Art. 260, vijfde lid, Sv is ingevoegd bij de Wet van 28 februari 2013 tot implementatie van Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280), Stb. 2013, 85. Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2013 (Stb. 2013, 268).
HR, 15-06-2021, nr. 20/00110
ECLI:NL:HR:2021:928
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-06-2021
- Zaaknummer
20/00110
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:928, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑06‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:385
ECLI:NL:PHR:2021:385, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑04‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:928
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0181
Uitspraak 15‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding op de grond dat ex art. 260.5 Sv vertaling inleidende dagvaarding aan verdachte (Roemeense nationaliteit), die in e.a. niet ttz. is verschenen, had moeten worden verstrekt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AO5706 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor h.b. door verdachte verontschuldigbaar doen zijn. Hof heeft met juistheid vastgesteld dat t.t.v. uitbrengen van inleidende dagvaarding art. 260.5 Sv nog niet in werking was getreden. Hof heeft geoordeeld dat het aan verdachte zelf te wijten is dat hij te laat h.b. heeft ingesteld en dat overschrijding van beroepstermijn niet verontschuldigbaar is. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/00110
Datum 15 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 december 2019, nummer 21-001539-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Boksem en G.R. Stoeten, beiden advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn om hoger beroep in te stellen.
2.2.1
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden in dat de dagvaarding om op de terechtzitting van de rechtbank (politierechter) van 19 juni 2013 te verschijnen aan de verdachte in persoon is uitgereikt. De politierechter heeft op 19 juni 2013 meteen vonnis gewezen. Tegen dat vonnis van de politierechter heeft de verdachte op 21 maart 2019 hoger beroep ingesteld.
2.2.2
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
“Volgens het bepaalde in artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering kan hoger beroep worden ingesteld gedurende veertien dagen na de einduitspraak indien de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.
(...)
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte naar voren gebracht dat er sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de appeltermijn, nu de verdachte - kort en zakelijk weergegeven - geen vertaling van de inleidende dagvaarding heeft ontvangen. Op grond van artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt een vertaalverplichting voor essentiële processtukken. De verdachte dient derhalve te worden ontvangen in het hoger beroep.Het hof stelt vast dat de verdachte op 21 maart 2013 is aangehouden. Kort daarna is de verdachte met behulp van een tolk in de Roemeense taal door de politie verhoord. Blijkens een in het dossier zittende akte van uitreiking is de inleidende dagvaarding op 22 maart 2013 aan verdachte in persoon uitgereikt.Voor zover de raadsman verwijst naar het vijfde lid van artikel 260 Sv, overweegt het hof dat deze bepaling eerst op 1 oktober 2013 is ingevoerd. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was deze bepaling nog niet in werking getreden. In de implementatiewet is niet voorzien in overgangsrecht, zodat hier het uitgangspunt van artikel 4 van de Wet Algemene Bepalingen heeft te gelden: “De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht”. Daaruit volgt dat het nieuwe vijfde lid van art. 260 Sv niet met terugwerkende kracht van toepassing is op gerechtelijke stukken als de dagvaarding, voor zover deze zijn uitgebracht vóór de inwerkingtreding van die bepaling op 1 oktober 2013, hetgeen in deze zaak het geval is. (vgl. PHR:2014:691)Het hof overweegt verder dat artikel 6 van het EVRM weliswaar voorschrijft dat een verdachte in een voor hem begrijpelijke taal op de hoogte wordt gesteld van hetgeen hem strafrechtelijk wordt verweten (de tenlastelegging), maar dat dit niet zonder meer geldt voor andere informatie zoals de oproepingsfunctie van de dagvaarding of de informatie met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen. Hierbij gaat het om de vraag of de verdachte redelijkerwijs heeft kunnen c.q. moeten begrijpen wat de status en betekenis is van het hem uitgereikte stuk.In dit verband acht het hof het volgende van belang.
De verdachte is op 21 juni 2013 (de Hoge Raad begrijpt: 21 maart 2013) op heterdaad aangehouden op verdenking van - kortweg het kraken van een parkeerautomaat. Op dezelfde dag is de verdachte in verzekering gesteld. Het verhoor te dier zake vond plaats met behulp van een tolk in de Roemeense taal. Op 22 juni 2013 (de Hoge Raad begrijpt: 22 maart 2013) is de verdachte door de politie terzake de verdenking nader verhoord. Ook dit verhoor vond plaats met behulp van een tolk in de Roemeense taal. Voorafgaand aan het verhoor heeft de verdachte overleg gevoerd met een advocaat. In het verhoor bekende de verdachte geld te hebben opgeraapt bij de automaat en met behulp van een draad twee muntjes uit de automaat te hebben gehaald, maar ontkende hij braak- dan wel verbrekingshandelingen te hebben verricht. Enkele uren na de beëindiging van het verhoor is de verdachte in vrijheid gesteld en is hem door één van de verhorende verbalisanten in persoon een in het Nederlands gestelde dagvaarding uitgereikt, voor de ontvangst waarvan hij ook heeft getekend. Ofschoon het dossier daartoe geen concreet aanknopingspunt biedt, ligt het alleszins in de rede om te veronderstellen dat de verdachte bij de uitreiking c.q. betekening de nodige uitleg zal zijn gegeven over de status en betekenis van de dagvaarding, dan wel dat hij de gelegenheid had om daarnaar navraag te doen. Ook nadien had de verdachte de mogelijkheid om zich van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of nadere informatie in te winnen. Dit klemt temeer nu de verdachte immers, in het onmiskenbare besef dat hij verdacht werd van een concreet, in tijd en plaats eenvoudig af te bakenen misdrijf, bij zijn invrijheidstelling officiële papieren meekrijgt waarvan het alleszins in de rede ligt te veronderstellen dat deze het vervolg van de justitiële interventie zullen betreffen c.q. duiden. Daar komt bij dat het voorblad van de dagvaarding onder meer behelst de (door de ruimtelijke indeling in het oog springende) tekst: Datum 19 juni 2013, Tijd 10:35 uur, Politierechter. Google Translate leert dat ‘juni’ in het Roemeens ‘iunie’ is’ en ‘politie’ is ‘politie’. Het zal de verdachte, indien hij de moeite had genomen het stuk te bekijken, dan ook zonder meer duidelijk moeten zijn geweest dat zijn arrestatie op enigerlei wijze op 19 juni 2013 een strafprocessueel vervolg zou krijgen, zodat (ook) bij hem de verantwoordelijkheid lag om zich daarvan rekenschap te geven.In dit licht is het hof van oordeel dat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis was van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding. Het is dan ook aan verdachte zelf te wijten dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Gelet hierop is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
2.3
Artikel 408 lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend.”
2.4
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706).
2.5
Het hof heeft met juistheid vastgesteld dat ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding artikel 260 lid 5 Sv nog niet in werking was getreden. Het hof heeft geoordeeld dat het aan verdachte zelf te wijten is dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld, en dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021.
Conclusie 20‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. Verdachte is met in persoon betekende dagvaarding heengezonden. Geen vertaling Roemeens. Verontschuldigbare termijnoverschrijding? De AG meent van niet op grond van de concrete omstandigheden van dit geval. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00110
Zitting 20 april 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 30 december 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen het verstekvonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 juni 2013, waarbij de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft de rechtbank een beslissing genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Namens de verdachte hebben mr. J. Boksem en mr. G.R. Stoeten, beiden advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat de verdachte ten onrechte niet is ontvangen in zijn hoger beroep, nu het oordeel van het hof dat er geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
4. Uit de stukken van het geding blijkt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende. De inleidende dagvaarding is op 22 maart 2013 aan de verdachte in persoon betekend. Bij deze dagvaarding is niet (ten behoeve van de verdachte) een vertaling (in de Roemeense taal) gevoegd, noch is daarop aangetekend dat zo een vertaling aan de verdachte is overhandigd. Op 19 juni 2013 is de verdachte door de politierechter bij verstek tot twee weken gevangenisstraf veroordeeld voor – kortweg – het kraken van een parkeerautomaat. Op 21 maart 2019 heeft de verdachte tegen dit verstekvonnis hoger beroep ingesteld.
5. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 december 2019 houdt hierover het volgende in:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en stelt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde. De inleidende dagvaarding is op 22 maart 2013 aan verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het op 19 juni 2013 gewezen vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld.
De raadsman deelt het volgende mee:
In het dossier bevindt zich weliswaar een akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding, inclusief handtekening, maar een vertaling van dit stuk in de Roemeense taal ontbreekt. Op grond van artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt een vertalingsverplichting, nu de inleidende dagvaarding een essentieel processtuk is. De politierechter had moeten onderzoeken of er een reden was om de zitting in eerst aanleg te schorsen, hetgeen de politierechter heeft nagelaten. Mijns inziens is sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Mijn cliënt is pas op de hoogte geraakt van het vonnis van de politierechter toen hij zich op het vliegveld van Eindhoven bevond. Daarna heeft mijn cliënt via zijn werkgever een advocaat ingeschakeld en toen is er zo spoedig mogelijk hoger beroep ingesteld.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof het volgende mee:
Het hof zal vandaag niet beslissen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, maar zal hierover nader dienen te beraadslagen. In het arrest zal het hof hierover beslissen. Bij deze stand van zaken ziet het hof aanleiding om de zaak vandaag inhoudelijk te behandelen.”
6. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Volgens het bepaalde in artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering kan hoger beroep worden ingesteld gedurende veertien dagen na de einduitspraak indien de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu hij niet binnen veertien dagen na het op 19 juni 2013 gewezen vonnis in hoger beroep is gekomen terwijl de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte naar voren gebracht dat er sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de appeltermijn, nu de verdachte - kort en zakelijk weergegeven - geen vertaling van de inleidende dagvaarding heeft ontvangen. Op grond van artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt een vertaalverplichting voor essentiële processtukken. De verdachte dient derhalve te worden ontvangen in het hoger beroep.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 21 maart 2013 is aangehouden. Kort daarna is de verdachte met behulp van een tolk in de Roemeense taal door de politie verhoord. Blijkens een in het dossier zittende akte van uitreiking is de inleidende dagvaarding op 22 maart 2013 aan verdachte in persoon uitgereikt.
Voor zover de raadsman verwijst naar het vijfde lid van artikel 260 Sv, overweegt het hof dat deze bepaling eerst op 1 oktober 2013 is ingevoerd. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was deze bepaling nog niet in werking getreden. In de implementatiewet is niet voorzien in overgangsrecht, zodat hier het uitgangspunt van artikel 4 van de Wet Algemene Bepalingen heeft te gelden: “De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht”. Daaruit volgt dat het nieuwe vijfde lid van art. 260 Sv niet met terugwerkende kracht van toepassing is op gerechtelijke stukken als de dagvaarding, voor zover deze zijn uitgebracht vóór de inwerkingtreding van die bepaling op 1 oktober 2013, hetgeen in deze zaak het geval is.(vgl. PHR:2014:691)
Het hof overweegt verder dat artikel 6 van het EVRM weliswaar voorschrijft dat een verdachte in een voor hem begrijpelijke taal op de hoogte wordt gesteld van hetgeen hem strafrechtelijk wordt verweten (de tenlastelegging), maar dat dit niet zonder meer geldt voor andere informatie zoals de oproepingsfunctie van de dagvaarding of de informatie met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen. Hierbij gaat het om de vraag of de verdachte redelijkerwijs heeft kunnen c.q. moeten begrijpen wat de status en betekenis is van het hem uitgereikte stuk.
In dit verband acht het hof het volgende van belang.
De verdachte is op 21 juni 2013 (ik begrijp: 21 maart 2013, A-G) op heterdaad aangehouden op verdenking van - kortweg het kraken van een parkeerautomaat. Op dezelfde dag is de verdachte in verzekering gesteld. Het verhoor te dier zake vond plaats met behulp van een tolk in de Roemeense taal. Op 22 juni 2013 (ik begrijp: 22 maart 2013, A-G) is de verdachte door de politie terzake de verdenking nader verhoord. Ook dit verhoor vond plaats met behulp van een tolk in de Roemeense taal. Voorafgaand aan het verhoor heeft de verdachte overleg gevoerd met een advocaat. In het verhoor bekende de verdachte geld te hebben opgeraapt bij de automaat en met behulp van een draad twee muntjes uit de automaat te hebben gehaald, maar ontkende hij braak- dan wel verbrekingshandelingen te hebben verricht. Enkele uren na de beëindiging van het verhoor is de verdachte in vrijheid gesteld en is hem door één van de verhorende verbalisanten in persoon een in het Nederlands gestelde dagvaarding uitgereikt, voor de ontvangst waarvan hij ook heeft getekend. Ofschoon het dossier daartoe geen concreet aanknopingspunt biedt, ligt het alleszins in de rede om te veronderstellen dat de verdachte bij de uitreiking c.q. betekening de nodige uitleg zal zijn gegeven over de status en betekenis van de dagvaarding, dan wel dat hij de gelegenheid had om daarnaar navraag te doen. Ook nadien had de verdachte de mogelijkheid om zich van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of nadere informatie in te winnen. Dit klemt temeer nu de verdachte immers, in het onmiskenbare besef dat hij verdacht werd van een concreet, in tijd en plaats eenvoudig af te bakenen misdrijf, bij zijn invrijheidstelling officiële papieren meekrijgt waarvan het alleszins in de rede ligt te veronderstellen dat deze het vervolg van de justitiële interventie zullen betreffen c.q. duiden. Daar komt bij dat het voorblad van de dagvaarding onder meer behelst de (door de ruimtelijke indeling in het oog springende) tekst: Datum 19 juni 2013, Tijd 10:35 uur, Politierechter. Google Translate leert dat ‘juni’ in het Roemeens ‘iunie’ is’ en ‘politie’ is ‘politie’. Het zal de verdachte, indien hij de moeite had genomen het stuk te bekijken, dan ook zonder meer duidelijk moeten zijn geweest dat zijn arrestatie op enigerlei wijze op 19 juni 2013 een strafprocessueel vervolg zou krijgen, zodat (ook) bij hem de verantwoordelijkheid lag om zich daarvan rekenschap te geven.
In dit licht is het hof van oordeel dat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis was van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding. Het is dan ook aan verdachte zelf te wijten dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Gelet hierop is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
7. Het middel betoogt dat het hof een te beperkte uitleg geeft aan art. 6 EVRM, nu het ten onrechte heeft overwogen dat het in een voor de verdachte begrijpelijke taal ontvangen van informatie met betrekking tot de datum, de instantie en het tijdstip van de terechtzitting niet onder de reikwijdte van art. 6 EVRM valt.
8. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak was art. 260, vijfde lid, Sv1.nog niet ingevoerd en was – zoals het hof in de onderhavige zaak ten aanzien van de verdachte heeft overwogen – evenmin een rechtstreeks beroep mogelijk op de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280).2.Wel geldend recht was toen al art. 6, derde lid aanhef en onder a, EVRM en vanzelfsprekend ook de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake van het ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding en de verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het aanwenden van een rechtsmiddel. Art. 6, derde lid aanhef en onder a, EVRM luidt als volgt:
“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;”
9. Vooropgesteld dient te worden dat het enkele ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt, niet de nietigheid van die dagvaarding meebrengt. Wel behoort de rechter, indien hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.3.
10. Voorts bepaalt de wet in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.4.
11. Het hof neemt tot uitgangspunt dat in de onderhavige zaak het bepaalde in art. 408, eerste lid aanhef en onder a, Sv van toepassing is, nu de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend. Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de verdachte op 21 maart 2013 op heterdaad is aangehouden en diezelfde dag in verzekering is gesteld. De verhoren op die dag en de daaropvolgende dag vonden plaats met behulp van een tolk in de Roemeense taal, en voorafgaand aan het verhoor heeft de verdachte overleg gevoerd met een advocaat. Kort na het verhoor op 22 maart 2013 is de verdachte in vrijheid gesteld en is hem in persoon de inleidende dagvaarding uitgereikt. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat op grond van art. 408, eerste lid aanhef en onder a, Sv binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep had moeten worden ingesteld.
12. Het hof heeft geoordeeld dat het namens de verdachte op 21 maart 2019 ingestelde hoger beroep tegen het op 19 juni 2013 gewezen vonnis van de politierechter te laat is ingesteld. Het namens de verdachte gevoerde verweer dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is, heeft het hof verworpen door te overwegen dat i) ofschoon het dossier daartoe geen concreet aanknopingspunt biedt, het verondersteld mag worden dat de verdachte bij de uitreiking de nodige uitleg is gegeven over de status en betekenis van de dagvaarding, dan wel hij gelegenheid had daarnaar navraag te doen; ii) de verdachte ook nadien nog de mogelijkheid had om zich van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of daarover nadere informatie in te winnen; iii) de verdachte in het onmiskenbare besef dat hij verdacht werd van een concreet, in tijd en plaats eenvoudig af te bakenen misdrijf, bij zijn invrijheidstelling officiële papieren heeft meegekregen waarvan het alleszins in de rede ligt te veronderstellen dat deze het vervolg van de justitiële interventie zullen betreffen dan wel duiden, en iv) de verdachte het voorblad van de dagvaarding begrepen moet hebben, nu cruciale woorden vrijwel geheel overeenkomen met een vertaling in het Roemeens en bij hem de verantwoordelijkheid lag om zich rekenschap ervan te geven dat zijn arrestatie een strafprocessueel vervolg zou krijgen.
13. Op grond van deze omstandigheden is het hof tot het oordeel gekomen dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is, nu het aan de verdachte zelf te wijten is dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Dit oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dit oordeel mijns inziens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat ook het leerstuk van verontschuldigbare termijnoverschrijding in gevallen als het onderhavige vooropstelt dat de beroepstermijn na veertien dagen is verlopen, maar dat dit alleen anders is – en pas dan – wanneer bijzondere redenen of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat van deze termijn van openbare orde, en de daarop betrekking hebbende regels, wordt afgeweken. Ik meen dat in de onderhavige zaak een dergelijke rechtvaardiging ontbreekt; in dit verband moet, denk ik, de nadruk gelegd worden op wat de verdachte moet hebben geweten, en dat is wat het hof hier heeft gedaan.5.
14. Het middel faalt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑04‑2021
PbEU 2010, L 280/1. Ingevolge art. 11 van de Richtlijn is zij in werking getreden op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (datum bekendmaking: 26 oktober 2010; datum inwerkingtreding 15 november 2010). Wat de implementatietermijn betreft, die toen nog niet was verstreken, bepaalde art. 9, eerste lid, Richtlijn: “De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 oktober 2013 aan deze richtlijn te voldoen”.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken (rov. 3.20 onder d); HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1156, NJ 2006/275; HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3289, NJ 2007/68.
HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179, m.nt. Schalken; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1607, NJ 2014/411, m.nt. Schalken. Van zo een geval kan sprake zijn indien de verdachte in strijd met art. 366, vierde lid, Sv niet een schriftelijke vertaling van de mededeling als bedoeld in art. 366, eerste en derde lid, Sv in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen. Zie HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534, NJ 2020/326, m.nt. Ouwerkerk en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770 (rov. 2.5), NJ 2020/328, m.nt. Ouwerkerk
Hier doet zich een belangrijk verschil voor met art. 408, tweede lid, Sv. Daar gaat het om de vraag of de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de beroepstermijn is gaan lopen (dus nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. (Vgl. de conclusie die ik vandaag neem in de zaak met zaaksnummer 20/01822). In de onderhavige zaak staat dat wel vast, maar is de vraag of zich een bijzondere omstandigheid voordoet die maakt dat van de (beroeps)termijn van openbare orde kan worden afgeweken.