HR, 18-11-2011, nr. 10/01815
ECLI:NL:HR:2011:BS1684
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2011
- Zaaknummer
10/01815
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BS1684
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BS1684, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑2011; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2010:BL5742, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BS1684
ECLI:NL:PHR:2011:BS1684, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑09‑2011
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2010:BL5742
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BS1684
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑11‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. IPR. Toepasselijk huwelijksvermogensrecht.
18 november 2011
Eerste Kamer
nr. 10/01815
RM/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 92386 ES RK 08-215 van de rechtbank Almelo van 5 maart 2008, 28 mei 2008, 19 november 2008 en 11 maart 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.041.233 van het gerechtshof Arnhem van 2 februari 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 november 2011.
Conclusie 02‑09‑2011
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1.
De partijen in deze procedure, hierna: de man en de vrouw, zijn op 29 juli 1980 te Igdeli Köyü (Turkije) met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 5 maart 2008 heeft de rechtbank Almelo op verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.
Ten aanzien van het nevenverzoek van de vrouw tot het treffen van een voorziening met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft de rechtbank bij de echtscheidingbeschikking overwogen dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Turkse recht van toepassing is als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting. De rechtbank heeft voorts overwogen dat tot 1 januari 2002 het Turkse wettelijk huwelijksgoederenstelsel de algehele scheiding van goederen inhield en dat het er dus voor gehouden moet worden dat er tot 1 januari 2002 van enige huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen geen sprake is.
3.
Bij vervolgbeschikking van 19 november 2008 heeft de rechtbank overwogen dat partijen de in 1995 aangekochte echtelijke woning aan [a-straat] te [plaats] in mede-eigendom hebben verkregen. Uit de stellingen van partijen heeft de rechtbank begrepen dat partijen niet enkel wensen dat de gevolgen van de echtscheiding met betrekking tot hun huwelijksvermogensregime worden geregeld, maar dat ook de overige tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen (zoals die met betrekking tot de echtelijke woning) dienen te worden verdeeld. Daarop is volgens de rechtbank Nederlands recht van toepassing, nu een en ander niet wordt bepaald door het huwelijksvermogensregime (beschikking d.d. 19 november 2008, blz. 2).
4.
Op het door de man ingestelde hoger beroep tegen (onder meer) de beschikking van de rechtbank d.d. 19 november 2008 heeft het gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 2 februari 2010 (onder meer) overwogen:
‘De voormalige echtelijke woning
4.5
Vast staat dat partijen in 1995 gezamenlijk een woning in Nederland hebben gekocht. Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man erkend dat terzake van deze woning een beperkte gemeenschap naar Nederlands recht is ontstaan. (…).
4.6
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht goederenrecht, voor zover hier van belang, wordt het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt. Het hof is op grond van deze bepaling, evenals de rechtbank, van oordeel dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is (…).’
5.
De man heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) cassatie ingesteld met één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
6.
Het middel bestrijdt de zojuist aangehaalde r.o. 4.6 in de beschikking van het hof als onjuist. Samengevat betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat erfrechtelijke en huwelijksvermogensrechtelijke kwesties met betrekking tot onroerende zaken volgens Nederlands internationaal privaatrecht niet worden beheerst door de lex rei sitae-regel, doch ingevolge het zogenaamde eenheidsstelsel door de verwijzingsregel voor respectievelijk het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht. Het hof heeft daarom ten onrechte Nederlands in plaats van Turks recht toepasselijk geoordeeld op de verdeling van de voormalige echtelijke woning, aldus het middel.
7.
Het middel kan om verschillende redenen geen doel treffen.
8.
In de eerste plaats kan het middel geen doel treffen, omdat het oordeel van het hof dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is, in overeenstemming is met het in hoger beroep ingenomen standpunt van de man. Het hof heeft immers onbestreden in cassatie in r.o. 4.5 van zijn beschikking overwogen dat de advocaat van de man ter mondelinge behandeling heeft erkend dat terzake van de voormalige echtelijke woning een beperkte gemeenschap naar Nederlands recht is ontstaan.
9.
Bovendien kan het middel geen doel treffen, omdat het bestreden oordeel van het hof juist is. In cassatie staat vast dat op grond van het toepasselijke Turkse huwelijksvermogensrecht tussen partijen vanaf de huwelijkssluiting in 1980 tot 1 januari 2002 geen huwelijksgoederengemeenschap bestond. Voorts staat in cassatie vast dat partijen de voormalige in Nederland gelegen echtelijke woning gezamenlijk in 1995 hebben gekocht. Uit dit een en ander vloeit voort dat de voormalige echtelijke woning geen deel uitmaakt van een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen en dat, nu de woning in Nederland is gelegen, het goederenrechtelijke regime met betrekking tot de woning krachtens de in art. 2 lid 1 van de Wet conflictenrecht goederenrecht (Wet van 25 februari 2008, Stb. 70) neergelegde lex rei sitae-regel wordt bepaald door het Nederlandse recht. Het hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is.
10.
Anders dan het middel kennelijk wil betogen, doet het zogenoemde eenheidsstelsel in het huwelijksvermogensrecht hieraan niet af. Het eenheidsstelsel betreft de vraag of bij de aanwijzing van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht onderscheid moet worden gemaakt tussen roerende en onroerende zaken. Volgens het eenheidsstelsel is dat niet het geval. Vgl. I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, Deel 7, 3e dr. 2010, nr. 98. Het eenheidsstelsel brengt echter niet mee dat ten aanzien van de aanwijzing van het toepasselijke goederenrecht op door de echtgenoten (gezamenlijk of privé) verworven zaken die buiten de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vallen, de lex rei sitae-regel wordt uitgeschakeld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,