Mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, heeft bij faxbericht van 20 maart 2012, waarin hij heeft verklaard dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep in cassatie, een schriftelijke volmacht verleend aan een griffiemedewerker van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage om namens de verdachte beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof van 4 maart 2012 in de zaak van de verdachte. Vervolgens heeft [betrokkene 1], administratief ambtenaar bij het hof, op 20 maart 2012 op de griffie van het hof namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
HR, 25-06-2013, nr. 12/01574
ECLI:NL:HR:2013:1
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
12/01574
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2013; (Artikel 81 RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1
ECLI:NL:PHR:2013:1, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/01574
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 maart 2012, nummer 22/003395-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.
Conclusie 23‑04‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Nr. 12/01574 Zitting: 23 april 2013 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 7 maart 2012 de verdachte wegens primair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Namens de verdachte heeft een administratief ambtenaar bij het hof beroep in cassatie ingesteld1.en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof met betrekking tot de opgelegde straf op onbegrijpelijke wijze heeft overwogen dat het hof is gebleken dat deze overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht mede vanwege het tragische gegeven dat de mededader [medeverdachte] aan de gevolgen van een val tijdens de overval is komen te overlijden, nu deze specifieke omstandigheid blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep niet aan de orde is gekomen.
4. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. (…) Voorts is het hof gebleken dat deze overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht, mede vanwege het tragische gegeven dat de mededader [medeverdachte] aan de gevolgen van een val tijdens de overval is komen te overlijden.”
5. Het middel neemt als uitgangspunt dat het hof in de motivering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren heeft overwogen dat de grote maatschappelijke onrust die in en rond Moerkapelle is ontstaan, is veroorzaakt door de dood van één van de overvallers. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de (strafmotivering)overwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof heeft in de hiervoor weergegeven overwegingen immers enkel ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde feit overwogen dat de overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht, die “mede” - dat wil zeggen naast de impact die een gewapende overval op een supermarkt op zichzelf beschouwd reeds heeft - het gevolg is geweest van de dood van mededader [medeverdachte].
6. De keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.2.De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat deze moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.3.Naast hetgeen rechtstreeks uit de stukken of uit het onderzoek ter terechtzitting voortvloeit, mag de rechter binnen deze grens evenwel ook rekening houden met andere factoren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan factoren die verband houden met de ernst van het feit, zoals de ingetreden gevolgen van dat feit. Geen rechtsregel belet de rechter daarbij ook de (algemene) gevoelens van onveiligheid die als gevolg van een delict bij anderen dan de direct betrokkenen zijn veroorzaakt te betrekken. Het oordeel van het hof dat door het feit grote maatschappelijke onrust is ontstaan in en rond Moerkapelle en dat die onrust mede is veroorzaakt door het feit dat één van de daders bij die overval is overleden, kan verder - als van feitelijke aard - in cassatie niet met vrucht worden bestreden.4.De strafoplegging is ook voor het overige toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de opgelegde straf immers niet en onbegrijpelijk is de motivering ervan evenmin.
7. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2012 de korte inhoud van een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte, de stukken van het voorbereidende onderzoek en “alle overige stukken, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing” heeft medegedeeld. Tot (de laatste categorie van) die voorgehouden stukken behoort onder meer het op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 juni 2011 overgelegde op schrift gestelde requisitoir van de officier van justitie, inhoudende dat over de overval en het overlijden van (mededader) [medeverdachte] kort na het feit veel in de media is geschreven en gezegd en dat deze zaak veel emoties heeft losgemaakt zowel bij de direct betrokkenen als bij veel mensen in de samenleving.5.Aldus beschouwd kan van de in het middel bedoelde omstandigheid wel degelijk worden gezegd dat zij is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2013
Vgl. HR 21 november 2006, LJN AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, LJN AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 287.
Vgl. Van Dorst, a.w., p. 285.
Vgl. HR 14 maart 2006, LJN AU9353, rov. 4.3 en HR 21 oktober 2003, LJN AL3537, rov. 4.3 (de rechter mag bij de strafoplegging de proceshouding van de verdachte betrekken), HR 15 juli 1985, NJ 1986/184, rov. 5.2 (de rechter mag bij de strafoplegging de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht en de generaal en speciaal preventieve werking welke van de straf uitgaat betrekken) en Van Dorst, a.w., p. 285-286.
Ook de rechtbank heeft in haar strafmotivering overwogen dat de overval voor maatschappelijke opschudding heeft gezorgd in Moerkapelle en daarbuiten en dat de (landelijke) pers uitgebreid heeft bericht over hetgeen zich rond deze zaak heeft afgespeeld, terwijl in hoger beroep door de verdediging geen strafmaatverweer is gevoerd.