Deze zaak hangt samen met zes andere beklagzaken (in cassatie aanhangig onder de nummers: 13/03790; 13/02002; 13/03791; 13/03782; 13/03784 en 13/03778). In die andere zes zaken zal ik vandaag ook concluderen.
HR, 29-09-2015, nr. 13/01972
ECLI:NL:HR:2015:2876
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-2015
- Zaaknummer
13/01972
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:2876, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 29‑09‑2015; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1587, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:1587, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑06‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2876, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 29‑09‑2015
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO
Partij(en)
29 september 2015
Strafkamer
nr. S 13/01972 B
IC/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 april 2013, nummer RK 12/2371, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015.
Conclusie 23‑06‑2015
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO
Nr. 13/01972 B Zitting: 23 juni 2015 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager] |
1. De Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 5 april 2013 het beklag van klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het onder klager gelegde conservatoir beslag op een blauwe en een witte Mercedes-Benz, en de teruggave daarvan aan klager, ongegrond verklaard.
2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.1.
3. Namens klager heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt, kort gezegd, over de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag.
4.2. Namens klager is op 6 december 2012 ter griffie van de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekte tot opheffing van het op 3 april 2012 onder klager gelegde conservatoir beslag op een blauwe en een witte Mercedes Benz. Op de achtergrond speelt een witwaszaak waarin klager een van de verdachten is.
4.3. Het klaagschrift is op 5 april 2013 in openbare raadkamer (inhoudelijk) behandeld.2.Tijdens die raadkamerbehandeling is er door de raadsman van klager en de officier van justitie onder meer het volgende naar voren gebracht:
“De raadsman
(…)
Op dit moment wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 285.000,-- en is er beslag gelegd op onroerend goed dat meer waard is dan een bedrag van € 1000.000,--. Ik vraag me dan ook af of het beslag proportioneel genoemd kan worden. Daarnaast heeft de belastingdienst eveneens beslag gelegd dus vraag ik mij ook af of het beslag reëel is. Mijns inziens dienen de auto’s terug gegeven te worden. Er is mijns inziens geen twijfel mogelijk omtrent de eigendom van de auto’s. Degene onder wie beslag is gelegd wordt civielrechtelijk beschouwd als eigenaar. De auto’s moeten terug naar de beslagene.
De officier van justitie:
Met de mededeling van het voornemen de auto’s te verkopen, wordt uitgenodigd over te gaan tot zekerheidstelling. De waarde van de in beslag genomen goederen mogen afwijken van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Het is voor deze procedure niet van belang dat de fiscus beslag heeft gelegd. Voor het overige persisteer ik bij het eerder door het openbaar ministerie gegeven advies.
De raadsman
Ontnemingstechnisch zal het beslag dat de belastingdienst heeft gelegd wellicht toch van belang zijn. Het verbaast mij dat er alleen beslag wordt gelegd op eigendomspapieren.”
4.4.
De Rechtbank heeft het beklag, als gezegd, ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de Rechtbank het volgende in de bestreden beschikking:
“De rechtbank stelt vast dat op voornoemde auto’s conservatoir beslag is gelegd onder klager. De rechtbank is voorts van oordeel dat klager als eigenaar van beide auto’s aangemerkt dient te worden nu de auto’s bij klager in beslag zijn genomen en uit de stukken en het verhandelde in raadkamer niet is gebleken dat anderen als eigenaar van de auto’s kunnen worden aangeduid. De rechtbank constateert voorts dat klager wordt verdacht van witwassen van geld dat van misdrijf afkomstig is. Gelet op het feit dat klager tijdens zijn verhoor aangeeft dat hij geen werk of uitkering heeft, dat hij geld van zijn familie krijgt en niet kan aangeven van welk geld hij de auto’s heeft gekocht, acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, aan klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Derhalve moet het recht van verhaal van voordeelsontneming worden bewaard. De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren.”
4.5.
Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a Sv – waarvan hier sprake is - dient de rechter te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De in dit soort zaken aan te leggen maatstaf vergt volgens de Hoge Raad niet een onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag. Wel kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat de beklagrechter er in de motivering van zijn beslissing blijk van dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht, aldus de Hoge Raad.3.
4.6.
In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank dit verdergaande onderzoek niet verricht, dat blijkt althans niet uit de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag. En daarover klaagt het middel. Volgens het middel had de Rechtbank er in dit geval blijk van moeten geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de hoogte van de mogelijke betalingsverplichting. De vraag is of de “omstandigheden van het geval” in deze zaak inderdaad zodanig zijn dat van de Rechtbank een nadere motivering als in het middel bedoeld, mag worden verlangd. Ik meen dat dit niet het geval is. Weliswaar is tijdens de raadkamerbehandeling door de raadsman van de klager aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op een bedrag van € 285.000,-- en dat er beslag is gelegd op onroerend goed dat meer waard is dan een bedrag van € 1.000.000,-, maar een duidelijke conclusie werd daaraan door de raadsman niet verbonden. Hij vroeg zich slechts af of het beslag proportioneel genoemd kan worden. Ik merk daarbij op dat door de raadsman niet is gesteld dat (al) het onroerend goed (alleen) in de zaak tegen klager inbeslaggenomen is ter veiligstelling van de executie van een aan hem op te leggen betalingsverplichting. Als dit inderdaad het geval zou zijn, bevreemdt het dat alleen geklaagd wordt over de inbeslagneming van de auto’s en niet mede over het conservatoir beslag op het onroerend goed. Het zou kortom bij dat laatste beslag ook of mede kunnen gaan om conservatoir beslag dat is gelegd in de zaken van de medeverdachten waarin ik vandaag eveneens concludeer. Bovendien is onhelder wat de raadsman bedoelt met zijn opmerking dat ook door de fiscus beslag is gelegd, waardoor het door het openbaar ministerie gelegde beslag mogelijk niet “reëel” zou zijn. Als daarmee bedoeld wordt dat er gezien de voorrangsregeling in de artt. 21 e.v. Invorderingswet voor het openbaar ministerie te weinig overblijft, is van een disproportioneel beslag allesbehalve sprake.
4.7.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG