Mijns inziens is hier evident sprake van een kennelijke verschrijving van de verbalisant. Abusievelijk is als jaartal 2006 vermeld in plaats van 2007. Dat de verbalisant het over de onderhavige zaak heeft, waarvoor thans herziening is gevraagd, blijkt wel uit de correcte weergave van het parketnummer van de zaak.
HR, 21-12-2010, nr. 10/02573 H
ECLI:NL:HR:2010:BO6399
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
21-12-2010
- Zaaknummer
10/02573 H
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BO6399
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BO6399, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 21‑12‑2010; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO6399
ECLI:NL:PHR:2010:BO6399, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑11‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO6399
- Vindplaatsen
Uitspraak 21‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvrage gegrond.
21 december 2010
Strafkamer
Nr. 10/02573 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 6 juni 2008, nummer 10/642900-07, ingediend door mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" gepleegd resp. in de periode 19 juni 2006 tot en met 19 januari 2007 en op 19 januari 2007 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als bijlagen bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd:
(i) een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:29 uur ontving ik een email van [betrokkene 1], de medewerkster van de PI Ter Apel. In de email stond het parketnummer 10-642900/07 vermeld en een foto van [aanvrager].
Op 6 oktober 2009 omstreeks 13:35 uur nam ik telefonisch contact op met het Openbaar Ministerie om na te gaan aan welke zaak het voornoemde parketnummer was gekoppeld. Uit de verstrekte informatie bleek dat het parketnummer was gekoppeld aan het dossier waarin ik een persoon genaamd [aanvrager] had aangehouden.
Ik zag dat de persoon op de foto, die mij per email was toegezonden door de medewerkster, [betrokkene 1], van de PI Ter Apel, niet de persoon was, die ik in 2006 (de Hoge Raad leest: 2007) had aangehouden ter zake een gepleegd strafbaar feit. Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:46 stelde ik de zaaksofficier van Justitie van mijn bevindingen op de hoogte. Direct hierop werd de executieofficier van Justitie op de hoogte gesteld van mijn bevindingen door de zaaksofficier van Justitie."
(ii) een brief van de Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket Rotterdam van 13 november 2009, gericht aan de aanvrager, met als kenmerk parketnummer 10-642900-07 en als onderwerp "Kennisgeving sepot", voor zover inhoudende:
"Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt.
Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:
u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt.
Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij
a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door het feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen.
De officier van justitie."
4.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van aanhouding van 22 januari 2007, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
"Op vrijdag 19 januari 2007 (...) hebben wij op het [a-straat] ter hoogte van nummer [001], [0000 BB plaats], aangehouden:
Verdachte
Naam: [aanvrager] (man)
Voornamen: [aanvrager]
Geboren te: [geboorteplaats]
Geboren op: [geboortedatum]1964
Geboorteland: Suriname
Nationaliteit: Surinaamse
Adres: [b-straat 1]
Plaats: [0000 AA plaats]
Reden aanhouding
Op heterdaad en op grond van artikel 2/1/B Opiumwet.
(...)."
4.3. De inhoud van de hiervoor weergegeven stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat in de zaak die leidde tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van persoonsverwisseling, in die zin dat de op 19 januari 2007 aangehouden persoon zich voor de aanvrager heeft uitgegeven.
4.4. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
de Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 6 juni 2008;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 21 december 2010.
Conclusie 23‑11‑2010
Mr. Aben
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
Aanvrager tot herziening is bij onherroepelijk vonnis van 6 juni 2008 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam wegens 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ en 2. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, gepleegd resp. in de periode van 19 juni 2006 tot en met 19 januari 2007 en op 19 januari 2007, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2.
De aanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam.
3.
De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder 2o Sv, aangezien zich een persoonsverwisseling heeft voorgedaan.
4.
Ter staving van de gestelde persoonsverwisseling zijn bij de aanvrage onder meer de volgende stukken overgelegd:
- a)
een proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2009, onder meer —voor zover van belang— inhoudende als relaas/bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1]:
‘Op 8 oktober 2009 omstreeks 10:00 uur kwam ik in het bezit van het opgemaakte callbericht.
In het callbericht stond vermeld:
‘Opsporing D3.
[Betrokkene 2] belt namens [aanvrager], [geboortedatum]1964. [aanvrager] verblijft momenteel in PI Ter Apel. [Aanvrager] had [betrokkene 2] de naam van collega [betrokkene 3] opgegeven. [Aanvrager] wil graag spreken met iemand van de recherche, die met zijn zaak bezig is geweest en verzoekt of er contact kan worden opgenomen met de PI Ter Apel.’
Het opgemaakte callbericht kwam in mijn bezit gezien het feit dat uit een onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem, xpol, bleek dat ik stond gekoppeld als verbalisant aan een registratie waarin een persoon genaamd [aanvrager] als verdachte was aangemerkt. In 20061. was ik namelijk betrokken bij een onderzoek waarbij een persoon, genaamd [aanvrager] was aangehouden als verdachte. Nadat het onderzoek was afgerond werd het dossier, waarin [aanvrager] als verdachte was aangemerkt, aangeboden bij het Openbaar Ministerie.
Op 8 oktober 2009 nam ik telefonisch contact op met [betrokkene 2]. Nadat er een verbinding tot stand was gekomen maakte ik mij kenbaar als zijnde een opsporingsambtenaar van de politie te Rotterdam. [betrokkene 2] deelde mij mede dat [aanvrager] momenteel was gedetineerd in de PI Ter Apel. zij deelde mij verder mede dat [aanvrager] onterecht vast zou zitten voor een feit, welke hij niet had gepleegd. Zij kon mij niet mededelen voor welk feit [aanvrager] momenteel was ingesloten in de PI Ter Apel. Zij kon mij ook geen parketnummer mededelen.
Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:00 uur nam ik telefonisch contact op met de PI in Ter Apel. Ik maakte mij kenbaar als zijnde een opsporingsambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond.
Ik werd te woord gestaan door [betrokkene 1], een medewerkster van de PI Ter Apel.
Ik verzocht [betrokkene 1] om mij een foto te sturen van [aanvrager], die op dat moment mogelijk onterecht was geplaatst in de PI. Tevens verzocht ik [betrokkene 1] of ik in het bezit kon komen van het parketnummer van de zaak, waarvoor [aanvrager] was geplaatst in de PI.
Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:29 uur ontving ik een email van [betrokkene 1], de medewerkster van de PI Ter Apel. In de email stond het parketnummer 10-642900/07 vermeld en een foto van [aanvrager].
Op 6 oktober 2009 omstreeks 13:35 uur nam ik telefonisch contact op met het Openbaar Ministerie om na te gaan aan welke zaak het voornoemde parketnummer was gekoppeld. Uit de verstrekte informatie bleek dat het parketnummer was gekoppeld aan het dossier waarin ik een persoon genaamd [aanvrager] had aangehouden.
Ik zag dat de persoon op de foto, die mij per email was toegezonden door de medewerkster, [betrokkene 1], van de PI Ter Apel, niet de persoon was, die ik in 20062. had aangehouden ter zake een gepleegd strafbaar feit. Op 8 oktober 2009 omstreeks 13:46 stelde ik de zaaksofficier van Justitie van mijn bevindingen op de hoogte. Direct hierop werd de executieofficier van Justitie op de hoogte gesteld van mijn bevindingen door de zaaksofficier van Justitie.’
- b)
een brief van 13 november 2009 geadresseerd aan aanvrager afkomstig van de officier van justitie te Rotterdam, betreffende een ‘sepotbeslissing’3., houdt het volgende in:
‘Datum: 13 november 2009
Ons kenmerk: 10-642900-07/RA/SBAP
Onderwerp: Kennisgeving sepot
Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt. Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:
u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt.
Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij
- a.
ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
- b.
het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door het feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen.’
- c)
het proces-verbaal van verhoor van de destijds aangehouden verdachte van 19 januari 2007, met proces-verbaalnummer 2006404118-42, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], resp. brigadier en hoofdagent van Politie Rotterdam-Rijnmond, waaruit niet blijkt of en zo ja op welke wijze de identiteit van de verdachte is geverifieerd (bijv. aan de hand van een geldig legitimatiebewijs).4. De verdachte die door de politie werd aangehouden heeft opgegeven te zijn: ‘[aanvrager], geboren te: [geboorteplaats], geboortedatum: [geboortedatum]1964, adres: [b-straat 1], [0000 BB plaats].’ Op de vraag waar verdachtes post van politie dan wel justitie naar toe kan worden gestuurd, is als adres [c-straat 1], [0000 CC] te [plaats], opgegeven.5.
5.
Op grond van de hiervoor weergegeven stukken volgt dat de destijds aangehouden persoon, die verdacht werd van drugsdelicten, kennelijk zonder zich te hoeven legitimeren, gebruik heeft gemaakt van de identiteit van aanvrager. Voorts heeft de verbalisant [verbalisant 1] vastgesteld dat de foto van aanvrager niet overeenkomt met de persoon die hij destijds heeft aangehouden. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van [verbalisant 1] bevestigd dat aanvrager ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Deze omstandigheden vormen sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
Een en ander doet het ernstige vermoeden rijzen dat de politierechter bij bekendheid met deze feiten en omstandigheden de aanvrager zou hebben vrijgesproken.
6.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak op de voet van art. 467 lid 1 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.6.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑11‑2010
Zie mijn opmerking onder voetnoot 1.
Ik merk ten overvloede op dat de officier van justitie in dit stadium — in aanmerking genomen het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van 6 juni 2008 — niet tot de beoogde sepotbeslissing had kunnen komen. Bij een gegrondverklaring van deze aanvraag tot herziening zal de zaak opnieuw moeten worden behandeld en afgedaan.
Evenmin blijkt dat dit is gebeurd bij de aanhouding van de verdachte. Zie het in het dossier bevindende proces-verbaal van aanhouding, met proces-verbaalnummer 2006404118-40, opgemaakt op 22 januari 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], resp. hoofdagent en brigadier van Politie Rotterdam-Rijnmond.
Hierbij merk ik op dat de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting bij de politierechter van 6 juni 2008, blijkens de akte van uitreiking, tevergeefs is aangeboden op het GBA-adres van aanvrager ([b-straat 1], [0000 BB] te [plaats]) en niet op het opgegeven postadres ([c-straat 1], [0000 CC] te [plaats]). De akte heeft men niet in persoon kunnen uitreiken. De verdachte is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting aldaar niet verschenen.
Vgl. o.m. HR 9 december 2008, LJN BG6299 en HR 7 april 2009, LJN BH9954.