Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, 08-05-2026, nr. NL26.24254
ECLI:NL:RBDHA:2026:11012
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
08-05-2026
- Zaaknummer
NL26.24254
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:11012, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 08‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 08‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring – eerste beroep – buiten zitting – lichter middel – beroep ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24254
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw1.opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 5 mei 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 6 mei 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. Op 7 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden2.vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden3.vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het significante risico op onderduiken hiermee is gegeven.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen lichter middel kan worden toegepast. Aan eiser had de keuze moeten worden geboden om vanuit een semi-vrije setting zijn medewerking aan verwijdering te verlenen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het significante risico op onderduiken te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard niet overgedragen wenst te worden aan Frankrijk en dat hij er niet voor schroomt om zonder geldige reisdocumenten door Europa te reizen. Ook heeft verweerder betrokken dat het toepassen van een lichter middel, namelijk de meldplicht en het voeren van vertrekgesprekken, eerder niet heeft geleid tot het vertrek van eiser. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.