HR, 12-07-2013, nr. 13/01119
ECLI:NL:HR:2013:CA1721
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
13/01119
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA1721, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6645, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1721, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:CA1721, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA1721, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling gezamenlijke schuld.
Partij(en)
12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 13/01119
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M-J.E. Gilsing,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de beschikking in de zaak FA RK 11-6990 / 402434 van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 april 2012;
de beschikking in de zaak 200.110.364/01 en 200.110.368/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 december 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van de man heeft bij brief van 30 mei 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Conclusie 24‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling gezamenlijke schuld.
Zaak 13/01119
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 24 mei 2013
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de man]
(de man)
tegen
[de vrouw]
(de vrouw)
1. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 24 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - voor zover thans van belang - bepaald dat ieder van partijen de helft zal dragen van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank. Bij beschikking van 5 december 2012 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage deze beschikking, op het door de man daarvan ingestelde hoger beroep, bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man tijdig cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, nu zij hetzij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., hetzij zijn gericht tegen aan de feitenrechter voorbehouden oordelen, hetzij feitelijke grondslag missen.
Daartoe geldt het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat de schuld bij de ING-bank door beide partijen moet worden gedragen omdat de vrouw genoegzaam heeft toegelicht dat de geleende gelden zijn gebruikt voor de betaling van kosten van huishouding en de man onvoldoende heeft gesteld om in redelijkheid te kunnen vaststellen dat de vrouw de geleende gelden heeft gebruikt voor haar gokverslaving. Deze oordelen zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk. Nu niet aan de stelplicht is voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Het hof heeft voorts op grond van de in rechtsoverweging 13 van zijn beschikking opgesomde omstandigheden feitelijk geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat de man in ieder geval achteraf alsnog moet hebben ingestemd met het sluiten van de geldleningsovereenkomst. Het bewijsaanbod met betrekking tot de op de leningsakte geplaatste handtekening is daarmee niet ter zake dienend, waarbij komt dat het hof - anders dan het middel impliceert - de (handtekening op de) leningsakte niet als bewijs in zijn oordeel heeft betrokken.
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G