over zijn betalingsgedrag ten aanzien van de schuld niet aannemelijk is geworden dat aan de goede trouw eis is voldaan. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
2.3 Onderdeel 2 richt twee klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 2.3 dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake van het onbetaald laten van de schuld aan [betrokkene] te goeder trouw is geweest: (i) de motiveringsklacht dat uit de gegeven motivering niet volgt waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd, en (ii) de klacht dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen [verzoeker] in zijn beroepschrift heeft gesteld onder randnummers 5 t/m 9.
2.4 Beide klachten missen feitelijke grondslag. Het hof heeft in de aangevallen rechtsoverweging gewezen op het vonnis van de rechtbank van 11 december 2013, waarin [verzoeker] is veroordeeld tot terugbetaling van de schuld aan [betrokkene]. Voorts heeft het hof overwogen dat [verzoeker] zijn stelling dat hij de gehele schuld overwegend contact heeft terugbetaald niet voldoende met stukken heeft onderbouwd, en dat de door [verzoeker] ter zitting in hoger beroep overgelegde productie ontoereikend is omdat daaruit niet blijkt dat [verzoeker] daadwerkelijk betalingen heeft verricht noch dat deze betalingen betrekking hadden op de schuld aan [betrokkene]. Hiermee heeft het hof wel degelijk toegelicht waarop het oordeel is gebaseerd. Wat de onder (ii) bedoelde klacht betreft geldt dat het hof niet is voorbijgegaan aan [verzoeker] stellingname dat hij gedocumenteerd wil aantonen dat hij bedragen aan respectievelijk voor [betrokkene] heeft betaald maar dat niet kan omdat [betrokkene] begin 2012 alle betalingsbewijzen heeft opgevraagd en [verzoeker] geen gelegenheid heeft gehad om van alle stukken kopieën te maken. Veeleer heeft het hof een feitelijk oordeel gegeven over de aannemelijkheid van die stellingname, welk oordeel in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst en voor het overige niet onbegrijpelijk is.
2.5 Onderdeel 3 voert aan dat het hof ten onrechte [verzoeker] beroep op de hardheidsclausule heeft afgewezen. Het onderdeel wijst op verschillende omstandigheden die verklaren waarom [verzoeker] als kleine zelfstandige in financiële problemen is geraakt, en betoogt dat [verzoeker] financiële situatie zodanig is gestabiliseerd dat hij aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Deze klacht kan niet slagen. ’s Hofs oordeel dat er geen uitzicht bestaat dat [verzoeker] het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen draagt een sterk feitelijk karakter en komt slechts voor cassatie in aanmerking bij onbegrijpelijkheid of een ontoereikende motivering. Daarvan is geen sprake. Het hof heeft vastgesteld dat [verzoeker] nog niet beschikt over een eigen inkomen en geld moet lenen van zijn broer en vrienden om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze vaststellingen zijn in cassatie niet bestreden.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑03‑2015