NJ 1921, p. 50
Beteekenis van „afleveren" in art. 330 Sr.
HR 22-11-1920, ECLI:NL:HR:1920:191
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 november 1920
- Magistraten
Voorzitter: Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Raden: Mrs. A. J. L. Nijpels, C. O. Segers. H. M. A. Savelberg en B. Ort. ,
- Zaaknummer
[22111920/NJ_1921,_p._50]
- Conclusie
Mr. Besier
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1920:191, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑11‑1920
- Wetingang
(Sr art. 330.)
Essentie
Beteekenis van „afleveren" in art. 330 Sr.
Samenvatting
Aan het woord „afleveren" in art. 330 Sr. moet geen andere beteekenis worden toegekend, dan het taalkundig heeft, nl.: „het in de macht van een ander, brengen, het ter beschikking van een ander stellen", zonder dat dit verband behoeft te houden met eenige daartoe verplichtenden titel, (anders concl. O. M.). Dit laatste volgt mede uit het feit, dat in art. 330 het verkoopen en afleveren, onderscheiden van elkaar strafbaar worden gesteld.
Een vervoerder kan ,derhalve zeer wel in den zin dier bepaling afleveren.
Voorgaande uitspraak
D. B., requirant van cassatie ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.