Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.5.3
11.5.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590694:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1178.
Vgl. daarover Luijten & Meijer 2005, p. 41.
Zie ook voor de verdeling van een gemeenschappelijk goed door een onafhankelijke derde: art. 3:181 lid 3 BW.
Voor derdenpand geldt een bijzondere regeling in art. 3:233 lid 2 BW.
Zie r.o. 4.2.2, HR 30 oktober 2009, NJ 2010,96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Art. 3.8.17 lid 1 Ontw.BW (thans art. 3:218 BW) bevatte eerst een tweede zin, die bepaalde dat in de kosten van gezamenlijk gevoerde gedingen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde in evenredigheid van ieders belang bijdragen. Zie O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 670; M.v.A.II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672; en M.v.A.II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770.
Vgl. r.o. 3.5, HR 28 september 1990, NJ 1991, 305 (De Ranitz q.q./Ontvanger), m.nt. PvS.
Zie o.a. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1177.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 33.
Vgl. Biemans 2008, par. 4.3.
714. Bij de uitoefening van andermans vordering bestaat de tegenprestatie uit de betaling van loon of uit gerechtigdheid tot (een deel van de) opbrengst van de vordering.
Aan de pandhouder, de vruchtgebruiker, de beslaglegger en de beheersbevoegde deelgenoot zijn in hun eigen belang bevoegdheden toegekend ten aanzien van (ten dele) andermans vordering. De pandhouder en de beslaglegger zijn gerechtigd om zich op de opbrengst van de vordering te verhalen ter voldoening van hun vordering op de pandgever respectievelijk geëxecuteerde. De vruchtgebruiker is bevoegd om de in vruchtgebruik gegeven goederen te gebruiken en is gerechtigd tot de rente van een in vruchtgebruik gegeven vordering. De beheersbevoegde deelgenoot is als mederechthebbende naar evenredigheid van zijn aandeel gerechtigd tot de vruchten en de opbrengst van de gemeenschappelijke vordering. De deelgenoot heeft een aandeel in de vordering. De vruchtgebruiker en de pandhouder hebben een beperkt recht op de vordering.
Aan de derden die bevoegd zijn ten aanzien van andermans vordering, en aan wie de bevoegdheden in andermans belang zijn toegekend, is loon verschuldigd. Zie voor de lasthebber, art. 7:405 lid 1 BW; voor de deurwaarder, art. 21 GDW en vgl. art. 479a Rv; voor de bewindvoerder, art. 1:358 lid 3 BW, art. 1:447 lid 1 en 2 BW,1 art. 3.6.1.9 en 3.6.1.10 lid 2 en 3 Ontw. BW, art. 4:159 BW, art. 3:168 lid 5 BW; voor de executeur, art. 4:144 lid 2 BW;2 voor de vereffenaar van een nalatenschap, art. 4:206 lid 3 BW; voor de curator, art. 16 lid2 Fw en art. 71 lid1 en 2 Fw; voor de zaakwaarnemer, art. 6:200 lid 2 BW; en voor de notaris, als rekeninghouder van de kwaliteitsrekening, art. 16 Wn.3 De beloning is bij bewind en executele wettelijk vastgelegd in een bepaald percentage van (de opbrengst van) het beheerde vermogen, wordt bij minderjarigenbewind, vereffening van een nalatenschap en faillissement door de rechter bepaald, kan bij lastgeving en kwaliteitsrekening door partijen worden overeengekomen en wordt bij zaakwaarneming vastgesteld overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid. De toekenning van het loon komt ten laste van (het vermogen van) de rechthebbende.
715. Aan de bevoegde derde dienen voorts de kosten te worden vergoed die hij in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden heeft gemaakt. Zie voor de (beheersbevoegde) deelgenoot, art. 3:172 BW; voor de deurwaarder, art. 477 lid2 Rv en art. 480 lid 1 Rv; voor de lasthebber, art. 7:406 lid 1 BW; voor de zaakwaarnemer, art. 6:200 lid 1 BW; voor de bewindvoerder, art. 1:358 lid 1 en 2 BW, art. 1:360 lid 3 BW, art. 1:442lid 2 en 3 BW, art. 3.6.1.5b lid 1 en 2 Ontw.BW, art. 4:174 lid 1 en 2 BW en art. 4:175 BW; voor de curator, art. 16 lid2 Fw (en vgl. art. 15 lid3 Fw en art. 182 Fw); voor de vereffenaar van een nalatenschap, art. 4:209 lid 2 BW; en voor de executeur, art. 4:147 lid 1 BW (en vgl. art. 4:150 lid 3 BW). De door de pandhouder gemaakte kosten tot behoud en onderhoud van het verpande goed dienen door de pandgever te worden vergoed; het pandrecht strekt mede tot zekerheid daarvoor (art. 3:243 lid 2 BW). Onder deze kosten vallen de kosten die zijn gemaakt in het kader van de inning van de vordering. Andere door hem ten behoeve van het pand gemaakte kosten kan hij van de pandgever slechts terugvorderen, indien hij ze met diens toestemming heeft gemaakt, onverminderd diens aansprakelijkheid uit zaakwaarneming of ongerechtvaardigde verrijking.4 De kosten voor het verschaffen van de benodigde gegevens om mededeling te kunnen doen aan de schuldenaar en om de verpande vordering te kunnen innen komen voor rekening van de pandgever. In faillissement daarentegen dient de pandhouder aan de boedel de kosten te vergoeden die de curator in redelijkheid heeft gemaakt voor het verschaffen van de bedoelde gegevens of het verlenen van inzage.5
In afwijking van de andere regelingen krijgt de vruchtgebruiker de meeste van de door hem gemaakte kosten niet vergoed. Zo komen de kosten van de boedelbeschrijving en de jaarlijkse opgave zoals bedoeld in art. 3:205 lid 1 en lid 4 BW voor zijn rekening (art. 3:205 lid 6 BW), alsmede de kosten van verzekering (art. 3:209 BW) en de kosten voor gewone lasten en herstellingen (art. 3:220 lid 1 BW).6 Het begrip 'lasten en herstellingen' ziet met name op de kosten die worden gemaakt ten behoeve van in vruchtgebruik gegeven zaken. Het is verdedigbaar dat naar analogie de vruchtgebruiker de kosten die hij maakt om de vordering te innen daar ook onder vallen.
In afwijking van het voorgaande dienen bij een gezamenlijk gevoerd geding de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde (art. 3:218 BW) of de pandhouder en de pandgever (art. 3:245 BW) tot een onderlinge regeling te komen over de verdeling van de proceskosten.7
716. Het loon en de kosten worden in de regel ingehouden van de te verdelen opbrengst. Dit geldt bijvoorbeeld voor een executieopbrengst. De executiekosten worden eerst uit de executieopbrengst voldaan; de netto-opbrengst wordt onder de schuldeisers verdeeld. Zie voor pand, art. 3:253 BW; voor derdenbeslag art. 480 lid 1 Rv; voor faillissement, art. 182 Fw8 en voor vereffening, art. 4:209 lid 2 BW. Ook bij het beheer van vorderingen kunnen het loon en de kosten worden ingehouden van de opbrengst. In de regeling van bewind is dit uitdrukkelijk bepaald (art. 1:446 lid 2, 4:165 lid 1 BW).9 Bij het meerderjarigenbewind is de hoogte van de beloning zelfs gekoppeld aan een percentage van de opbrengst van de goederen (art. 1:447 lid 1 BW). De beheersbevoegde derde kan zijn verbintenis tot afdracht van het geïnde verrekenen met zijn vordering tot betaling van loon en kosten. Blijkens de parlementaire geschiedenis kan de notaris (de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening) bijvoorbeeld verrekenen met de belanghebbende bij de kwaliteitsrekening.10 De pandhouder kan niet de door hem aan de belanghebbenden uit te keren bedragen voldoen door verrekening, tenzij het een uitkering aan de pandgever betreft en deze uitkering niet plaatsvindt gedurende diens faillissement, surseance, de toepassing ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de vereffening van zijn nalatenschap. Is ten aanzien van de pandgever de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing, dan kan niettemin een uitkering aan de pandgever door verrekening worden voldaan indien het pandrecht is gevestigd na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling en zowel de vordering als de schuld na de uitspraak zijn ontstaan (art. 3:253 lid 2 BW).
717. Bestaat tussen de stille cedent en de stille cessionaris een overeenkomst van lastgeving, dan is de stille cessionaris als lastgever gehouden tot het betalen van loon en het vergoeden van kosten aan de stille cedent (art. 7:405 BW en art. 7:406 lid 1 BW). Uit hoofde van de stille cessie is de stille cedent niet gerechtigd tot een deel van de opbrengst van de vordering, zoals de pandhouder. Uit hun onderlinge rechtsverhouding volgt welk deel van het geïnde de stille cedent kan inhouden ten behoeve van, of kan worden verrekend met zijn vordering jegens de stille cessionaris tot betaling van loon en kosten. Op grond van hun onderlinge rechtsverhouding kan op de stille cedent derhalve een verplichting tot afdracht van een deel van de opbrengst rusten, in plaats van de volledige opbrengst, bijvoorbeeld omdat hij zijn recht op de vergoeding van de door hem gemaakte beheerskosten en zijn loon daarop mag inhouden. 11