De man heeft in zijn verweerschrift in cassatie om een spoedbehandeling gevraagd.
HR, 19-11-2010, nr. 10/01606
ECLI:NL:HR:2010:BN8532
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2010
- Zaaknummer
10/01606
- Conclusie
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BN8532
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BN8532, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8532
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8058, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2010:BN8532, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8532
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8058
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2010
Inhoudsindicatie
Familierecht. Echtscheiding en partneralimentatie. Verwerping pensioenverweer; art. 1:153 BW. (81 RO).
19 november 2010
Eerste Kamer
10/01606
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.C. Meijroos,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 413931/FA RK 08-9380 van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2009 en 4 november 2009;
b. de beschikkingen in de zaak met de nummers 200.050.700/01 en 200.053.692/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 20 januari 2010 en 20 april 2010.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 20 januari 2010 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 19 november 2010.
Conclusie 24‑09‑2010
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Conclusie inzake:1.
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak, waarin het pensioenverweer van de vrouw aan de orde is alsmede de vraag of tegelijkertijd over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen had dienen te worden beslist, leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2009 is op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de behandeling van de nevenverzoeken aangehouden. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 4 november 2009 — op het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie op een bedrag van € 7.389,- bruto per maand vast te stellen — bepaald dat de man € 3.539,- per maand dient te voldoen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Voorts is in die beschikking op het verzoek van zowel de man als de vrouw het huurrecht respectievelijk aan hem en aan haar toe te wijzen, bepaald dat de man de huurder van de echtelijke woning is.
1.2
Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 20 januari 2010, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de door de vrouw bestreden beschikking van 9 september 2009 bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof bij beschikking van 20 april 2010 de eveneens door de vrouw bestreden beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en — verkort weergegeven — bepaald dat de man de vrouw als uitkering in haar levensonderhoud € 6.638,- bruto per maand dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Het tijdig2. door de vrouw tegen eerstgenoemde beschikking ingestelde cassatieberoep bevat twee3. klachten.
1.3
De eerste klacht richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.2 dat het pensioenverweer terecht door de rechtbank is verworpen en klaagt dat het hof art. 1:153 lid 1 BW heeft geschonden en dat gelet op de omstandigheden van het geval een voorziening dient te worden getroffen die ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Het hof heeft evenwel, aldus de klacht, verzuimd alle relevante omstandigheden in ‘haar (!) beschikking’ op te nemen.
1.4
De klacht faalt.
Het hof heeft — in cassatie niet bestreden — allereerst in de bestreden rechtsoverweging het wettelijk voorschrift van art. 1:153 lid 1 BW vooropgesteld, inhoudende dat het echtscheidingsverzoek niet kan worden toegewezen voordat een voorziening is getroffen, indien de andere echtgenoot het verweer voert dat als gevolg van de echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek tot een echtscheiding heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen.
1.5
Het hof heeft vervolgens — in cassatie niet bestreden — geoordeeld dat het voor de vrouw bestaande vooruitzicht op pensioen als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW wordt gevormd door het door de man bij zijn werkgever opgebouwde pensioen en een risicoverzekering bij Winterthur waarvan de vrouw verzekeringnemer is. Beide vooruitzichten gaan naar het oordeel van het hof niet verloren of worden niet verminderd. In een dergelijk geval behoeft geen voorziening getroffen te worden en komt de rechter, in dit geval het hof, niet toe aan een beoordeling van de omstandigheden die tot een billijke vergoeding zouden moeten leiden. Van een schending van art. 1:153 lid 1 BW is dan ook geen sprake.
1.6
De tweede klacht is gericht tegen de verwerping door het hof van de stelling van de vrouw dat de rechtbank tegelijkertijd had dienen te beslissen over de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen.
1.7
Ook deze klacht faalt.
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.3 terecht vooropgesteld dat indien de echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden herstel van de band tussen de echtscheiding en nevenvoorzieningen kan plaatsvinden en bewerkstelligd kan worden dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Het hof heeft daarop de door de vrouw gestelde bijzondere omstandigheden genoemd en beoordeeld. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
1.8
Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2010
Het verzoekschrift is op 16 april 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
De op p. 7 van het cassatieverzoekschrift opgenomen klacht dat ‘tenslotte de rechtbank Amsterdam in de beschikking van 4 november 2009 ten onrechte de jaarlijkse bonus van de man niet in de draagkracht [heeft] betrokken’, is geen cassatieklacht omdat het
- (a)
niet opkomt tegen een oordeel van het hof en
- (b)
zich richt tegen een oordeel dat in dit cassatieberoep niet betrokken is nu de beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, waarvan de vrouw in hoger beroep is gekomen, heeft geleid tot de andere beschikking van het hof van 20 april 2010.