GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.1:4.1 Uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden tot nauw verbonden rechtspersonen
GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.1
4.1 Uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden tot nauw verbonden rechtspersonen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. A.J. van Wees, actueel t/m 01-03-2020
Actueel t/m
01-03-2020
Tijdvak
01-01-2013 tot: -
Auteur
mr. A.J. van Wees
Vindplaats
GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.1
Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Deze bevoegdheid moet worden onderscheiden van de concernenquête zoals deze wordt besproken bij artikel 2:346 en 347 BW. De machtiging die de Ondernemingskamer aan de onderzoeker kan verlenen op grond van 2:351 lid 2 BW reikt minder ver. De machtiging maakt de nauw verbonden rechtspersoon niet tot voorwerp van onderzoek, maar stelt de onderzoeker alleen in staat kennis te nemen van gegevens die nodig kunnen zijn om zich een juist beeld van het beleid en de gang van zaken van de onderzochte rechtspersoon te krijgen, terwijl die gegevens zich bevinden bij andere rechtspersonen die nauw verbonden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.1
4.1 Uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden tot nauw verbonden rechtspersonen
mr. A.J. van Wees, actueel t/m 01-03-2020
01-03-2020
01-01-2013 tot: -
mr. A.J. van Wees
GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.1
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
rechtspersonenrecht
enquêterecht (rechtspersoon)
ondernemingsrecht
bijzondere rechtspleging
rechtspersoon
Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 351
Deze bevoegdheid moet worden onderscheiden van de concernenquête zoals deze wordt besproken bij artikel 2:346 en 347 BW. De machtiging die de Ondernemingskamer aan de onderzoeker kan verlenen op grond van 2:351 lid 2 BW reikt minder ver. De machtiging maakt de nauw verbonden rechtspersoon niet tot voorwerp van onderzoek, maar stelt de onderzoeker alleen in staat kennis te nemen van gegevens die nodig kunnen zijn om zich een juist beeld van het beleid en de gang van zaken van de onderzochte rechtspersoon te krijgen, terwijl die gegevens zich bevinden bij andere rechtspersonen die nauw verbonden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.