Rechtbank Den Haag 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15578.
HR, 17-05-2024, nr. 23/01711
ECLI:NL:HR:2024:727
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-05-2024
- Zaaknummer
23/01711
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:727, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑05‑2024; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:80
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1035
ECLI:NL:PHR:2023:1035, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:727
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑04‑2023
- Vindplaatsen
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0689
AR-Updates.nl 2024-0689
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2024/207
BPR-Updates.nl 2024-0052
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0052
NJ 2024/204 met annotatie van C.M.J. Ryngaert
NTHR 2024/52, 158
JBPr 2024/47 met annotatie van prof. mr. C.G. van der Plas
Uitspraak 17‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht; staatsimmuniteit. Geschil over beëindiging arbeidsovereenkomst werkneemster ambassade. Immuniteit van jurisdictie. Terughoudend oordeel Nederlandse rechter over vertrouwelijk karakter documenten van vreemde staat, ook bij gebreke van beroep op immuniteit van jurisdictie? Art. 11 lid 2, onder d, VN-Verdrag inzake immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen. Immuniteit van executie. Kan dwangsom aan vreemde staat worden opgelegd? Internationaal gewoonterecht. Art. 19 VN-Verdrag.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/01711
Datum 17 mei 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
DE VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN,
vertegenwoordigd door haar ambassade te Den Haag,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de VAE,
advocaten: N.T. Dempsey en R.R. Verkerk,
tegen
[de werkneemster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: W.A. Jacobs.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 9325405 RP VERZ 21-50454 van (de kantonrechter in) de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.306.135/01 van het gerechtshof Den Haag van 31 januari 2023.
De VAE heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werkneemster heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak zoals omschreven onder 3.32 van de conclusie.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werkneemster is in 2013 bij de ambassade van de VAE in Den Haag (hierna: de ambassade) in dienst getreden.
(ii) De VAE hebben in 2020 een (voorlopige) ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om de arbeidsovereenkomst met (onder anderen) de werkneemster te mogen opzeggen wegens bedrijfseconomische redenen.
(iii) De werkneemster heeft betwist dat sprake is van bedrijfseconomische redenen voor het ontslag. Bij haar reactie heeft zij als bijlage gevoegd een aantal documenten (hierna: de documenten) afkomstig van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking van de VAE (hierna: het ministerie), waaronder een personeelsorganigram.
(iv) De VAE hebben vervolgens aan het UWV laten weten dat zij een intern onderzoek zijn begonnen om na te gaan hoe de werkneemster de documenten heeft verkregen en dat zij vermoeden dat de werkneemster de documenten op illegale wijze heeft verkregen.
(v) Bij beslissing van 9 maart 2021 heeft het UWV geweigerd de VAE toestemming te geven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
(vi) Bij brief van 10 mei 2021 hebben de VAE de werkneemster op staande voet ontslagen. In deze brief wordt als reden voor het ontslag genoemd dat de werkneemster de documenten onrechtmatig heeft verkregen en deze zonder toestemming van de VAE heeft gedeeld met derden.
2.2
In deze procedure verzoekt de werkneemster, voor zover in cassatie van belang, primair het ontslag op staande voet te vernietigen en de VAE te veroordelen tot wedertewerkstelling, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en tot loondoorbetaling. De VAE hebben verweer gevoerd en daarnaast voorwaardelijk verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, op de grond dat de werkneemster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de documenten in te brengen in de procedure bij het UWV.
2.3
De kantonrechter1.heeft de primaire verzoeken van de werkneemster toegewezen en aan de veroordeling tot wedertewerkstelling een dwangsom verbonden van € 250,-- per dag dat de VAE hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 50.000,--. Het ontbindingsverzoek van de VAE is afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en, op verzoek van de werkneemster, de dwangsom verhoogd tot € 1.000,-- per dag met een maximum van € 100.000,--. Daartoe overwoog het hof onder meer als volgt.
Het betoog van de VAE dat de werkneemster de documenten onrechtmatig heeft verkregen en dat haar kan worden verweten dat zij de stukken onder zich heeft gehouden, faalt. (rov. 4.5-4.9)
Als uitgangspunt geldt dat de VAE aan ambassadepersoneel hoge eisen mag stellen als het gaat om geheimhouding en vertrouwelijkheid van stukken; dit is ook in de arbeidsovereenkomst van de werkneemster vastgelegd. Dat betekent echter niet dat het een dringende reden voor ontslag oplevert als een werknemer in een UWV-procedure interne stukken van de VAE overlegt, voor zover deze stukken rechtstreeks betrekking hebben op het onderwerp van de procedure en kunnen dienen als onderbouwing van het standpunt van de werknemer. Daarbij gaat het hof ervan uit dat zowel de advocaat van de werkneemster als het UWV vertrouwelijk omgaat met alle processtukken, dus ook met interne stukken van de VAE. De VAE hebben niet toegelicht waarom de werkneemster desondanks de documenten niet ongecensureerd had mogen overleggen. (rov. 4.12)
Het hof verwerpt de stelling van de VAE dat de documenten een bijzondere status hebben en dat dat in het bijzonder geldt voor een document van 16 februari 2020 omdat daaruit op te maken zou zijn welke diplomatieke en organisatorische keuzes zijn gemaakt. Volgens het hof is niet goed voorstelbaar dat het mogelijk is om op basis van dit document vast te stellen welke concrete functies er op een bepaalde ambassade bestaan. (rov. 4.13-4.14)
De werkneemster heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Evenmin is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als gevolg van het handelen van de werkneemster, en ook niet van een combinatie van ontslaggronden die in onderlinge samenhang bezien kan worden aangemerkt als een redelijke grond voor ontslag. (rov. 4.18-4.23)
Volgens de werkneemster leggen de VAE de beschikking van de kantonrechter naast zich neer en is de prikkel die van de dwangsom moet uitgaan, dus niet voldoende aanwezig. Naar het oordeel van het hof is er aanleiding om de dwangsom op een hoger bedrag vast te stellen. De VAE hebben weliswaar aangevoerd dat dit zinloos is omdat verbeurde dwangsommen niet kunnen worden geëxecuteerd, maar die omstandigheid is van onvoldoende gewicht. (rov. 4.26-4.27)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.5-4.22. Volgens het onderdeel heeft het hof daarin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, door inhoudelijk te beoordelen of de documenten dusdanig vertrouwelijk en gevoelig zijn dat de werkneemster (had moeten begrijpen dat zij) deze niet onder zich mocht houden en niet in de UWV-procedure mocht indienen, alsmede door inhoudelijk te beoordelen of deze handelwijze een dringende reden voor ontslag op staande voet dan wel een grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst oplevert. Het onderdeel betoogt dat het hof aldus heeft miskend dat het in een geschil als het onderhavige in beginsel aan de VAE als vreemde soevereine staat is om te beoordelen of documenten vertrouwelijk en gevoelig zijn en welke gevolgen moeten worden verbonden aan het zonder toestemming onder zich houden en delen van die documenten met derden, althans dat de VAE in dat kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De Nederlandse rechter mag beslissingen van een vreemde staat op dat punt slechts (zeer) terughoudend en marginaal toetsen. Dit heeft het hof ten onrechte niet gedaan, althans zijn oordeel is ontoereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst het onderdeel naar art. 11 lid 2, aanhef en onder d, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: VN-Verdrag).3.
3.1.2 Bij de beoordeling van deze klachten geldt als uitgangspunt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend (art. 13a Wet algemene bepalingen, hierna: Wet AB). Die uitzonderingen kunnen zijn voorzien in een verdrag of in ongeschreven internationaal publiekrecht.4.Tot zodanige uitzonderingen behoort het aan vreemde staten en internationale organisaties toekomende recht op immuniteit van jurisdictie.5.
3.1.3 Een vreemde staat of internationale organisatie die als gedaagde of verweerder in een geding voor de Nederlandse rechter verschijnt en geen afstand wenst te doen van een hem respectievelijk haar mogelijk toekomende immuniteit van jurisdictie als bedoeld in art. 13a Wet AB (in verbinding met art. 1 Rv), moet zich op deze immuniteit beroepen op de wijze die is voorgeschreven in art. 11 Rv.6.Dit beroep moet dus worden gedaan voor alle weren ten gronde.
3.1.4 In de onderhavige zaak staat vast dat de VAE zich niet voor alle weren ten gronde hebben beroepen op immuniteit van jurisdictie. Bovendien hebben de VAE een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster, zodat zij in zoverre zelf als verzoeker optreden (zie hiervoor in 2.2). Uit een en ander volgt dat de VAE afstand hebben gedaan van immuniteit van jurisdictie.
Hierop stuiten de klachten van onderdeel 1 af.
3.1.5 Het voorgaande wordt niet anders door art. 11 lid 2, aanhef en onder d, van het VN-Verdrag. Opmerking verdient in dit verband het volgende.
3.1.6 Het VN-Verdrag behelst onder meer een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de daaraan gestelde grenzen; niet alle bepalingen van het VN-Verdrag kunnen als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt.7.Het VN-Verdrag is tot op heden niet door Nederland geratificeerd8.en is nog niet in werking getreden.
3.1.7 Art. 11 VN-Verdrag luidt, voor zover relevant, in de Nederlandse vertaling als volgt:
“Artikel 11. Arbeidsovereenkomsten
1 Tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken staten, kan een staat geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van een rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn verricht of dienen te worden verricht op het grondgebied van die andere staat.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:
(…)
d. het voorwerp van het geding het ontslag of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een natuurlijke persoon betreft en, vast te stellen door het staatshoofd, de regeringsleider of minister van Buitenlandse Zaken van de staat die als werkgever optreedt, een dergelijke procedure de veiligheidsbelangen van die staat zou schaden;
(…).”
3.1.8 Art. 11 lid 2, aanhef en onder d, VN-Verdrag, gelezen in samenhang met lid 1, houdt in dat een vreemde staat die als werkgever optreedt, een beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie in een geding dat tot voorwerp heeft het ontslag of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen die staat en een natuurlijke persoon, indien die procedure de veiligheidsbelangen van de betrokken vreemde staat zou schaden.
Of de procedure de veiligheidsbelangen van deze staat schaadt, moet worden vastgesteld door het staatshoofd, de regeringsleider of minister van Buitenlandse Zaken van die staat. Deze vaststelling is evenwel niet aan rechterlijke toetsing onttrokken.9.
Ook een beroep op immuniteit van jurisdictie als bedoeld in art. 11 lid 2, aanhef en onder d, VN-Verdrag moet worden gedaan op de wijze die is voorgeschreven in art. 11 Rv (zie hiervoor in 3.1.3).
3.2.1 Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte de opgelegde veroordeling tot wedertewerkstelling van de werkneemster op straffe van een dwangsom heeft bekrachtigd en een aanvullende dwangsom heeft opgelegd. Volgens het onderdeel heeft het hof hiermee miskend dat de immuniteit van executie meebrengt dat een nationale rechter geen dwangsom mag opleggen aan een vreemde staat.
3.2.2 Het onderdeel faalt. Er bestaat geen regel van internationaal gewoonterecht die inhoudt dat aan een vreemde staat geen dwangsom mag worden opgelegd. In nationale rechtsstelsels worden op dit punt uiteenlopende opvattingen gehuldigd.10.Ook art. 19 VN-Verdrag bevat niet een dergelijke regel. Deze bepaling verbiedt het treffen van executiemaatregelen tegen eigendommen van een vreemde staat. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 19 VN-Verdrag blijkt dat het begrip ‘executiemaatregelen’ bewust niet nader is gedefinieerd, om zo de veelheid van maatregelen die staten kennen, te kunnen omvatten.11.Wel zijn in art. 19 VN-Verdrag ter illustratie enkele voorbeelden genoemd, namelijk beslag, zekerheidsstelling en executie. Uit deze voorbeelden, en uit het feit dat in de Engelse en Franse (authentieke) tekst van art. 19 VN-Verdrag gesproken wordt van respectievelijk ‘measures of constraint’ en ‘mésures de contrainte’, kan worden afgeleid dat art. 19 VN-Verdrag betrekking heeft op rechtstreekse dwangmaatregelen, maatregelen derhalve waarmee zonder medewerking van de vreemde staat nakoming van een veroordeling kan worden verkregen. Het opleggen van een dwangsom behoort daartoe niet, nu dat de veroordeelde prikkelt tot nakoming maar nakoming niet rechtstreeks bewerkstelligt.
Bij een eventuele tenuitvoerlegging van een aan een vreemde staat opgelegde en door hem verbeurde dwangsom wordt de naleving van volkenrechtelijke verplichtingen, in het bijzonder de eerbiediging van de immuniteit van executie van die vreemde staat, gewaarborgd door art. 3a Gerechtsdeurwaarderswet. Daarnaast heeft de vreemde staat de mogelijkheid om een executiegeschil aanhangig te maken op de voet van art. 438 Rv.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de VAE in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werkneemster] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de VAE deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 mei 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑05‑2024
Gerechtshof Den Haag 31 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:80.
Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, New York, 2 december 2004, Trb. 2010, 272.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1084, rov. 3.2.2.
HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054, rov. 3.6.2.
HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732, rov. 4.1.3-4.1.4.
Zie onder meer HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1084, rov. 3.2.4.
Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36027 (R2160), nr. 11.
Vgl. EHRM 25 oktober 2016, nr. 45197/13, 53000/13 en 73404/13 (Radunovic c.s./Montenegro), par. 77; Cour de cassation (chambre sociale) 27 november 2019, nr. 18-13.790, ECLI:FR:CCASS:2019:SO01629 (République du Ghana), par. 5. Zie ook Kamerstukken II 2023/24, 36027 (R2160), nr. 10, bijlage (Advies van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken over de toetreding van Nederland tot het VN-verdrag inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, p. 8-9) en Kamerstukken II 2023/24, 36027 (R2160), nr. 11, p. 4.
Vgl. enerzijds Cour de cassation (chambre civile I) 19 november 2008, nr. 07-10.570, en anderzijds Belgisch Hof van Cassatie 27 juni 2022, S.21.0003.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220627.3F.8.
International Law Commission, Commentary on Draft Articles on Jurisdictional Immunities of States and their Properties, Yearbook of the International Law Commission 1991, Volume II, Part Two, p. 56.
Conclusie 17‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Internationaal publiekrecht. Staatsimmuniteit. Geschil over beëindiging arbeidsovereenkomst; terughoudend oordeel Nederlandse rechter over vertrouwelijk karakter documenten van vreemde staat (art. 11 lid 2, onder d, VN-Verdrag Immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, Trb. 2010, 272), ook bij gebreke van beroep op immuniteit van jurisdictie? Immuniteit van executie. Kan dwangsom aan vreemde staat worden opgelegd?; begrip ‘executiemaatregelen’ in zin art. 19 VN-Verdrag Immuniteit; rechtsvergelijking; internationaal gewoonterecht.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01711
Zitting 17 november 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
De Verenigde Arabische Emiraten, vertegenwoordigd door haar Ambassade, gevestigd te Den Haag
(hierna: de Ambassade)
tegen
[werkneemster]
(hierna: werkneemster)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak heeft betrekking op staatsimmuniteit. Werkneemster is werkzaam bij de Ambassade van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE). In een procedure bij het UWV waarin de Ambassade toestemming heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen, heeft werkneemster een aantal interne documenten van de Ambassade overgelegd. De Ambassade heeft werkneemster vervolgens op staande voet ontslagen omdat zij – kort gezegd – zonder toestemming vertrouwelijke documenten zou hebben gedeeld met derden. Werkneemster heeft daarop een procedure aanhangig gemaakt bij de Nederlandse rechter, waarin de Ambassade is verschenen en zich niet heeft beroepen op immuniteit van jurisdictie. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de Ambassade veroordeeld tot loondoorbetaling en, op straffe van een dwangsom, verplicht tot wedertewerkstelling. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en een aanvullende dwangsom opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep van de Ambassade stelt twee kwesties aan de orde. In de eerste plaats rijst de vraag of de Nederlandse rechter slechts zeer terughoudend en marginaal mag toetsen de beslissing van een ambassade van een vreemde staat over de vertrouwelijkheid en gevoeligheid van informatie en de gevolgen van het delen daarvan door werkneemster. In de tweede plaats komt de vraag aan de orde of immuniteit van executie in de weg staat aan het opleggen van een dwangsom aan een vreemde staat.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.Werkneemster is op 1 oktober 2013 bij de Ambassade in dienst getreden. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van Economic Researcher.
2.2
Op 18 december 2020 heeft de Ambassade een (voorlopige) ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om de arbeidsovereenkomst met (onder anderen) werkneemster te mogen opzeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Bij brief van 19 januari 2021 aan het UWV heeft de Ambassade de inhoudelijke gronden van de ontslagaanvraag aangevuld. De Ambassade heeft aangevoerd dat de functie van werkneemster zou komen te vervallen in verband met een wereldwijde reorganisatie en een daling van het budget.
2.3
Werkneemster heeft bij brief van 10 februari 2021 aan het UWV schriftelijk gereageerd op de ontslagaanvraag van de Ambassade. Zij heeft betwist dat haar functie zou komen te vervallen. Bij haar reactie heeft zij een aantal documenten afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking van de VAE (hierna: het Ministerie) als bijlage toegevoegd (hierna: de documenten). Het ging om:
(i) een personeelsorganigram van 28 september 2020 met een begeleidende brief;
(ii) een personeelsorganigram van 9 december 2020 met een begeleidende brief; en
(iii) een brief van 16 februari 2020 van het Ministerie met als bijlage een kopie van de ‘Generalization No (9) for the year 2020 concerning organizational structures & job vacancies in all UAE representing missions’.
2.4
De Ambassade heeft vervolgens bij brief van 22 februari 2021 aan het UWV laten weten dat zij een intern onderzoek is gestart om na te gaan hoe werkneemster de documenten heeft verkregen en dat zij vermoedt dat werkneemster de documenten op illegale wijze heeft verkregen. In haar reactie van 2 maart 2021 aan het UWV heeft werkneemster laten weten dat zij de documenten op een geoorloofde wijze heeft verkregen van haar leidinggevende, op dat moment de hoogste diplomaat op de Ambassade na de ambassadeur.
2.5
Bij beslissing van 9 maart 2021 heeft het UWV geweigerd de Ambassade toestemming te geven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De relevante onderdelen van de beslissing luiden als volgt:
‘Werkgever voert aan dat hij op instructie van het ministerie van de VAE een organisatiewijziging heeft moeten doorvoeren. De organisatiewijziging heeft tot doel de organisatie efficiënter in te richten. Ter onderbouwing van de reorganisatie heeft werkgever de (relevante passages uit de) instructie hiertoe van het ministerie overgelegd, gedateerd 28 september 2020.
Echter, uit het verweer van werknemer blijkt dat bij de instructie van het ministerie van 28 september 2020 een organigram hoort. Uit dit goedgekeurde en ondertekende organigram volgt dat de reorganisatie tot gevolg heeft dat de functie van werknemer ongewijzigd zal blijven. Ook in de aangepaste instructie van het ministerie van 9 december 2020 blijkt dat de functie van werknemer zal blijven bestaan. Van enige herverdeling van werkzaamheden behorende bij deze functie, zoals door werkgever wordt aangevoerd, is dan ook niet gebleken. Overigens heeft werkgever de juistheid van de door werknemer overgelegde stukken niet weersproken.
(...)
Wij zijn dan ook van mening dat werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het laten vervallen van de functie van werknemer zal leiden tot een doelmatiger bedrijfsvoering, vooral nu geobjectiveerde informatie, die het vervallen van de functie van werknemer onderbouwt, ontbreekt aan het verzoek. Daarom weigeren wij toestemming voor het ontslag van werknemer.’
2.6
Op 29 maart 2021 is werkneemster de toegang tot het gebouw van de Ambassade ontzegd. Werkneemster is schriftelijk te kennen gegeven dat zij zonder toestemming van de Ambassade interne en vertrouwelijke stukken heeft gedeeld met derden en dat er sinds 17 februari 2021 een intern onderzoek gaande is om te achterhalen hoe zij deze stukken heeft verkregen. Werkneemster is hangende het onderzoek geschorst.
2.7
Bij brief van 1 april 2021 aan de Ambassade heeft werkneemster te kennen gegeven dat de documenten die zij bij haar reactie aan het UWV had gevoegd, niet vertrouwelijk zijn, dat haar leidinggevende haar dat ook nooit heeft gezegd en dat zij de documenten alleen heeft gedeeld met haar gemachtigde en het UWV.
2.8
Werkneemster is op 10 mei 2021 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief luidt, voor zover relevant, als volgt:
‘1- Facts and context of termination
(…) On 10 February 2021, your lawyer submitted as a part of your defence at the UWV, without permission or authorization from the Embassy, internal and confidential communication between the UAE Ministry of Foreign Affairs and International Cooperation (MoFAIC) and several embassies of the UAE, including the Embassy in The Hague.
The foregoing facts constitute and prove that you committed several grave breaches, 1) you seized confidential documents and correspondence, 2) you kept them illegally, and subsequently 3) you breached the confidentiality of these documents by sharing them and submitting them “as is” to third parties without prior permission to do so.
In particular, with regards to the breach of confidentiality, you submitted to the UWV the following documents:
- Internal decision (Generalisation) containing internal instructions and names of diplomats and their transfer numbers including the whole organizational structure of the UAE embassies overseas including the names of some diplomats and their positions;
- Original correspondence containing confidential and internal communication between the Embassy and the MoFAIC that the Embassy submitted to the UWV after redaction/blacking out;
- A WhatsApp conversation with your direct supervisor, a diplomat at the Embassy, without her prior consent.
The Embassy became aware of these facts and their entailed breaches on 17 February 2021, after the letter submitted by you to the UWV was translated from the Dutch language to Arabic.
(...)
In particular, the Embassy points out that these allegations do not only ignore and misread your employment contract, but emphasize that despite your many years of experience with the diplomatic environment, your actions and subsequent reactions show a fundamental lack of comprehension of the special position of the Embassy as the formal representation of a sovereign state.
2- Outcome of the investigation and decision
Based on the above stated context and facts, the outcome of the internal and comprehensive investigation, and Article 16.1 e) read in conjunction with Article 17.2 of your employment contract, which states that any violation of confidentiality is considered a serious cause for immediate dismissal; the Embassy had to conclude that it has reasonable causes to terminate your employment contract. The Embassy hereby formally and explicitly informs you of its decision to terminate your employment contract with immediate effect (‘ontslag op staande voet’).
(…)’
2.9
Op 5 juli 2021 heeft werkneemster de kantonrechter in de rechtbank Den Haag verzocht om – kort gezegd – het ontslag op staande voet te vernietigen en de Ambassade te veroordelen tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom en loondoorbetaling. Subsidiair heeft zij verzocht om de Ambassade te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De Ambassade heeft verweer gevoerd en, voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzocht om de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden zonder toekenning van een transitievergoeding.
2.10
Bij beschikking van 27 oktober 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden in de zin van art. 7:678 lid 1 BW die een ontslag op staande voet rechtvaardigt, omdat niet is komen vast te staan dat werkneemster de documenten op onrechtmatige wijze heeft verkregen en het haar was toegestaan om de documenten onder zich te houden en in te brengen in de UWV-procedure. De kantonrechter heeft het primaire verzoek van werkneemster tot vernietiging van het ontslag op staande voet daarom toegewezen, evenals het verzoek tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom en tot loondoorbetaling. Het tegenverzoek van de Ambassade is afgewezen, omdat geen sprake is van een redelijke grond voor ontslag in de zin van art. 7:669 lid 3 BW.
2.11
De Ambassade heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Werkneemster heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.12
Bij beschikking van 31 januari 2023 heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek van werkneemster om de Ambassade te veroordelen tot een aanvullende dwangsom indien de Ambassade niet voldoet aan haar verplichting om werkneemster toe te laten tot haar werkzaamheden, toegewezen. In aanvulling op de reeds door de kantonrechter toegewezen en verbeurde dwangsommen (van in totaal € 50.000), heeft het hof een dwangsom toegewezen van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000.
2.13
In het principaal hoger beroep heeft het hof overwogen dat niet is komen vast te staan dat werkneemster de documenten niet rechtstreeks van haar leidinggevende heeft verkregen en dat de Ambassade niet heeft onderbouwd waarom werkneemster een verwijt kan worden gemaakt dat zij de documenten vervolgens onder zich heeft gehouden (rov. 4.5 t/m 4.9). Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de Ambassade niet aannemelijk heeft gemaakt dat het overleggen van de documenten in de UWV-procedure een dringende reden voor ontslag oplevert (rov. 4.10 t/m 4.15). Verder is geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van werkneemster (rov. 4.18), noch van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (rov. 4.19 t/m 4.22), zodat geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat.
2.14
In het incidenteel hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat er aanleiding bestaat om de dwangsom op de verplichting tot wedertewerkstelling op een hoger bedrag vast te stellen. De omstandigheid dat dit volgens de Ambassade zinloos is omdat verbeurde dwangsommen niet kunnen worden geëxecuteerd, heeft het hof van onvoldoende gewicht geacht (rov. 4.26 t/m 4.28).
2.15
De Ambassade heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. Werkneemster heeft verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bestaat, na een inleiding, uit twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 4.5 t/m 4.22 van de bestreden beschikking en valt uiteen in drie subonderdelen (onder 1.1) en een toelichting (onder 1.2).
3.2
Onderdeel 1.1.1 klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast, omdat het hof inhoudelijk heeft beoordeeld of de documenten dusdanig vertrouwelijk en gevoelig zijn dat werkneemster (had moeten begrijpen dat zij) deze niet onder zich mocht houden en niet in de UWV-procedure mocht indienen en of het handelen van werkneemster – dat volgens de Ambassade in strijd was met diplomatieke gedragscodes en de verplichtingen van de arbeidsovereenkomst met werkneemster – een (voldoende) dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, dan wel een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Onderdeel 1.1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat in een geschil tussen een ambassade van een vreemde staat en een van haar medewerkers de beoordeling en kwalificatie van documenten en informatie als vertrouwelijk en gevoelig, alsmede de beoordeling welke gevolgen het zonder toestemming onder zich houden en met derden delen daarvan voor het voortbestaan van diens arbeidsovereenkomst heeft, in beginsel aan de ambassade toekomt en de Nederlandse rechter het oordeel van de ambassade slechts (zeer) terughoudend en marginaal mag toetsen. Onderdeel 1.1.3 klaagt dat, voor zover het hof de juiste maatstaf heeft toegepast, zijn oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat daaruit de toe te passen (ruime mate van) terughoudendheid en marginale toetsing niet blijkt. In de toelichting verwijst het middel naar de immuniteit van jurisdictie die aan een vreemde staat toekomt in een geschil met een werknemer waarbij veiligheidsbelangen een rol spelen.
3.3
Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Ik stel daarbij het volgende voorop. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de uitvoerbaarheid van rechterlijke vonnissen worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend (art. 13a Wet AB). Die uitzonderingen kunnen zijn voorzien in een verdrag of in het ongeschreven internationaal publiekrecht.2.
3.4
Voor de onderhavige zaak is art. 11 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen3.(hierna: VN-Verdrag) relevant.4.In de authentieke Engelse tekst luidt art. 11, voor zover van belang, als volgt:
‘1 Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates to a contract of employment between the State and an individual for work performed or to be performed, in whole or in part, in the territory of that other State.
2 Paragraph 1 does not apply if:
(…);
d) the subject-matter of the proceeding is the dismissal or termination of employment of an individual and, as determined by the head of State, the head of Government or the Minister for Foreign Affairs of the employer State, such a proceeding would interfere with the security interests of that State;
(…).’
En in de Nederlandse vertaling:
‘1 Tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken staten, kan een staat geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van een rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn verricht of dienen te worden verricht op het grondgebied van die andere staat.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:
(…);
d) het voorwerp van het geding het ontslag of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een natuurlijke persoon betreft en, vast te stellen door het staatshoofd, de regeringsleider of minister van Buitenlandse Zaken van de staat die als werkgever optreedt, een dergelijke procedure de veiligheidsbelangen van die staat zou schaden;
(…).’
3.5
Het VN-Verdrag behelst een codificatie van het internationaal gewoonterecht met betrekking tot staatsimmuniteit en de daaraan gestelde grenzen. Niet alle bepalingen van het VN-Verdrag kunnen als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt.5.Zo kan ernstig worden betwijfeld of art. 11 lid 2, onder d, VN-Verdrag het internationaal gewoonterecht weerspiegelt.6.
3.6
Op grond van art. 11 lid 2, onder d, VN-Verdrag is de beoordeling van de vraag of een procedure die het ontslag of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst betreft, de veiligheidsbelangen van de betrokken staat zou schaden, voorbehouden aan die staat.7.De Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) heeft in haar advies van 2006 geconstateerd dat de bepaling op dit punt afwijkt van de Nederlandse rechtspraktijk en opgemerkt dat naar haar oordeel de mogelijkheid zou moeten blijven bestaan om een verklaring die op grond van veiligheidsbelangen immuniteit met zich brengt, marginaal op de inhoud te toetsen en dat met het oog op compensatie de proportionaliteit tussen doel en middel moet kunnen worden getoetst.8.Ook uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat een dergelijke verklaring niet (volledig) is uitgesloten van rechterlijke toetsing.9.
3.7
Het VN-Verdrag is nog niet in werking getreden en nog niet door Nederland geratificeerd. Bij de Tweede Kamer is inmiddels aanhangig het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag.10.In dat verband heeft de regering het standpunt ingenomen dat de inhoud van een verklaring waarin een beroep wordt gedaan op immuniteit vanwege veiligheidsbelangen, niet (marginaal) door de rechter mag worden getoetst en dat uit de zogenoemde Herfstarresten van de Hoge Raad11.volgt dat het niet aan de vreemde staat is om verdere uitleg te geven over die verklaring.12.Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het prerogatief van de vreemde staat om zijn belangen veilig te stellen, worden doorbroken, aldus de regering.13.Naar aanleiding van een voorgesteld amendement heeft de minister van Buitenlandse Zaken aan de CAVV advies gevraagd over onder meer het maken van een voorbehoud bij art. 11 lid 2, onder c en d, VN-Verdrag in relatie tot andere internationaalrechtelijke verplichtingen van Nederland.14.
3.8
Uit het voorgaande volgt dat de regels van immuniteit van jurisdictie, voor zover in het volkenrecht erkend, zouden kunnen meebrengen dat de Nederlandse rechter niet, althans slechts marginaal, de veiligheidsbelangen mag toetsen die een vreemde staat heeft ingeroepen in een geschil over het ontslag van een natuurlijk persoon.
3.9
Voor toepassing van de regels van immuniteit van jurisdictie is echter vereist dat een vreemde staat die als gedaagde of verweerder in een geding voor de Nederlandse rechter verschijnt en geen afstand wenst te doen van immuniteit van jurisdictie, zich daarop heeft beroepen op de wijze die is voorgeschreven in art. 11 Rv.15.Alleen in gevallen waarin een vreemde staat niet in rechte is verschenen, zal de rechter ambtshalve moeten onderzoeken of aan die staat immuniteit van jurisdictie toekomt.16.Komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, dan zal hij het geschil moeten berechten, ook als gedaagde of verweerder een vreemde staat is.17.
3.10
In deze zaak staat in cassatie vast dat de Ambassade, in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de VAE, is verschenen en dat zij zich niet vóór alle weren ten gronde heeft beroepen op immuniteit van jurisdictie.18.In cassatie heeft de Ambassade bevestigd dat zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het onderhavige geschil niet heeft betwist.19.Bovendien heeft de Ambassade een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan, zodat zij in de onderhavige zaak in zoverre als verzoeker optreedt. Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat de Ambassade (impliciet) afstand heeft gedaan van immuniteit van jurisdictie. Het middel lijkt te betogen dat de Nederlandse rechter in een geschil tussen een vreemde staat en een werknemer elk beroep op vertrouwelijkheid en gevoeligheid van bepaalde informatie slechts marginaal mag toetsen, ongeacht of de vreemde staat een beroep toekomt op immuniteit van jurisdictie. Een dergelijke opvatting vindt echter geen steun in de literatuur en de rechtspraak. De bronnen die het middel aanhaalt ter onderbouwing van die opvatting, zien uitsluitend op de situatie dat immuniteit van jurisdictie van toepassing is. De klachten van onderdeel 1 falen dan ook.
3.11
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.27 en 4.28 van de bestreden beschikking en de beslissing van het hof om een (aanvullende) dwangsom te verbinden aan de verplichting tot wedertewerkstelling. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen (onder 2.1) en een toelichting (onder 2.2).
3.12
Onderdeel 2.1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat de immuniteit van executie meebrengt dat een nationale rechter geen dwangsom mag opleggen aan een vreemde staat. Onderdeel 2.1.2 betoogt dat het hof – zo nodig op de voet van art. 25 Rv – de door de kantonrechter opgelegde veroordeling op straffe van een dwangsom had moeten vernietigen en geen aanvullende dwangsom had mogen opleggen.
3.13
Bij de behandeling van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. Het is vaste rechtspraak in Nederland dat vreemde staten volgens de geldende regels van ongeschreven internationaal publiekrecht immuniteit van executie genieten, maar niet in absolute zin.20.De Hoge Raad heeft in de reeds aangehaalde Herfstarresten aansluiting gezocht bij art. 19 VN-Verdrag, dat naar zijn oordeel (grotendeels)21.kan worden aangemerkt als een vastlegging van internationaal gewoonterecht. Art. 19 VN-Verdrag luidt in de Engelse authentieke tekst, voor zover thans van belang, als volgt:
‘No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:
a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated: (…) or
b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding; or
c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.’
En in de Nederlandse vertaling:
‘Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:
a) de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld: (…) of
b) de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding; of
c) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.’
3.14
In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, rijst de vraag of het begrip ‘dwangsom’, zoals deze in het Nederlandse recht (art. 611a Rv e.v.) is ingevoerd op basis van de Benelux-Overeenkomst houdende Eenvormige Wet betreffende de dwangsom22., valt onder het begrip ‘executiemaatregelen’ in de zin van art. 19 VN-Verdrag.
3.15
Het begrip ‘executiemaatregelen’ in de zin van art. 19 VN-Verdrag moet ruim worden opgevat. In de toelichting op het ontwerp van het VN-Verdrag, opgesteld door de International Law Commission, wordt over het begrip ‘executiemaatregelen’ (in het ontwerp opgenomen in art. 18, thans art. 19 VN-Verdrag) het volgende opgemerkt:
‘(4) The measures of constraint mentioned in this article are not confined to execution but cover also attachment and arrest, as well as other forms of saisie, saisie-arrêt and saisie-exécution, including enforcement of arbitral award, sequestration and interim, interlocutory and all other prejudgement conservatory measures, intended sometimes merely to freeze assets in the hands of the defendant. The measures of constraint indicated in paragraph 1 are illustrative and non-exhaustive.’23.
3.16
In een gezaghebbend commentaar op het VN-Verdrag wordt het begrip ‘executiemaatregelen’ als volgt omschreven:
‘The expression ‘post-judgment measures of constraint’ used in Article 19 is a generic term intended to embrace all measures of a judicial and related executive character capable of being taken against or in relation to property in connection with, and subsequent to the handing down of judgment in, court proceedings, with a view to executing that judgment. The illustrative examples in Article 19 itself, namely attachment, arrest, and execution, give a useful and obviously non-exhaustive indication of the sorts of measures to which the provision relates.(…).’24.
Ook wordt opgemerkt dat onder dit begrip vallen ‘all measures of judicial constraint under domestic law’.25.Het ruime toepassingsbereik van art. 19 VN-Verdrag valt terug te voeren op de statenpraktijk ‘which expressly or by necessary implication prohibits (subject to exceptions) the giving of relief against a State by way of injunction or order’.26.
3.17
In haar advies van 8 juli 1992 over het ontwerp van het VN-Verdrag, opgesteld door de International Law Commission, heeft de CAVV ten aanzien van (het destijds genummerde) art. 18 VN-Verdrag opgemerkt:
’12. Artikel 18 betreffende “measures of constraint” beperkt zich tot maatregelen voor zover ze zijn gericht tegen de eigendommen van een staat. De Commissie vraagt zich af of dit met zich meebrengt dat een staat zich op immuniteit mag beroepen indien bijvoorbeeld bij kort geding een dwangsom dreigt te worden opgelegd. Dit zou naar het oordeel van de Commissie een ongewenste uitbreiding betekenen van het aantal situaties waarin staatsimmuniteit zou kunnen worden gehanteerd.’27.
3.18
Naar Nederlands recht is een dwangsom een bijkomende voorwaardelijke veroordeling van de schuldenaar om aan de schuldeiser een geldsom te betalen voor het geval dat de schuldenaar niet aan de hoofdveroordeling voldoet.28.De dwangsom wordt doorgaans omschreven als een indirect executiemiddel, dat tot doel heeft de schuldenaar tot nakoming van de hoofdveroordeling te bewegen.29.Als zodanig is een dwangsomveroordeling niet (direct) gericht op de tenuitvoerlegging van een beslissing. Zo beschouwd is een dwangsomveroordeling vergelijkbaar met een exequatur (voor een buitenlands vonnis of een arbitraal vonnis). Algemeen wordt aangenomen dat een exequatur niet onder de werking van art. 19 VN-Verdrag valt. Hoewel het doel van een exequatur is om de tenuitvoerlegging van een beslissing mogelijk te maken, is het op zichzelf bezien geen executiemaatregel.30.Daartegenover staat dat een dwangsom, indien eenmaal verbeurd na betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld (art. 611a lid 3 Rv), zonder nadere rechterlijke tussenkomst31.en onafhankelijk van de hoofdveroordeling ten uitvoer kan worden gelegd en vervolgens ten volle toekomt aan de schuldeiser (art. 611c Rv).
3.19
De vraag of een dwangsom aan een vreemde staat kan worden opgelegd is nog niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. Rechtspraak van feitenrechters is schaars. Wel komt het met enige regelmaat voor dat een werknemer een dwangsom vordert in een arbeidsrechtelijk geschil met een vreemde staat. In de praktijk komt het meestal niet tot het opleggen van een dwangsom, omdat de rechter in het concrete geval het beroep van de vreemde staat op immuniteit van jurisdictie honoreert en dus aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt.32.In het geval dat de vreemde staat géén beroep op immuniteit van jurisdictie heeft gedaan of dat beroep door de rechter is afgewezen, zou betoogd kunnen worden dat het opleggen van een dwangsom aan de vreemde staat in beginsel mogelijk moet zijn. Legt de rechter een dwangsom op, dan kan de vreemde staat zich in de fase van de tenuitvoerlegging van de dwangsom beroepen op immuniteit van executie. De executant van de dwangsom zal moeten aantonen dat de goederen van de vreemde staat waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. De deurwaarder heeft op grond van art. 3a Gerechtsdeurwaarderswet de verplichting om de minister voor Rechtsbescherming in kennis te stellen van een opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van Nederland. De minister kan de deurwaarder (ambtshalve) aanzeggen dat een aan de deurwaarder opgedragen of reeds verrichte ambtshandeling in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van Nederland met als gevolg dat de deurwaarder niet bevoegd is tot het verrichten van de ambtshandeling.
3.20
Uit de schaarse Nederlandse rechtspraak vermeld ik een uitspraak van het hof Den Haag waarin in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil bij een internationale organisatie (de Europese Octrooi Organisatie) is geoordeeld dat het opleggen van een dwangsom zich niet verdraagt met het doel dat met immuniteit van executie wordt nagestreefd. Het hof heeft het volgende overwogen:
‘25. Voor zover gericht tegen de EPO opgelegde dwangsom slaagt de grief. Het hof stelt daarbij voorop dat, hoewel in artikel 3 Protocol zowel de EOO (en EPO als haar orgaan) toekomende immuniteit van rechtsmacht als die van executie is vastgelegd, de immuniteit van executie in beginsel los staat van de immuniteit van jurisdictie. De EPO toekomende immuniteit van executie strekt ertoe te waarborgen dat haar eigendommen en activa (zaken en vermogensrechten) beschikbaar blijven voor het doel waarvoor zij worden gehouden, te weten het verrichten van haar officiële werkzaamheden. Blijkens het derde lid van artikel 3 Protocol zijn deze eigendommen en activa daarom ook vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang. Aangezien een dwangsom, eenmaal verbeurd, zonder verdere rechterlijke toetsing kan leiden tot (de dreiging van) op deze goederen en activa te nemen verhaal (de dwangsom kan reeds ten uitvoer worden gelegd krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld), verdraagt het opleggen van een dwangsom, naar voorlopig oordeel van het hof, zich niet met het doel dat met de aan EPO toegekende immuniteit van executie wordt nagestreefd.’33.
3.21
In de Belgische rechtspraak is de vraag of een dwangsom onder de executiemaatregelen van art. 19 VN-Verdrag valt, recentelijk aan de orde gekomen in een arrest van 27 juni 2022 van het Hof van Cassatie.34.Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat een dwangsom (astreinte) die het Arbeidshof Brussel had opgelegd aan het Koninkrijk Eswatini in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werkneemster die was aangenomen als receptioniste/typiste op de ambassade van Eswatini in België, kwalificeert als een executiemaatregel in de zin van art. 19 VN-Verdrag:
‘La règle de droit coutumier international de l’immunité des États, exprimée à l’article 19 in limine de la convention des Nations unies sur les immunités juridictionnelles des États et de leurs biens, faite à New York le 2 décembre 2004, interdit les mesures de contrainte visant à forcer un État à exécuter une décision judiciaire rendue par une jurisdiction d’un autre État. En assortissant d’astreintes les condamnations prononcées contre le demandeur, l’arrêt attaqué viole cette règle coutumière.’35.
3.22
Het is interessant nog een verdere blik over de grens te richten en aandacht te besteden aan de astreinte naar Frans recht, die enige gelijkenis vertoont met de regeling van de dwangsom zoals deze in Nederland bestaat.36.In Frankrijk is de vraag of een astreinte kan worden opgelegd aan een vreemde staat, minder duidelijk beantwoord in de rechtspraak. De kwestie is zijdelings aan de orde gekomen in een arrest van de Cour de cassation van 19 november 2008.37.Uit dit arrest zou wellicht kunnen volgen dat de Cour de cassation het opleggen van een astreinte aan een vreemde staat mogelijk acht in het geval dat sprake is van een geschil over handelingen die de staat in het rechtsverkeer heeft verricht op voet van gelijkheid met particulieren (acta iure gestionis). Het ging in deze zaak om schade aan een scheidsmuur tussen twee percelen, waarvan het ene perceel in eigendom toebehoorde aan de Bondsrepubliek Duitsland en het andere aan een particuliere eigenaar (hierna: X). Wanneer X de Bondsrepubliek Duitsland aanspreekt tot het repareren van de muur op straffe van een astreinte, oordeelt de Cour d’appel in een eerste uitspraak dat de Bondsrepubliek Duitsland de muur moet repareren, maar dat geen astreinte kan worden opgelegd. Vervolgens vraagt X in een nieuwe procedure schadevergoeding op straffe van verbeurte van een astreinte (en een hypothecaire inschrijving, die ik hier verder buiten beschouwing laat). De Cour d’appel oordeelt dat de Bondsrepubliek Duitsland immuniteit van jurisdictie geniet en niet tot schadevergoeding kan worden veroordeeld, maar wel tot reparatie van de muur, zij het niet op verbeurte van een astreinte. De Cour de cassation vernietigt de bestreden uitspraak en overweegt over immuniteit van executie het volgende:
‘Attendu que les Etats étrangers bénéficient, par principe, de l’immunité d’exécution; qu’il en est autrement lorsque le bien concerné se rattache, non à l’exercice d’une activité de souveraineté, mais à une opération économique, commerciale ou civile relevant du droit privé qui donne lieu à la demande en justice;
Attendu que, pour dire irrecevables les demandes d'astreinte et d'inscription d'hypothèque, l'arrêt retient d'une part, par motifs adoptés, que Mme X... ne dénie pas à l'Etat allemand le bénéfice de l'immunité d'exécution et que, l'exécution en nature ou en argent, par l'Etat étranger, des obligations mises à sa charge ne pouvant être que volontaire, l'obtention d'un titre exécutoire ne peut être de nature à contraindre cet Etat à satisfaire à l'obligation lui incombant et, d'autre part, par motifs propres, que la République fédérale d'Allemagne bénéficie de l'immunité d'exécution pour l'entretien de cette propriété relevant de la puissance et de la gestion d'un service public étranger, en dehors de toute gestion privée et commerciale;
Qu'en se déterminant ainsi par des motifs inopérants, alors que l'acquisition par l'Etat allemand de biens immobiliers en France, eussent-ils été affectés au logement d'un officier supérieur, ne constituait pas une prérogative ou un acte de souveraineté mais une simple opération habituelle de gestion relevant du droit privé, et qu'il en était de même de leur entretien, la cour d'appel a méconnu les principes susvisés;
(…).’
3.23
Anders dan uit dit arrest van de Cour de cassation volgt, valt uit de rechtspraak van de Cour d’appel van Parijs veeleer af te leiden dat aan een vreemde staat géén astreinte kan worden opgelegd. Ik vermeld een arrest van 1 juli 2008 van de Cour d’appel van Parijs (gewezen vóór het hierboven genoemde arrest van de Cour de cassation).38.In die zaak ging het om een arbeidsrechtelijk geschil tussen de ambassade van Qatar in Frankrijk en een werkneemster, die als secretaresse in dienst was genomen en naderhand werd ontslagen. In hoger beroep heeft de werkneemster bij de Cour d’appel teruggave van bepaalde documenten gevorderd die betrekking hebben op haar arbeidsovereenkomst op straffe van verbeurte van een astreinte. Qatar heeft een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie, dat door de Cour d’appel is afgewezen omdat – kort gezegd – de werkneemster niet was belast met de uitoefening van publieke taken van de staat Qatar. Wel heeft de Cour d’appel overwogen dat aan Qatar geen dwangsom kan worden opgelegd, overigens zonder daarbij art. 19 VN-Verdrag te betrekken:
‘Sur l’immunité des États étrangers
Il convient de distinguer l’immunité de juridiction en l’immunité d’exécution dont bénéficient les états étrangers.
(…)
Il convient par contre d’accueillir la fin de non recevoir soulevé du chef des demandes qui s’analysent comme des mesures d’exécution à savoir les astreintes sollicitées tant pour la délivrance de documents sociaux conformes que pour la mesure de reintegration qui seront déclarées irrecevables.’
3.24
In een uitspraak van 26 februari 2009 van de Cour d’appel van Parijs werd in een soortgelijke zaak het opleggen van een astreinte afgewezen in een arbeidsgeschil tussen de ambassade van de Republiek Djibouti in Frankrijk en een werknemer die als chauffeur in dienst was genomen.39.De Cour d’appel gelastte de staat Djibouti de gevorderde documenten aan de werknemer terug te geven zonder een astreinte op te leggen. De Cour d’appel heeft op het punt van de astreinte overwogen:
‘L’immunité d’exécution de l’État étranger est cependant plus large, qui s’oppose à toute mesure coercitive sur ses biens corporels ou incorporels sis sur le territoire national.
Il convient ainsi d’accueillir la fin de non recevoir soulevée du chef de la demande d’astreinte sollicitée pour la délivrance de documents sociaux conformes.’
3.25
In een beslissing van 13 oktober 2022 van de Cour d’appel van Parijs is onder meer de vraag aan de orde gekomen of een aan de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) en zijn ambassadeur opgelegde astreinte ten uitvoer kon worden gelegd, nu in dit concrete geval geen sprake was van immuniteit van executie.40.De VS beriepen zich erop dat het internationaal gewoonterecht niet toestaat dat aan een vreemde staat een astreinte wordt opgelegd. De Cour d’appel overwoog dat de rechter die over de tenuitvoerlegging van de astreinte moet oordelen, de beslissing van de rechter die de astreinte heeft opgelegd niet mag wijzigen en zich dus niet mag uitlaten over de vraag of er sprake is van strijd met het internationaal gewoonterecht. Ik citeer de Cour d’appel:
‘Cependant, (…), selon l’article R. 121-1 du code des procédures civiles d’exécution, le juge d’exécution ne peut pas modifier le dispositive de la décision de justice qui sert de fondement aux poursuites, de sort qu’il ne lui appartenait pas d’examiner la conformité au droit international coutumier du jugement du 5 october 2019, condamnant les Etats-Unis au paiement de sommes sous astreinte, ni de celui du 22 mai 2012, liquidant cette astreinte. Par ailleurs, conformément à l’article L. 132-2 du code des procédures civiles d’exécution, cette mesure, qui est indépendante des dommages et intérêts, est uniquement destinée à contraindre le débiteur à s’exécuter. Elle ne constitue pas une peine, n’ayant aucune vocation à sanctionner une faute ni à indemniser le créancier d’un prejudice.’
3.26
Op grond van de hierboven aangehaalde rechtspraak meen ik dat de conclusie gerechtvaardigd is dat naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht sprake is van een zekere opinio iuris dat aan een vreemde staat geen dwangsom kan worden opgelegd.41.
3.27
Het arrest van het Belgische Hof van Cassatie is van grote betekenis, omdat België evenals Nederland gebonden is aan de Eenvormige Beneluxwet inzake de dwangsom. Voor de volledigheid wijs ik erop dat noch in de tekst van de Benelux-Overeenkomst noch in de Gemeenschappelijke Memorie van Toelichting aandacht is besteed aan de vraag of een dwangsom aan een vreemde staat kan worden opgelegd.42.Bij deze kwestie gaat het dus niet om uitleg van de bepalingen van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom waarvoor verwijzing naar het Benelux-Gerechtshof zou moeten volgen, maar om de toepassing van het (ongeschreven) internationaal gewoonterecht. Het Belgische Hof van Cassatie heeft dan ook aan het eenvormige recht inzake de dwangsom geen aandacht besteed.
3.28
Zoals is ik hierboven heb opgemerkt, is de astreinte naar Frans recht enigszins vergelijkbaar met de dwangsom zoals wij die kennen. Uit het besproken arrest van de Cour de cassation van 19 november 2008 zou kunnen worden afgeleid dat een astreinte wél aan een vreemde staat kan worden opgelegd43., maar uit rechtspraak van de Cour d’appel van Parijs volgt dat dit juist niet het geval is.
3.29
Aan het Zwangsgeld of Ordnungsgeld, zoals dit in het Duitse recht en het Oostenrijkse recht als dwangmiddel bestaat, heb ik in het kader van de in deze conclusie opgenomen rechtsvergelijkende exercitie geen aandacht besteed, nu deze dwangmiddelen slechts zeer ten dele met de dwangsom vergelijkbaar zijn, omdat dan sprake is van een boete die toekomt aan de staat.44.
3.30
Gelet op het voorgaande meen ik dat onderdeel 2.1.1 terecht is voorgesteld.
3.31
In het voetspoor van onderdeel 2.1.1 slaagt ook onderdeel 2.1.2. In eerste aanleg heeft de Ambassade verweer gevoerd tegen het verzoek van werkneemster tot oplegging van een dwangsom45.en in het principaal hoger beroep heeft de Ambassade onder meer gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter om een dwangsom te verbinden aan de verplichting tot wedertewerkstelling (rov. 5.9).46.In het incidenteel hoger beroep heeft werkneemster onder meer gegriefd tegen de hoogte van de dwangsomveroordeling.47.De dwangsomveroordeling als zodanig maakte dan ook onderdeel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep, zodat het hof op grond van art. 25 Rv de door de kantonrechter uitgesproken dwangsomveroordeling had moeten vernietigen en geen aanvullende dwangsom had mogen opleggen.
3.32
De slotsom is dat onderdeel 2 slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het hof daarin (i) de door de kantonrechter uitgesproken dwangsomveroordeling heeft bekrachtigd, en (ii) een aanvullende dwangsomveroordeling heeft uitgesproken.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak zoals omschreven onder 3.32 van deze conclusie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑11‑2023
Zie rov. 3.1 t/m 3.2 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 31 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:80, onder verwijzing naar rov. 2.1 t/m 2.14 van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15578.
Zie HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1084, NJ 2022/292, m.nt. C.M.J. Ryngaert, rov. 3.2.2.
Gesloten te New York op 2 december 2004, Trb. 2010, 272 (Engelse en Franse authentieke teksten; Nederlandse vertaling).
De Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten van 16 mei 1972 (Trb. 1973, 43), speelt in deze zaak geen rol. Nederland is daarbij sedert 22 mei 1985 partij, maar de VAE niet.
Zie onder meer HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.2; HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190, m.nt. Th.M. de Boer onder NJ 2017/192, rov. 3.4.4; HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054, NJ 2019/137, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.4.4; HR 15 juli 2022, reeds aangehaald, rov. 3.2.4.
Zie nr. 2.20 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:215) vóór HR 15 juli 2022, reeds aangehaald, en nr. 6-7 van de NJ-noot van C.M.J. Ryngaert onder dat arrest. Zie ook J. Foakes & R. O’Keefe, ‘Article 11’, in: R. O’Keefe, C.J. Tams & A. Tzanakopoulos (red.), The United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property: A Commentary, 2013, p. 185. Overigens lijkt het EHRM in zijn arrest van 5 februari 2019 ervan uit te gaan – zonder dat nader toe te lichten – dat art. 11 lid 2, onder d, VN-Verdrag in beginsel voortvloeit uit het internationaal gewoonterecht, zaak nr. 16874/12 (Ndayegamiye-Mporamazina/Zwitserland), EHRC 2019/110, m.nt. R. van Alebeek. In rov. 53, laatste volzin, heeft het EHRM overwogen: ‘Jusqu’à présent, dans sa jurisprudence relative à l’article 11 de la [VN-Verdrag, A-G] (…), la Cour n’a eu l’occasion d’analyser que ces exceptions qui émanent, en principe, du droit international coutumier.’
Zie J. Foakes & R. O’Keefe, ‘Article 11’, in: O’Keefe, Tams & Tzanakopoulos (red.), a.w., p. 204-205.
Zie Advies van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken nr. 17 van 19 mei 2006, Kamerstukken II, 2005-2006, 30300-V, nr. 148, onder 75 (ook te raadplegen via www.adviescommissievolkenrecht.nl).
Vgl. EHRM 23 maart 2010, nr. 15869/02 (Cudak/Litouwen), EHRC 2010/62, m.nt. R. van Alebeek, rov. 72; EHRM 29 juni 2011, nr. 34869/05 (Sabeh el Leil/Frankrijk), EHRC 2011/127, m.nt. M. Scheltema, rov. 61; EHRM 25 oktober 2016, nrs. 45197/13, 53000/13 en 73404/13 (Radunović e.a./Montenegro), rov. 77. Zie over deze jurisprudentie ook: H. Fox & P. Webb, The Law of State Immunity, 2015, p. 457-458; R. Garnett, ‘State and Diplomatic Immunity and Employment Rights: European Law to the Rescue’, 64 ICLQ 2015, p. 805-807.
Zie Kamerstukken II 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 2.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, NJ 2017/191, m.nt. Th.M. de Boer onder NJ 2017/192; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371, NJ 2017/192, m.nt. Th.M. de Boer.
Zie Kamerstukken II, 2022-2023, 36027 (R2160), nr. 6 (Nota n.a.v. verslag), p. 3.
Zie Kamerstukken II, 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 3 (MvT), p. 11; Kamerstukken II, 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 4 (Advies RvS, Nader rapport), p. 3.
Zie de brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de CAVV, 29 juni 2023, te raadplegen via: www.adviescommissievolkenrecht.nl/publicaties/adviesaanvragen/2023/07/04/vn-verdrag-staatsimmuniteit.
Zie HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732, NJ 2019/354, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.1.3-4.1.4.
Zie HR 1 december 2017, reeds aangehaald, rov. 3.6.2.
Vgl. HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1554, NJ 1995/650, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.3.3.
De Ambassade heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, slechts opgemerkt dat haar verschijning in het geding ‘geenszins geïnterpreteerd mag worden als het doen van afstand van haar diplomatieke immuniteit’. Zie nr. 4 verweerschrift d.d. 19 september 2021 en nr. 6 beroepschrift principaal hoger beroep d.d. 26 januari 2022.
Zie nr. 5 procesinleiding: ‘De Ambassade heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van dit geschil met haar (voormalige) werknemer niet betwist’. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de Ambassade daarover verklaard dat ‘het ging om de afweging immuniteit versus zichzelf verdedigen’. Zie p. 2, onder het derde streepje, van het proces-verbaal d.d. 1 april 2022.
Zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387, NJ 2010/525, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5; HR 28 juni 2013, reeds aangehaald, rov. 3.6.1; HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.4.3.
De Hoge Raad (30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.4.6) heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of het samenhangvereiste dat aan het slot van art. 19, onder c, VN-Verdrag wordt gesteld, als internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt, zie HR 30 september 2016.
Benelux-Overeenkomst van 26 november 1973, Trb. 1974, 6.
Zie ILC, Yearbook of the International Law Commission 1991, vol. II, Part Two, Draft articles on Jurisdictional Immunities of States and Their Property, with commentaries 1991, art. 18, aant. 4, p. 56.
Zie C. Brown & R. O’Keefe, ‘Article 19’, in: O’Keefe, Tams & Tzanakopoulos (red.), a.w., p. 316.
Zie C. Brown & R. O’Keefe, a.w., p. 317.
Zie C. Brown & R. O’Keefe, t.a.p.
CAVV-2, nr. 72, p. 4, te raadplegen via www.adviescommissievolkenrecht.nl.
Zie o.a. A.W. Jongbloed, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Derde afdeling van dwangsom Rv, aant. 2.
Zie o.a. M.B. van Beekhoven van den Boezem, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Derde afdeling van dwangsom Rv, aant. 4; A.W. Jongbloed, De privaatrechtelijke dwangsom, 2015, p. 29-30.
Zie J.-M. Thouvenin & V. Grandaubert, 'The Material Scope of State Immunity from Execution', in: T. Ruys, N. Angelet & L. Ferro (red.), The Cambridge Handbook of Immunities and International Law, 2019, p. 249; X. Yang, State Immunity in International Law, 2015, p. 346. Anders kennelijk de ILC, die in haar hierboven aangehaalde commentaar op het ontwerp van het VN-Verdrag (art. 18, onder 4) de ‘enforcement of an arbitral award’ als executiemaatregel heeft gekwalificeerd.
Daarvoor is geen nieuwe executoriale titel vereist. Zie hierover o.a. M.B. Beekhoven van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht (BPP nr. V) 2006/11.1.
Zie bijv. de zaak die ten grondslag heeft gelegen aan HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6317, NJ 2010/523, m.nt. Th.M. de Boer.
21 juni 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0188, rov. 25. Deze zaak heeft betrekking op de immuniteitsbepaling uit het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 en het bijbehorende Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie van gelijke datum (Trb. 1976, 101). Zie over deze uitspraak ook C.M.J. Ryngaert & F.J.L. Pennings, ‘Fundamentele arbeidsrechten en immuniteit: De zaak tegen de Europese Octrooi Organisatie’, NJB 2015/859.
S.21.0003.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220627.3F.8.
Zie ook de conclusie van P-G André Henkes van dezelfde datum vóór dit arrest (ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220627.3F.8), onder 30, waarin hij onder verwijzing naar het commentaar van Brown en O’Keefe van mening is dat “l’arrêt attaqué n’a pu, sans violer la coutume internationale fixant une immunité d’exécutions des États, reproduite à l’article 19 précité, décider d’assortir d’astreintes les condamnations prononcées par la cour du travail à charge du demandeur”.
Zie over de kenmerken van de astreinte naar Frans recht: L. van der Boom, De excessieve dwangsom. Over het voorkomen en verhelpen van dwangsomexcessen, 2019, par. 3.2; M.B. Beekhoven van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht (BPP nr. V) 2006/1.2.3.
Zie Cour de cassation 19 november 2008, nr. 07-10.570, Recueil Dalloz 2008-III, p. 3012-3013, m.nt. I. Gallmeister.
Zie Cour d’appel de Paris 1 juli 2008, nr. 06/08638. De uitspraak is ook vermeld in de procesinleiding in cassatie, onder 2.2.4.
Zie Cour d’appel de Paris 26 februari 2009, nr. 07/03456.
Zie Cour d’appel de Paris 13 oktober 2022, nr. 21/02885.
Ik heb geen Luxemburgse rechtspraak (opgenomen in de Pasicrisie luxembourgeoise, te raadplegen via www.pasicrisie.lu/html/archives) kunnen vinden over de vraag of aan een vreemde staat een dwangsom kan worden opgelegd.
Overigens kan aan de Nederlandse, de Belgische resp. de Luxemburgse staat en hun publiekrechtelijke instellingen wel een dwangsom worden opgelegd, zie BenGH 6 februari 1992, NJ 1992/353, rov. 11.
Gilles Cinuberti merkt in een bijdrage aan het blog conflict of laws.net, d.d. 9 juli 2009, op: ‘As usual, it is hard to say whether this means that the French supreme court implicitly endorsed the part of the ruling of the Court of appeal holding that astreinte and immunity are incompatible’. Hij komt aan de hand van de uitspraken van de Cour d’appel van Parijs tot de conclusie dat de astreinte tot de executiemaatregelen behoort voor de toepassing van het recht inzake immuniteit.
Zie in het algemeen over Zwangsgeld en Ordnungsgeld: Van der Boom, a.w., par. 3.1. Over de vraag of deze dwangmiddelen aan een vreemde staat kunnen worden opgelegd, merkt Helmut Damian (Staatenimmunität und Gerichtszwang, Beiträge zum ausländischen öffentlichen Recht und Völkerrecht Band 89,1985, p. 173, voetnoot 285) het volgende op: ‘Die Frage, ob die Festsetzung eines Ordnungs- oder Zwangsgeldes gegen einen fremden Staat ein von Völkerrechts wegen zulässiges Mittel der Zwangsvollstreckung is, hat die Praxis, soweit ersichtlich, ebenfalls noch nicht beschäftigt. Durchschlagende Gründe, die die Verhängung einer solchen Maßnahme as völkerrechtlich ausgeschlossen erscheinen ließen, sind nicht ersichtlich. Die Beitreibung eines festgesetzten Geldbetrages durch Beschlagnahme und Verwertung von Vermögen des fremden Staates darf allerdings nur unter Beachtung der gegenständlichen Schranken der nationalen Vollstreckungsgewalt erfolgen.’
Zie nr. 28 verweerschrift d.d. 19 september 2021.
Zie nr. 22-24 beroepschrift principaal hoger beroep d.d. 26 januari 2022.
Zie nr. 3-5 beroepschrift incidenteel hoger beroep d.d. 11 maart 2022. Zie voor het verweer van de Ambassade hiertegen: nr. 4-9 verweerschrift incidenteel hoger beroep d.d. 31 maart 2022.
Beroepschrift 28‑04‑2023
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE
Verzoeker:
De Verenigde Arabische Emiraten, vertegenwoordigd door haar ambassade te Den Haag, gevestigd te (2517 JW) Den Haag aan het Churchillplein 6c, (de ‘Ambassade’). De advocaten bij de Hoge Raad mr. N.T. Dempsey en prof. mr. R.R. Verkerk (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigen als zodanig de Ambassade in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
[de werkneemster], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats] (‘[de werkneemster]’).
Voor [de werkneemster] trad in laatste feitelijke instantie als advocaat op mr. B.S. Hageman, die kantoor houdt te (2596 AB) Den Haag aan de Nassau Dillenburgstraat 7.
Bestreden beschikking
De Ambassade stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’) uitgesproken op 31 januari 2023 in de procedure met zaaknummer 200.306.135/01 tussen de Ambassade als appellant en [de werkneemster] als geïntimeerde (de ‘Beschikking’).
Middel van cassatie
De Ambassade voert tegen de Beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht, althans verzuim van wezenlijke vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in de Beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding1.
1.
Deze procedure betreft een geschil tussen de Ambassade en haar (voormalige) werkneemster [de werkneemster].
2.
[de werkneemster] is op 1 oktober 2013 in dienst getreden bij de Ambassade. In de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn verschillende bepalingen opgenomen inzake vertrouwelijkheid. Daaruit volgt onder andere dat [de werkneemster] geen documenten van de Ambassade onder zich mag houden, dat alle informatie die ziet op de Ambassade naar haar aard geacht wordt vertrouwelijk te zijn, dat [de werkneemster] geen enkele vertrouwelijke informatie mag verstrekken aan derden en dat een schending van vertrouwelijkheid een grond is voor ontslag op staande voet.2.
3.
[de werkneemster] is door de Ambassade op 10 mei 2021 op staande voet ontslagen wegens — kort samengevat — het onrechtmatig verkrijgen, onder zich houden en met derden delen van vertrouwelijke documenten (de ‘Documenten’). De Documenten waren interne stukken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking gestuurd naar de Ambassade die betrekking hadden op (voorstellen voor de vormgeving van) een reorganisatie. De Documenten vielen buiten het inzage niveau van [de werkneemster]. [de werkneemster] heeft de Documenten bij UWV ingediend als bijlagen bij haar verweer tegen de aanvraag voor een ontslagvergunning die door de Ambassade bij UWV was ingediend (de ‘UWV-procedure’).3. UWV heeft de ontslagaanvraag op 9 maart 2021 afgewezen.
4.
[de werkneemster] heeft in deze procedure onder meer — voor zover nu in cassatie relevant — verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet en veroordeling van de Ambassade tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom. De Ambassade heeft verweer gevoerd en bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens primair (ernstig) verwijtbaar handelen (de e-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond), meer subsidiair een combinatie van omstandigheden (de i-grond).
5.
De Ambassade heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van dit geschil met haar (voormalige) lokale werknemer niet betwist. Tussen partijen is evenmin in geschil dat — onverlet de keuze in de arbeidsovereenkomst voor de toepasselijkheid van het recht van de Verenigde Arabische Emiraten4. — de dwingendrechtelijke beschermende bepalingen van het Nederlandse recht van toepassing zijn omdat [de werkneemster] in Nederland werkzaam was.5.
6.
De Ambassade heeft echter wel — in het kader van haar verweer tegen de diverse verzoeken van [de werkneemster] en de onderbouwing van haar voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding — bij herhaling en uitdrukkelijk gewezen op haar bijzondere positie. De Ambassade is onderdeel van en vertegenwoordiger van een soevereine staat. De Ambassade vervult een diplomatieke missie namens de Verenigde Arabische Emiraten. De Ambassade heeft in dit verband het navolgende betoogd:
- a.
De Ambassade en haar personeelsleden worden geconfronteerd met reële veiligheidsdreigingen. Documenten die zien op de reorganisatie van ambassadepersoneel zijn mede om die reden strikt vertrouwelijk. In de UWV-procedure zijn daarom door de Ambassade slechts summiere en hoogst noodzakelijke stukken ingediend, waarbij de namen en personeelsnummers van werknemers zijn weggelaten, de documenten niet zijn voorzien van handtekeningen en/of stempels en waarbij irrelevante delen zijn zwartgemaakt.6.
- b.
De Ambassade geniet diplomatieke privileges en immuniteiten. [de werkneemster] had al uit de aard van haar dienstbetrekking behoren te weten dat de Documenten vertrouwelijk waren.7.
- c.
[de werkneemster] heeft de Documenten integraal met daarin o.a. de functies en namen van collega's verstrekt aan het UWV. Daarmee heeft zij in strijd gehandeld met diplomatieke gedragscodes en de verplichtingen op grond van haar arbeidsovereenkomst. Zij heeft willens en wetens het risico genomen dat vertrouwelijke en gevoelige informatie in verkeerde handen terecht kon komen terwijl zij wist, althans behoorde te weten, dat zij geen toestemming had of zou krijgen de Documenten met derden te delen.8.
- d.
Een ambassade is een bijzondere werkgever waarbij vertrouwen en vertrouwelijkheid essentieel zijn. De Ambassade mag aan haar personeel hogere eisen stellen. De Ambassade mag erop vertrouwen dat haar personeel zich houdt aan de geldende protocollen en etiketten. [de werkneemster] heeft dat vertrouwen geschonden zodat het verzoek tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom dient te worden afgewezen en het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding dient te worden toegewezen.9.
- e.
De Documenten zijn naar hun aard gevoelig en geheim. Een rechter van een andere staat mag niet oordelen over de vraag of de Documenten vertrouwelijk zijn en evenmin over het (ontslag)beleid van de Ambassade.10.
7.
De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en onder meer de Ambassade veroordeeld [de werkneemster] toe te laten tot haar werkzaamheden op straffe van een dwangsom van EUR 250 voor iedere (gedeelte van een) dag dat de Ambassade hier niet aan voldoet, tot een maximum bedrag van EUR 50.000. Het verzoek tot ontbinding wees de kantonrechter af.
8.
In het door de Ambassade ingestelde hoger beroep heeft het hof deze beslissingen bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof als volgt:
- a.
De Ambassade is niet geslaagd in het bewijs dat [de werkneemster] de Documenten op ongeoorloofde wijze heeft verkregen.11.
- b.
De Ambassade heeft niet onderbouwd waarom [de werkneemster] kan worden verweten de Documenten onder zich te hebben gehouden.12.
- c.
Er kan geenszins gezegd worden dat het voor [de werkneemster] op voorhand duidelijk moest zijn dat de Documenten niet zouden kunnen bijdragen aan haar verweer in de UWV-procedure.13.
- d.
De omstandigheid dat de Ambassade aan haar personeel hoge eisen mag stellen als het gaat om geheimhouding en vertrouwelijkheid van stukken betekent niet dat het door een werknemer indienen van interne stukken in een UWV-procedure die rechtstreeks betrekking hebben op het onderwerp van die procedure en kunnen bijdragen aan het onderbouwen van het verweer van de werknemer, een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Het hof gaat ervan uit dat zowel [de werkneemster] als haar advocaat en UWV — die op grond van de wet tot geheimhouding is verplicht — vertrouwelijk omgaan met de Documenten. Van de Ambassade kan verlangd worden dat zij concreet toelicht waarom de Documenten een zodanig vertrouwelijk karakter hadden dat [de werkneemster] deze niet (ongecensureerd) in de UWV-procedure had mogen overleggen. De door de Ambassade — ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gegeven — toelichting leidt volgens het hof niet tot die conclusie.14.
- e.
Hierop voortbouwend oordeelt het hof dat de kantonrechter terecht concludeerde dat geen sprake was van een dringende reden. Het hof oordeelt dat de kantonrechter eveneens terecht het ontslag op staande voet heeft vernietigd, de wedertewerkstelling heeft toegewezen, en heeft geoordeeld dat er geen redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.15.
- f.
Het hof heeft het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding afgewezen. In het kader van zijn afwijzing van het verzoek tot ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) overweegt het hof dat [de werkneemster] het ‘goed recht’ had de Documenten met haar advocaat en UWV te delen. De Ambassade heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een (niet verwaarloosbaar) risico bestond dat de Documenten niettemin bij anderen bekend zouden worden of dat [de werkneemster] begreep of had hoeven begrijpen dat zij hiermee het vertrouwen van de Ambassade ernstig, duurzaam en onherstelbaar zou beschadigen. Aldus het hof. Het hof betrekt bij dit oordeel dat door [de werkneemster] is gesteld dat zij altijd goed heeft kunnen samenwerken met haar collega's en er onvoldoende aanleiding is om te veronderstellen dat dat na terugkeer niet meer mogelijk zou zijn.16.
9.
Voorts heeft het hof — naar aanleiding van het incidenteel appel van [de werkneemster] — de dwangsom vermeerderd tot EUR 1.000 per dag tot een maximum van EUR 100.000. Dit in aanvulling op de in eerste aanleg opgelegde dwangsommen van EUR 50.000. Daartoe overweegt het hof dat de Ambassade weigerachtig is gebleken de veroordeling van de kantonrechter om [de werkneemster] weer tot het werk toe te laten uit te voeren en dat de prikkel die van een dwangsom moet uitgaan kennelijk niet voldoende aanwezig is.17.
10.
De Ambassade kan zich in (de motivering van) het hiervoor samengevatte oordeel van het hof niet vinden en richt daartegen de volgende cassatieklachten.
B. Klachten en toelichting
1. Het hof heeft bij zijn beoordeling een onjuiste maatstaf toegepast
1.1. Klacht
1.1.1.
Het hof heeft met zijn hiervoor in § 8 verkort weergegeven oordelen in rov. 4.5–4.22 van zijn beschikking blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft in die overwegingen inhoudelijk beoordeeld of de Documenten dusdanig vertrouwelijk en gevoelig zijn dat [de werkneemster] (had moeten begrijpen dat zij) deze niet onder zich mocht houden en niet in de UWV-procedure mocht indienen, althans niet in ongecensureerde vorm. Ook heeft het hof inhoudelijk beoordeeld of het handelen van [de werkneemster] — dat volgens de Ambassade in strijd was met diplomatieke gedragscodes en de verplichtingen van [de werkneemster]s arbeidsovereenkomst — een (voldoende) dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, dan wel kan leiden tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst van [de werkneemster] ontbonden moet worden (op de e-grond, de g-grond dan wel de i-grond).
1.1.2.
Het Hof heeft bij deze beoordeling miskend dat in de context van een geschil tussen de ambassade van een vreemde soevereine staat en een van haar (voormalige) medewerkers (1) de beoordeling en kwalificatie van documenten en informatie als vertrouwelijk en gevoelig alsmede (2) de beoordeling welke gevolgen het zonder toestemming onder zich houden en met derden delen daarvan door een ambassade medewerker voor het voortbestaan van diens arbeidsovereenkomst heeft, in beginsel aan de ambassade (als onderdeel van en vertegenwoordiger van een vreemde soevereine staat) toekomt, althans dat aan de ambassade in dat kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De Nederlandse rechter dient het oordeel c.q. de beslissingen van een ambassade terzake slechts (zeer) terughoudend en marginaal te toetsen. Dit heeft het hof — ten onrechte — niet gedaan.
1.1.3.
Voor zover het hof de juiste maatstaf wel zou hebben toegepast, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd omdat daaruit de door het hof toe te passen (ruime mate van) terughoudend en marginale toetsing niet blijkt. Die terughoudende toetsing blijkt of volgt uit geen enkele overweging in de Beschikking, ook niet uit de enkele erkenning dat een ambassade ‘aan ambassadepersoneel hoge eisen mag stellen als het gaat om geheimhouding en vertrouwelijkheid van stukken’ (rov. 4.12).
1.2. Toelichting
1.2.1.
In art. 11 lid 2 United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property (‘VN-Verdrag’) is bepaald dat een vreemde staat zich op immuniteit van jurisdictie kan beroepen in geschillen met (voormalige) werknemers indien
- ‘(c)
the subject-matter of the proceeding is the recruitment, renewal of employment or reinstatement of an individual;
- (d)
the subject-matter of the proceeding is the dismissal or termination of employment of an individual and, as determined by the head of State, the head of Government or the Minister for Foreign Affairs of the employer State, such a proceeding would interfere with the security interests of that State.’
1.2.2.
Het VN-Verdrag is weliswaar niet door Nederland geratificeerd en nog niet in werking getreden, maar behelst wel, althans in ieder geval ten dele, een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot immuniteit van jurisdictie en executie.18. Uit het VN-Verdrag en het internationale gewoonterecht volgt dat de beoordeling van een vreemde staat — vertegenwoordigd door haar ambassade — over onderwerpen als vertrouwelijkheid en veiligheid, alsmede gelet daarop wie men wel en wie men niet (meer) in dienst wil hebben, aan die vreemde staat toekomen en door rechters van een andere staat niet, althans hooguit (zeer) terughoudend en marginaal getoetst mag worden.
1.2.3.
De omstandigheid dat de Nederlandse rechter bevoegdheid heeft in een geschil tussen een vreemde staat en een van haar (voormalige) werknemers, betekent dan ook niet dat die rechter vol en zonder de gepaste terughoudendheid geschillen mag toetsen die betrekking hebben op vertrouwelijkheid, veiligheid en beslissingen over het al dan niet in dienst houden van medewerkers. De Ambassade heeft in dit verband terecht bepleit dat de rechter hier slechts een ‘marginale toets’ mag toepassen en niet ‘op de stoel’ van een soevereine staat mag gaan zitten:19.
‘De Nederlandse rechter had niet voorbij mogen gaan aan de vertrouwelijke status die door de UAE aan de ingediende stukken wordt toegekend. Wat de beoordeling van de status van deze stukken betreft mag de Nederlandse rechter hier slechts een marginale toets op toepassen en mag hij niet op de stoel van de zendstaat gaan zitten.’
1.2.4.
Een dergelijke terughoudende opstelling c.q. marginale toetsing strookt ook met de jurisprudentie van uw Raad. Daar waar het gaat om staatsveiligheid komt een soevereine staat een beroep toe op immuniteit van jurisdictie. Uw Raad oordeelde in Van der Hulst/VS dat de rechter van een gastland niet kan en mag oordelen over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens redenen van staatsveiligheid:20.
‘Immers, bij het uitoefenen van zijn diplomatieke missie en van zijn consulaire diensten in het gastland dient een vreemde Staat de bevoegdheid te worden gelaten door middel van het stipuleren van een beding als het onderhavige om redenen van staatsveiligheid het aangaan of voortbestaan van een overeenkomst als de onderhavige te laten afhangen van het — niet ter beoordeling van de wederpartij of de rechter van het gastland staand — resultaat van een veiligheidsonderzoek. Niet kan worden aangenomen dat een vreemde Staat die een dergelijke overeenkomst aangaat, zich daardoor de pas afsnijdt naar een beroep op immuniteit terzake van het beëindigen van die overeenkomst op grond van een onderzoek als voormeld, hoezeer die overeenkomst zelf ook een privaatrechtelijk karakter heeft.’
1.2.5.
Naar aanleiding van dit arrest wordt in de rechtspraak en literatuur aangenomen dat hooguit kan en mag worden nagegaan of een ontslag manifest onredelijk is.21. De Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken heeft bijvoorbeeld in een advies uiteengezet dat ‘de mogelijkheid zou moeten blijven bestaan om een verklaring die op grond van veiligheidsbelangen immuniteit met zich brengt, marginaal op de inhoud te toetsen.’22.
1.2.6.
In deze procedure heeft de Ambassade bij herhaling gemotiveerd betoogd dat [de werkneemster] diplomatieke gedragscodes en de verplichtingen op grond van haar arbeidsovereenkomst heeft geschonden door de Documenten — die volgens de Ambassade vertrouwelijk en gevoelig van aard zijn en tot veiligheidsrisico's kunnen leiden als deze in de verkeerde handen terecht komen — onder zich te houden en met derden (haar advocaat, UWV) te delen.23. Daarmee was naar het oordeel van de Ambassade een voortzetting van de arbeidsovereenkomst of terugkeer van [de werkneemster] geen optie gelet op de volgens de Ambassade door [de werkneemster] veroorzaakte onherstelbare vertrouwensbreuk.24. Uit de motivering van 's hofs oordeel blijkt niet dat het hof bij zijn verwerping van deze stellingen van de Ambassade25. de gepaste terughoudendheid betracht of marginale toetsing toegepast. Integendeel. Zijn oordeel kan daarom in cassatie geen standhouden.
2. Het hof heeft miskend dat de Nederlandse rechter geen dwangsom mag opleggen aan (de ambassade van) een vreemde staat
2.1. Klacht
2.1.1.
Ten onrechte heeft het hof de door de kantonrechter Den Haag opgelegde veroordeling tot wedertewerkstelling van [de werkneemster] op straffe van een dwangsom bekrachtigd en bovendien een aanvullende dwangsom opgelegd (zie m.n. rov. 4.27–4.28 en de beslissing). Het hof heeft hiermee miskend dat immuniteit van executie inhoudt c.q. meebrengt dat een nationale rechter geen dwangsom mag opleggen aan een vreemde staat.
2.1.2.
De Ambassade heeft zich in deze procedure — zowel in eerste aanleg als in appel — verzet tegen het opleggen van een dwangsom.26. Het hof had, zo nodig door ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen op grond van art. 25 Rv, de door de kantonrechter opgelegde veroordeling op last van een dwangsom moeten vernietigen en had geen aanvullende dwangsom mogen opleggen.
2.2. Toelichting
2.2.1.
Zoals uw Raad in de prejudiciële beslissing van 30 september 2016 overwoog, genieten vreemde staten naar de thans in Nederland als ongeschreven internationaal publiekrecht geldende regels immuniteit van executie. Art. 19 van het VN-Verdrag kan op dit onderwerp worden aangemerkt als een vastlegging van internationaal gewoonterecht.27. Uw Raad besliste dat de schuldeiser die (conservatoir) beslag wil leggen ten laste van een vreemde staat de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag van de goederen waarop de schuldeiser beslag wil leggen. Ook in geval de vreemde staat verstek laat gaan, zal de rechter dit ambtshalve moeten toetsen.28. Daartoe overwoog uw Raad:
‘3.5.2.
Het is in overeenstemming met de — op het respecteren van vreemde staten gerichte — strekking van de immuniteit van executie om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. (…) Het past voorts bij de vermelde strekking van de immuniteit van executie dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet.’
2.2.2.
Art. 19 VN-Verdrag houdt een — op zeer specifieke uitzonderingen na, die zich in deze procedure niet voordoen — verbod in op het door de nationale rechter treffen van executiemaatregelen tegen een vreemde staat. Bij wege van niet-limitatieve voorbeelden worden enkele voorbeelden genoemd, zoals beslag of zekerheidstelling. De tekst van deze bepaling is — voor zover relevant — hieronder weergegeven in de vertaling en in de authentieke Engelse tekst:
‘Artikel 19. Immuniteit van staten van executiemaatregelen
Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover: (…)’
‘Article 19. State immunity from post-judgment measures of constraint
No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that: (…)’
2.2.3.
Artikel 19 VN-Verdrag is ruim geformuleerd. Het omvat blijkens de tekst en de totstandkoming daarvan29. ook executiemaatregelen zoals het opleggen van een dwangsom. Ook tijdens een nog lopende procedure mogen geen dwangsommen worden opgelegd. Dat volgt uitdrukkelijk uit artikel 24 van het VN-Verdrag. Een rechter mag een soevereine staat geen ‘boete of straf’ opleggen.
2.2.4.
De dwangsom als executiemiddel komt slechts voor in een beperkt aantal jurisdicties, waaronder Frankrijk.30. Franse rechters hebben vastgesteld dat de regel van immuniteit van executie tevens een verbod inhoudt op het opleggen van een dwangsom aan een vreemde staat. De Cour d'appel de Paris heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat geen dwangsom kan worden opgelegd teneinde af te dwingen dat een medewerker van een ambassade opnieuw te werk wordt gesteld:31.
‘Il convient par contre d'accueillir la fin de non recevoir soulevé du chef des demandes qui s'analysent comme des mesures d'exécution à savoir les astreintes sollicitées tant pour la délivrance de documents sociaux conformes que pour la mesure de réintégration qui seront déclarées irrecevables.’
2.2.5.
Het hof Den Haag oordeelde in een zaak tussen een internationale organisatie en een cateringbedrijf dat het opleggen van een dwangsom zich niet verdraagt met het leerstuk van immuniteit van executie. Het hof overwoog daartoe:32.
‘25.
(…) De EPO toekomende immuniteit van executie strekt ertoe te waarborgen dat haar eigendommen en activa (zaken en vermogensrechten) beschikbaar blijven voor het doel waarvoor zij worden gehouden, te weten het verrichten van haar officiële werkzaamheden. Blijkens het derde lid van artikel 3 Protocol zijn deze eigendommen en activa daarom ook vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang. Aangezien een dwangsom, eenmaal verbeurd, zonder verdere rechterlijke toetsing kan leiden tot (de dreiging van) op deze goederen en activa te nemen verhaal (de dwangsom kan reeds ten uitvoer worden gelegd krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld), verdraagt het opleggen van een dwangsom, naar voorlopig oordeel van het hof, zich niet met het doel dat met de aan EPO toegekende immuniteit van executie wordt nagestreefd.’
2.2.6.
Tegen deze achtergrond — en het feit dat de Ambassade zich heeft verzet tegen het opleggen van een dwangsom — heeft het hof het recht miskend door het bekrachtigen van de door de kantonrechter opgelegde dwangsom en het opleggen van een aanvullende dwangsom.
Conclusie
De Ambassade verzoekt op grond van dit middel de vernietiging van de Beschikking, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten en om [de werkneemster] te veroordelen om al hetgeen Ambassade ter uitvoering van de Beschikking aan [de werkneemster] heeft voldaan aan Ambassade terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. De Ambassade verzoekt voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van de Beschikking van de Hoge Raad.
Advocaten
28 april 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑04‑2023
Zie voor een uitgebreide weergave van de tussen partijen vaststaande feiten rov. 3.2 van de Beschikking in combinatie met rov. 2 van de beschikking van de kantonrechter Den Haag d.d. 27 oktober 2021.
Zie A-Verzoekschrift productie 1 en rov. 2.3 van de beschikking van de kantonrechter Den Haag d.d. 27 oktober 2021 waarin deze bepalingen zijn geciteerd.
V-Verweerschrift § 8–11 en 14–15.
Zie A-Verzoekschrift productie 1, at. 23.4.
V-Verweerschrift § 11–13.
V-Verweerschrift § 35.
V-Verweerschrift § 36–39.
V-Verweerschrift § 27–28, 59; Proces-verbaal d.d. 29 september 2021 p. 1 (2de alinea onder ‘eerste termijn’) en p. 3 (2de alinea); V-Beroepschrift § 14–16, grief IV-VIII, 30, 33; V-Verweerschrift incidenteel appel § 7–8.
Proces-verbaal d.d. 29 september 2021 p. 3 (6de alinea onder ‘mr. A.I. Al-Alim’); V-Plta II § 5–8, 15–16; Procesverbaal d.d. 1 april 2022 p. 2 (5de en 8ste bullet), p. 3 (2de en 3de bullet).
Beschikking rov. 4.7–4.8.
Beschikking rov. 4.9.
Beschikking rov. 4.10.
Beschikking rov. 4.12–4.15.
Beschikking rov. 4.16–4.23.
Beschikking rov. 4.21–4.22.
Beschikking rov. 4.26–4.28.
Zie recent in arbeidsrechtelijke context HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1084, rov. 3.2.4.
V-Plta II § 8.
HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0998, NJ 1991/70 m.nt. P.J.I.M. de Waart, rov. 3.5.
Zie bijv. A-G Vlas, voor HR 15 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:1084 nr. 2.20. Vlas schrijft dat enige onduidelijkheid bestaat over de tekst en/of totstandkoming van art. 11 lid 2, sub d, VN-Verdrag. Dit doet vermoeden alsof helemaal geen enkele ruimte bestaat voor toetsing. Vlas verwijst naar het CAVV-advies, waarin wel enige ruimte wordt geboden voor ‘een proportionaliteitstoets of een (marginale) toetsing van de inhoud van de veiligheidsbelangen. (…)’
Zie de vindplaatsen vermeld bij § 6. Zie in het bijzonder V-Verweerschrift § 38: ‘Met haar handelen heeft [de werkneemster] niet alleen in strijd met de diplomatieke gedragscodes, alsook (…) haar arbeidsovereenkomst (…) gehandeld, ook heeft [de werkneemster] haar collega's daarmee in gevaar gebracht. Zoals (…) uiteengezet, geldt er sinds augustus 2020 een verhoogd dreigingsniveau voor de Ambassade. In de door [de werkneemster] overgelegde stukken is bijvoorbeeld met naam en toenaam te zien wie de beveiligers en de chauffeurs van de Ambassade zijn. Ook blijkt daaruit wie in welke functie in de residentie van de Ambassadeur werkt. Iemand met kwade bedoelingen jegens de Ambassade kan, met de Stukken in handen, mensen opsporen en bijvoorbeeld chanteren, met alle gevolgen van dien. Zoals reeds een aantal keer aangekaart is het bijzonder om op een Ambassade werkzaam te zijn. De Ambassade is niet zomaar een werkgever. De mensen in en rond het Ambassadegebouw zijn bijvoorbeeld afhankelijk van een goede betrouwbare beveiliging. Wanneer informatie over de beveiliging van het Ambassadegebouw toegankelijk wordt, komt dit de beveiliging niet ten goede.’
Zie de vindplaatsen in voetnoot 9–10. Zie in het bijzonder V-Beroepschrift § 14–15: ‘Met betrekking tot de taken van mevr. [de werkneemster] dient nog te worden benadrukt dat, hoewel zij een lokaal gerekruteerd werknemer is en geen diplomatieke status heeft, dat zij wel belast was met een hybride functie waar zij regelmatig belast was met het invoeren van gegevens in het systeem van de zendstaat, waar zij overigens uitsluitend toegang toe had via de username en password van de voor haar verantwoordelijke diplomate. Deze taken vallen tevens onder handelingen van een bijzonder aard binnen de Ambassade waar een hogere mate van waakzaamheden en vertrouwen voor nodig is. 15. De arbeidsrelatie met [de werkneemster] is naar aanleiding van het verbreken van het vertrouwen en de geheimhoudingsregels onherstelbaar geschaad. (…)’
In het bijzonder bij zijn beslissing dat geen sprake was van een dringende reden, zijn beslissing om de veroordeling tot wedertewerkstelling te handhaven met een verhoogde dwangsom en zijn beslissing het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de Ambassade af te wijzen.
V-Verweerschrift § 28 en V-Verweerschrift incidenteel appel § 7–8.
HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190 m.nt. T.M. de Boer, rov. 3.4.3 en 3.4.6.
Ibid rov. 3.5.3.
Zie art. 26 en de toelichting daarop van de concept artikelen zoals opgenomen in het Report of the International Law Commission on the work of its thirty-eighth session 5 May — 11 July 1986, Offical Records of the General Assembly, Forty-first session Supplement No. 10. Extract from the Yearbook of the International Law Commission: — 1986, vol II(2), beschikbaar via https://legal.un.org/ilc/publications/yearbooks/english/ilc 1986 v2 p2.pdf: ‘Immunity from measures of coercionA State enjoys immunity, in connection with a proceeding before a court of another State, from any measure or coercion requiring it to perform or to refrain from performing a specific act on pain of suffering a monetary penalty. CommentaryArticle 26 relates to measures of coercion requiring a State to perform or refrain from performing a specific act on pain of suffering a monetary penalty, known in some legal systems under the name astreinte. It provides for immunity from any court order for specific performance carrying with it the coercive measure of a pecuniary penalty for non-performance of the order. The word ‘coercion’ is chosen for its breadth and covers all kinds of injunctions.’
Naar Frans recht spreekt men van een ‘astreinte’.
Zie Cour d'appel de Paris, 1 juli 2008, 06/08638 (X/Qatar), beschikbaar via https://www.legifrance.gouv.fr/juri/id/JURITEXT000019609782. Informeel vertaald naar het Nederlands: ‘Anderzijds is het passend de afwijzing te aanvaarden van de verzoeken die kwalificeren als handhavingsmaatregelen, dat wil zeggen de dwangsommen die zowel voor de afgifte van conforme sociale documenten als voor de herplaatsingsmaatregel zijn gevraagd en die niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.’
Hof Den Haag 21 juni 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0188.