HR, 25-04-2014, nr. 14/00800
ECLI:NL:HR:2014:1012
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
25-04-2014
- Zaaknummer
14/00800
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1012, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑04‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:195, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:195, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1012, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑04‑2014
Partij(en)
25 april 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00800
LZ/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C09/09/256 R van de rechtbank Den Haag van 12 september 2013;
b. het arrest in de zaak 200.133.905/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het verzoek.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 25 april 2014.
Conclusie 07‑03‑2014
14/00800 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 7 maart 2014 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoekster], verzoekster tot cassatie, | |
(hierna [verzoekster]). |
1. De rechtbank te ’s-Gravenhage heeft bij vonnis van 28 april 2009 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken. Op 27 juni 2011 heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] zou niet volledig aan haar informatieverplichtingen hebben voldaan en daarnaast zou zij nieuwe schulden en een boedelachterstand hebben doen ontstaan. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij vonnis van 6 oktober 2011 de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet beëindigd, maar de looptijd ervan verlengd met twee jaar.
2 Op 7 mei 2013 heeft de rechter-commissaris opnieuw een voordracht tot tussentijdse beëindiging gedaan. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [verzoekster] een boedelachterstand en een nieuwe schuld heeft doen ontstaan. De voordracht is ter zitting van 29 augustus 2013 mondeling behandeld. Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden teneinde [verzoekster] in de gelegenheid te stellen een ‘geldschieter’ te vinden om de boedelachterstand, met inbegrip van de achterstand in de reguliere boedelafdrachten, en de nieuwe schulden in te lopen. Bij vonnis van 12 september 2013 heeft de rechtbank Den Haag de voordracht van de rechter-commissaris gegrond verklaard en de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] beëindigd.
3 [verzoekster] is op 18 september 2013 tegen dit vonnis in hoger beroep opgekomen. Zij heeft zich onder meer en kort gezegd op het standpunt gesteld dat de boedelafdrachtverplichting niet geldt gedurende de verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 4 februari 2014 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. In rov. 4 van ’s hofs arrest is dit oordeel als volgt gemotiveerd:
“4. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is
uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspanningen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende. [verzoekster] had een boedelachterstand laten ontstaan waarop door de rechtbank 's-Gravenhage op 6 oktober 2011 de looptijd van de schuldsaneringsregeling met twee jaar is verlengd teneinde de boedelachterstand in te lopen. Desalniettemin is de boedelachterstand in die verlenging verder opgelopen tot € 10.559,24, zo blijkt uit de brief van de bewindvoerder van 20 januari 2014. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] de stelling dat dit is veroorzaakt door het misverstand dat zij ervan uit ging en mocht gaan dat zij geen reguliere afdrachten meer hoefde te doen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit de brief van de bewindvoerder van 17 januari 2014 blijkt immers dat ook wanneer [verzoekster] in haar redenering wordt gevolgd, er thans een boedelachterstand is. Gebruikelijk in de schuldsaneringsregeling is dat bij een verlenging, die gezien moet worden als een uitzonderlijke laatste mogelijkheid om tot een schone lei te komen en waarbij de baten ten behoeve van schuldeisers dienen te komen, de reguliere afdracht blijft bestaan, in ieder geval tot het moment waarop de schuldsaneringsregeling zonder verlenging zou zijn beëindigd. Het misverstand komt daarom in ieder geval in zoverre voor haar eigen risico. Bovendien is, mocht nogmaals verlenging kunnen plaatsvinden, hetgeen niet het geval is, onvoldoende aannemelijk dat [verzoekster] de huidige boedelachterstand weer in kan lopen. Daarnaast is er tijdens de regeling een nieuwe schuld ontstaan aan [A]Gerechtsdeurwaarders (inzake Zorg & Zekerheid) voor een bedrag van (thans) € 1.675,63. Niet aannemelijk is geworden dat deze schuld [verzoekster] niet kan worden toegerekend en evenmin dat zij deze op wat voor wijze weer kan inlopen.
Voorts stelt de bewindvoerder dat [verzoekster] niet volledig heeft voldaan aan de informatieverplichting. Zo ontbreken volgens de laatste stand van zaken van de bewindvoerder van 17 januari 2014 over de jaren 2013 en 2014 nog inkomstenspecificaties, bankafschriften, specificaties zorg- en huurtoeslag, een specificatie kindgebondenbudget, een specificatie ontvangen voorlopige teruggaaf, een ziektekostenpolis en een specificatie te betalen huur. Het hof is daarom van oordeel dat [verzoekster] tekort is geschoten in haar informatieplicht.
De voornoemde tekortkomingen - zowel tezamen als afzonderlijk - rechtvaardigen de tussentijdse beëindiging van de regeling.”
4 Bij verzoekschrift van 11 februari 2014 heeft [verzoekster] tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest.
5 Het cassatiemiddel, dat twee onderdelen omvat, komt op tegen de beoordeling door het hof van de drie geconstateerde tekortkomingen, te weten (i) de boedelachterstand, (ii) het doen ontstaan van een nieuwe schuld en (iii) de niet nakoming van de informatieverplichting. Onderdeel 1 klaagt tegen ’s hofs oordeel over (i) en (ii), terwijl onderdeel 2 zich keert tegen de beoordeling van (iii).
6 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Onderdeel 2, dat klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op Zoutenbiers verweer dat de tekortkoming in de nakoming van de informatieverplichting haar niet kan worden toegerekend danwel gezien haar bijzondere aard buiten beschouwing moet blijven, is tevergeefs voorgesteld omdat het bedoelde verweer blijkens de inhoud van het beroepschrift van 18 september 2013 (vgl. randnummers 2.1 t/m 2.9) betrekking had op de boedelachterstand en niet op de informatieverplichting. Nu het bestreden oordeel zelfstandig wordt gedragen door tekortkoming (iii), heeft [verzoekster] geen belang meer bij bespreking van onderdeel 1. Daarin was onder meer de vraag opgeworpen of de boedelafdrachtverplichting blijft bestaan gedurende de verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling. Deze kwestie moet thans onbesproken blijven.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het verzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G