NJB 2020/2818:Het in een hawalabankierenzaak ‘uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener’, art. 2:3a lid 1 Wft: daarvan is sprake als de verdachte zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten bestaande uit het uitvoeren van geldtransfers waarbij geldbedragen worden overgemaakt en/of geldmiddelen worden ontvangen en beschikbaar gesteld, zoals bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn 2007/64/EG. Voor het verrichten van een betaaldienst in de vorm van een geldtransfer als bedoeld in laatstgenoemde bepaling is niet vereist dat het desbetreffende geldmiddel op enig moment giraal wordt overgemaakt. In casu is sprake van hawalabankieren: buiten het ‘formele geldcircuit’ werden in grensoverschrijdend verband zonder gebruikmaking van betaalrekeningen, door derden ingebrachte geldbedragen elders contant betaalbaar gesteld aan door die derden beoogde begunstigden. Het hof kon dan ook oordelen dat de handelwijze kan worden aangemerkt als het uitvoeren van geldtransfers in de zin van de Richtlijn 2007/64/EG en dat aldus sprake is geweest van het uitoefenen van het ‘bedrijf van betaaldienstverlener’ als bedoeld in art.2:3a lid 1 Wft.