NJB 2021/1335:Beëindiging van de voorlopige hechtenis in verband met de einduitspraak in eerste aanleg: de wet bepaalt daarover slechts dat de rechtbank ‘een bevel tot voorlopige hechtenis’, dus ook een geschorst bevel tot bewaring, dient op te heffen in de gevallen als bedoeld in art. 72 lid 3 en lid 4 Sv. Een geschorst bevel tot bewaring eindigt dus niet van rechtswege op de dag na het vonnis. Biedt de wet rechtsingang om de gevangenhouding te gelasten in het geval dat de verdachte zich in bewaring bevindt na aantekening van beroep tegen de einduitspraak? Na het instellen van hoger beroep is de hoger beroepsrechter de bevoegde instantie met betrekking tot beslissingen over de voorlopige hechtenis, dus ook over de opheffing van een schorsing van de bewaring. Art. 75 lid 1 Sv bepaalt dat bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel de verlenging daarvan na de aantekening van beroep tegen de einduitspraak worden gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. Uit deze bepaling volgt daarom dat de rechter in hoogste feitelijke aanleg een bevel gevangenhouding kan geven, ook in het uitzonderlijke geval dat een verdachte zich in dit stadium in bewaring bevindt. In het geval de bewaring van de verdachte is geschorst, heft het hof deze schorsing op alvorens het bevel tot gevangenhouding te geven, omdat uit artikel 65 lid 1 Sv volgt dat alleen van een verdachte die zich in bewaring bevindt de gevangenhouding kan worden bevolen