Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.4.1
2.4.1 Het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90974:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Tot 2010 was onduidelijk of het eigendomsvoorbehoud in alle gevallen derdenwerking had of slechts tijdens het faillissement van de koper. De meerderheid in de literatuur ging uit van de eerste opvatting. Het Hof van Cassatie oordeelde echter anders op 7 mei 2010, NJW 2010, afl. 225, 502. Op dit arrest is veel kritiek gekomen. Zie onder meer Fransis, NJW 2010, p. 504; Storme, RW 2011-12, p. 263; Jansen & Sagaert TPR 2012/3, nr. 187; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 24-25.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 20-21.
Parl St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 9-10; ParlSt.Kamer 1995-96, nr. 330/2, p. 7.
Parl St. Kamer 1995-96, nr. 330/2, p. 8.
Parl.St.Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 10-11.
Parl.St.Kamer 1995-96, nr. 329/17, p. 11.
Dirix & De Corte 2006, nr. 592; Jansen & Sagaert, TPR 2012/3, nr. 176; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 88-89; Sagaert 2017, nr. 18.
De Wet van 11j uli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingenterzake.Krachtens art. 2 Pandwet wordt in boek III van het Burgerlijk Wetboek het opschrift van titel XVII vervangen door “ Zakelijke zekerheden op roerende goederen” . De nummering begint met art. 1. De artikelen waarnaar hierna in het kader van de Pandwet wordt verwezen, zijn de artikelen zoals die worden ingevoerd onder titel XVII Burgerlijk Wetboek.
Dirix 2013, p. 77, 80 en 122; Del Corral & Geurts, NTBR 2014/31.
Dirix, TvI 2014/5, paragraaf 1.
Dirix 2013, p. 9.
Sagaert 2017, nr. 7.
MvT Pandwet, via Dirix 2013, p. 77.
Aangezien ook superprioriteit wordt toegekend aan het voorrecht voor de onbetaalde verkoper die zaken op krediet heeft geleverd zonder een eigendomsvoorbehoud te bedingen, lijkt dit argument ook voor het voorrecht van de onbetaalde verkoper op te gaan. Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.
Dirix 2013, p. 2.
In het Belgische recht krijgt het eigendomsvoorbehoud in 1997 een wettelijke grondslag met de invoering van art. 101 Faillissementswet (Faill.W.). Met de invoering van deze bepaling verkrijgt het eigendomsvoorbehoud derdenwerking tijdens het faillissement van de koper. Dit houdt in dat het eigendomsvoorbehoud niet meer slechts geldig is tussen de leverancier en de koper, maar ook jegens schuldeisers van de koper kan worden ingeroepen.1 Het gevolg is dat andere schuldeisers van de koper zich niet meer kunnen verhalen op de zaak, hetgeen vóór 1997 wel het geval was. De zaken werden toen geacht zich in het vermogen van de koper te bevinden, ook al had de leverancier zich de eigendom voorbehouden tot betaling van de koopprijs en was deze nog niet betaald.2
Met de invoering van art. 101 Faill.W. wilde de Belgische wetgever bereiken dat de leverancier zaken op krediet blijft leveren aan een koper die zich in financiële moeilijkheden bevindt. De leverancier kan zijn voorbehouden eigendom namelijk ook inroepen jegens andere schuldeisers van de koper en de curator, althans tijdens het faillissement van de koper. Anders dan voor 1997 wordt de leverancier nu beschermd tegen de nadelige gevolgen van dit faillissement.
Daarnaast voorkomt het eigendomsvoorbehoud dat de leverancier wordt meegesleurd in het faillissement van zijn koper en hij zijn leverancier ook niet meer kan betalen, waardoor – in de woorden van de Belgische wetgever – cascade-faillissementen van leveranciers kunnen ontstaan.3 Uiteindelijk heeft dit positieve gevolgen voor de gehele economie, omdat het bijdraagt aan de ‘vermindering van de storende gevolgen van het faillissement op de markt’.4
De Belgische wetgever was zich ervan bewust dat de invoering van art. 101 Faill.W. mogelijk negatieve gevolgen kon hebben voor de verhaalspositie van andere schuldeisers van de koper, in het bijzonder de bank. De bank kan namelijk geen pandrecht meer vestigen op de zaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd door de leverancier.5 Bij deze afweging van de belangen van de leverancier en de bank concludeert de wetgever dat deze uitvalt in het voordeel van de leverancier, omdat:
“Globaal – en vooral rekening houdend met de internationale context – de positieve effecten duidelijk [zullen] prevaleren op enkele negatieve en zal de verschuiving in de belangen ten goede komen aan diegenen die de industriële risico’s dragen.”6
De wetgever acht het billijk dat het zekerheidsrecht van de leverancier voorrang heeft boven andere schuldeisers, omdat de leverancier de zaken op krediet levert aan de koper en het risico loopt dat de koopprijs niet wordt betaald. De voorbehouden eigendom is ‘inherent’ aan de gefinancierde transactie.7 Tot slot stelt de wetgever dat banken ook voordeel hebben van de versterkte zekerhedenpositie van leveranciers. Leveranciers worden namelijk minder beïnvloed door faillissementen van hun afnemers, met positieve gevolgen voor banken die krediet verstrekken aan leveranciers.
Met de invoering van de Pandwet op 1 januari 2018 is de regeling van het eigendomsvoorbehoud verplaatst van de Faillissementswet naar het Belgisch Burgerlijk Wetboek.8 De Belgische wetgever beoogt met deze wijzigingen de positie van de kredietverstrekkende leverancier te versterken.9 Door het eigendomsvoorbehoud te verplaatsen naar het BW staat vast dat de leverancier zich zowel tijdens als buiten het faillissement van zijn koper kan beroepen op zijn eigendomsvoorbehoud jegens derden.10 Daarnaast verkrijgt het eigendomsvoorbehoud superprioriteit (art. 58 Pandwet). Dit houdt in dat het eigendomsvoorbehoud voorrang heeft boven andere zekerheidsrechten op dezelfde zaken, ook als deze rechten eerder in tijd zijn gevestigd.
Dit lijkt een overbodige bepaling, omdat het eigendomsvoorbehoud tot gevolg heeft dat de leverancier eigenaar blijft van de zaken en de koper hierop geen zekerheidsrechten ten gunste van andere schuldeisers kan vestigen. De bepaling moet echter worden gezien in het licht van de functionele benadering die ten grondslag ligt aan de Pandwet. Deze benadering houdt in dat zekerheidsfiguren die in economisch of maatschappelijk opzicht een vergelijkbare functie vervullen, dezelfde inhoud en rechtsgevolgen moeten krijgen ook al berusten zij op verschillende juridische grondslagen.11 Bij een functionele benadering gaat de wet dus niet uit van een conceptuele, maar van een rationele en geïntegreerde behandeling van zakelijke zekerheidsrechten.12
Deze benadering heeft tot gevolg dat op het eigendomsvoorbehoud en het pandrecht dezelfde bepalingen van toepassing zijn vanwege hun vergelijkbare zekerheidsfunctie. Hierom geldt onder meer dat zij in beginsel rang nemen naar het moment van totstandkoming c.q. vestiging op grond van de prioriteitsregel. De Pandwet maakt op deze regel een uitzondering door aan het eigendomsvoorbehoud superprioriteit te verbinden (art. 58 Pandwet).
Uit de memorie van toelichting volgt dat deze superprioriteit door de wetgever noodzakelijk wordt geacht om de leverancier zaken op krediet te (kunnen) laten leveren en te laten blijven leveren als het financieel minder gaat met de koper.13 Zou de leverancier geen zekerheidsrecht met superprioriteit verkrijgen, dan zal hij minder of helemaal geen zaken meer op krediet kunnen of willen leveren aan zijn koper.Dit heeft negatieve gevolgen voor de onderneming van de koper en kan zelfs de continuïteit van zijn onderneming in gevaar brengen.14 Het verbinden van superprioriteit aan het eigendomsvoorbehoud bevordert de verlening van leverancierskrediet. Dit stimuleert de handel en leidt tot economische groei. Dit is in lijn met de algemene doelstelling van de Pandwet om ‘bij te dragen tot een verruiming van de kredietmogelijkheden van ondernemingen en gezinnen om zodoende de economische groei te ondersteunen.’15