Het middel betreft dezelfde problematiek als in de zaak onder nummer 16/00778 waarin ik vandaag ook zal concluderen.
HR, 11-04-2017, nr. 15/05847
ECLI:NL:HR:2017:658
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-04-2017
- Zaaknummer
15/05847
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:658, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑04‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:252, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:252, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑02‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:658, Gevolgd
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0190
NbSr 2017/190
Uitspraak 11‑04‑2017
Inhoudsindicatie
Art. 344a.3 Sv. Schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd de in een p-v van de verbalisant opgenomen verklaring van een onbekend gebleven man. Het tot bewijs gebezigde p-v moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid a.b.i. art. 344a.3 Sv. Het Hof heeft dat miskend en i.s.m. art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel in zoverre nader te motiveren. Ex art. 360.4 Sv is nietigheid het gevolg. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
11 April 2017
Strafkamer
nr. S 15/05847
MD/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 10 november 2015, nummer 23/002323-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM en art. 344a, derde lid, Sv, en in afwijking van een in dat verband door de verdediging gevoerd verweer, voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, zonder dat gebruik naar de eis der wet te motiveren.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:
"Een proces-verbaal met nummer 2013220935-1 van 7 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant].
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op 7 september 2013 bevond ik mij op de Gordijnensteeg te Amsterdam. Ik zag de mij ambtshalve bekende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967, een mij onbekend gebleven man aanspreken. Ik zag dat verdachte [verdachte] dit op een zeer onvriendelijke manier deed. Ik zag dat [verdachte] dicht tegen de man aan ging staan en hem met zijn vinger in zijn borst prikte. Ik zag de onbekend gebleven persoon hier duidelijk van schrikken. Ik zag dat de onbekend gebleven persoon verdachte [verdachte] probeerde weg te duwen maar dat [verdachte] constant dichtbij de man bleef staan en zich bleef opdringen. Ik zag dat de onbekend gebleven man uiteindelijk wegliep in de richting van de Oudezijds Achterburgwal. Ik sprak de man aan en legitimeerde me als politieambtenaar. Ik hoorde de man verklaren dat verdachte [verdachte] hem drugs wilde aanbieden en dat de man dat moest kopen. Op 7 september 2013 hield ik de verdachte [verdachte] aan. Tijdens het onderzoek aan de kleding trof ik één of meerdere voor inbeslagname vatbare goederen aan: 3 wikkels met daarin een wit poeder gelijkend op cocaïne, 5 pillen."
2.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"De raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van een situatie zoals is bedoeld in artikel 344a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat niet aan de wettelijke vereisten omtrent de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, is voldaan. Op grond hiervan dient volgens de raadsvrouw vrijspraak te volgen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsvrouw dient te worden verworpen.
Het hof overweegt dat het hiervoor weergegeven bewijsmiddel geen schriftelijk bescheid betreft houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, maar een ambtsedig proces-verbaal waarin de verbalisant zijn eigen waarnemingen relateert, waaronder hetgeen hij heeft gezien met betrekking tot de onbekend gebleven persoon en hetgeen hij die persoon heeft horen zeggen. Er is derhalve geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 344a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het verweer van de raadsvrouw wordt op die grond verworpen."
2.2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voorts in:
"De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik verzoek de onbekend gebleven persoon, die in het proces-verbaal van 7 september 2013 wordt genoemd, op te roepen als getuige, in verband met het bepaalde in artikel 344a, derde lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Ik heb geen gegevens van deze persoon.
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Het verzoek van de raadsvrouw had voorafgaand aan de terechtzitting dienen te worden aangekondigd. Zowel de Hoge Raad als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vergt een actieve bijdrage van de procesdeelnemers. In het proces-verbaal van 7 september 2013 zijn geen gegevens weergegeven van de onbekend gebleven persoon en het is daarom niet mogelijk deze persoon als getuige op te roepen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Indien uw hof van oordeel is dat het verzoek van de raadsvrouw gehonoreerd moet worden dan verzoek ik nader onderzoek in te laten stellen naar de identiteit van deze persoon.
De voorzitter gelast een korte onderbreking van de terechtzitting voor beraadslaging.
De terechtzitting wordt hervat.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het verzoek om de onbekend gebleven persoon als getuige te doen oproepen wordt afgewezen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het achterhalen van de identiteit van deze persoon opdat hij als getuige kan worden opgeroepen. Oproeping is daarom zinloos, omdat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen."
2.3.
Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI: NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526).
2.4.
Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd de, in het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven proces-verbaal van de verbalisant opgenomen en in zoverre door het Hof niet van het bewijs uitgesloten, verklaring van een onbekend gebleven man. Het Hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting vastgesteld dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor het achterhalen van de identiteit van die man. Gelet daarop, en anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan die verklaring bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan als de verklaring van een persoons wiens identiteit niet blijkt. Het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van de verbalisant moet daarom in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Het Hof heeft dat miskend en in strijd met art. 360, eerste lid, Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel in zoverre nader te motiveren. Dit leidt ingevolge art. 360, vierde lid, Sv tot nietigheid.
2.5.
Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017.
Conclusie 28‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Art. 344a.3 Sv. Schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd de in een p-v van de verbalisant opgenomen verklaring van een onbekend gebleven man. Het tot bewijs gebezigde p-v moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid a.b.i. art. 344a.3 Sv. Het Hof heeft dat miskend en i.s.m. art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel in zoverre nader te motiveren. Ex art. 360.4 Sv is nietigheid het gevolg. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Nr. 15/05847 Zitting: 28 februari 2017 (bij vervroeging) | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 10 november 2015 door het hof Amsterdam wegens “overtreding van art. 2.7, tweede lid, van de APV Amsterdam”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 325, subsidiair 6 (zes) dagen hechtenis met een proeftijd van 1 (een) jaar.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Ten laste van verdachte is door het hof in het bestreden arrest bewezen verklaard dat:
5. Het hof heeft zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan gegrond op de feiten en omstandigheden vervat in het navolgende bewijsmiddel:
“Een proces-verbaal met nummer 2013220935-1 van 7 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op 7 september 2013 bevond ik mij op de Gordijnensteeg te Amsterdam. Ik zag de mij ambtshalve bekende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967, een mij onbekend gebleven man aanspreken. Ik zag dat verdachte [verdachte] dit op een zeer onvriendelijke manier deed. Ik zag dat [verdachte] dicht tegen de man aan ging staan en hem met zijn vinger in zijn borst prikte. Ik zag de onbekend gebleven persoon hier duidelijk van schrikken. Ik zag dat de onbekend gebleven persoon verdachte [verdachte] probeerde weg te duwen maar dat [verdachte] constant dichtbij de man bleef staan en zich bleef opdringen. Ik zag dat de onbekend gebleven man uiteindelijk wegliep in de richting van de Oudezijds Achterburgwal. Ik sprak de man aan en legitimeerde me als politieambtenaar. Ik hoorde de man verklaren dat verdachte [verdachte] hem drugs wilde aanbieden en dat de man dat moest kopen. Op 7 september 2013 hield ik de verdachte [verdachte] aan. Tijdens het onderzoek aan de kleding trof ik één of meerdere voor inbeslagname vatbare goederen aan: 3 wikkels met daarin een wit poeder gelijkend op cocaïne, 5 pillen.”
6. Het arrest bevat de volgende bijzondere overweging over het bewijs:
“De raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van een situatie zoals is bedoeld in artikel 344a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat niet aan de wettelijke vereisten omtrent de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, is voldaan. Op grond hiervan dient volgens de raadsvrouw vrijspraak te volgen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsvrouw dient te worden verworpen.
Het hof overweegt dat het hiervoor weergegeven bewijsmiddel geen schriftelijk bescheid betreft houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, maar een ambtsedig proces-verbaal waarin de verbalisant zijn eigen waarnemingen relateert, waaronder hetgeen hij heeft gezien met betrekking tot de onbekend gebleven persoon en hetgeen hij die persoon heeft horen zeggen. Er is derhalve geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 344a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het verweer van de raadsvrouw wordt op die grond verworpen.”
7. Anders dan het hof meen ik dat het proces-verbaal van de verbalisant voor zover het inhoudt dat de verbalisant een man hoorde verklaren dat verdachte [verdachte] hem drugs wilde aanbieden en dat de man dat moest kopen, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, eerste lid, Sv. Bovendien blijkt niet dat het gaat om een persoon wiens persoonsgegevens niet volledig zijn vermeld in het proces-verbaal waarin de verklaring is opgenomen, maar van wie vaststaat dat hij wel zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdachte desgewenst het verhoor van de getuige kan verzoeken.2.
8. Gelet hierop was het hof gehouden het gebruik van het bewijsmiddel in zoverre nader te motiveren aan de hand van de eisen van art. 344a Sv.3.In HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1453 is dit als volgt verwoord:
“Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vaststellen dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan, terwijl hij tevens ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526).”
9. Het derde lid van art 344a Sv luidt als volgt:
“Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en
b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen.”
10. Ik ga er vanuit dat het andersoortige bewijsmateriaal als bedoeld in het derde lid onder a van art. 344a Sv naast de in het bescheid opgenomen bevinding betreffende de verklaring van de getuige kan bestaan uit in dat zelfde bescheid opgenomen bevindingen die berusten op een (of meer) andere bron(nen) dan die verklaring. Andersoortig bewijsmateriaal wordt daarmee dus niet naar de letter, maar naar de inhoud uitgelegd. Het hof heeft aan de criteria onder a en b hierboven in het arrest bij de verwerping van het verweer geen woord gewijd. Van enig onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuige blijkt evenmin.
11. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 27 oktober 2015 is nog het volgende gerelateerd:
“Ik verzoek de onbekend gebleven persoon, die in het proces-verbaal van 7 september 2013 wordt genoemd, op te roepen als getuige, in verband met het bepaalde in artikel 344a, derde lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Ik heb geen gegevens van deze persoon.
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Het verzoek van de raadsvrouw had voorafgaand aan de terechtzitting dienen te worden aangekondigd. Zowel de Hoge Raad als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vergt een actieve bijdrage van de procesdeelnemers. In het proces-verbaal van 7 september 2013 zijn geen gegevens weergegeven van de onbekend gebleven persoon en het is daarom niet mogelijk deze persoon als getuige op te roepen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Indien uw hof van oordeel is dat het verzoek van de raadsvrouw gehonoreerd moet worden dan verzoek ik nader onderzoek in te laten stellen naar de identiteit van deze persoon.
De voorzitter gelast een korte onderbreking van de terechtzitting voor beraadslaging.
De terechtzitting wordt hervat.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het verzoek om de onbekend gebleven persoon als getuige te doen oproepen wordt afgewezen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het achterhalen van de identiteit van deze persoon opdat hij als getuige kan worden opgeroepen. Oproeping is daarom zinloos, omdat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”
12. Aan beide eisen van 344a, derde lid, Sv is gelet op het voorgaande niet voldaan en evenmin is enige aandacht aan de betrouwbaarheid van de getuige besteed. Gelet hierop lijkt cassatie aangewezen. Ik heb de vraag nog onder ogen gezien of verdachte belang heeft bij het middel.4.Ik durf er mijn hand niet voor het in het vuur te steken dat het hof ook tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen bij weglating van de verklaring van de getuige. Dat verdachte lastig tegen een voorbijganger was en dat hij gebruikershoeveelheden drugs bij zich had staat wel vast. Het hof zou daaraan nog kunnen toevoegen dat een en ander plaatsvond in en omgeving waarvan wel algemeen bekend is dat er wordt gedeald. Of het hof dat alles in samenhang voldoende zou hebben geoordeeld is niet duidelijk. Immers dan zou het nogal voor de hand hebben gelegen dat het hof de verklaring van de getuige uit het proces-verbaal zou hebben gestreept. Cassatie lijkt mij hier onontkoombaar. Ik wijs er daarbij nog op dat de advocaat-generaal bij het hof nader onderzoek naar de identiteit van de getuige kennelijk niet op voorhand al zinloos oordeelt.
13. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot terugwijzing van de zaak naar het hof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑02‑2017
Zie HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010, BM9774, NJ 2011/451 m.nr. Reijntjes, HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:CA3300, NJ 2013/370 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:230, NJ 2014/430 m.nt. Reijntjes. Het hof wees het verzoek de getuige te horen af en overwoog: “Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het achterhalen van de identiteit van deze persoon opdat hij als getuige kan worden opgeroepen.”
Zie reeds HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:ZD1460, NJ 1999/526 en recenter HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:BX6752 en HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:BU6913, NJ 2012/413 m.nt. Borgers.
Vgl. HR 5 juli 2016: ECLI:NL:HR:1453.