HR, 05-04-2024, nr. 23/04468
ECLI:NL:HR:2024:531
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2024
- Zaaknummer
23/04468
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑04‑2024
ECLI:NL:HR:2024:531, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑04‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3528
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/619
V-N 2024/17.16 met annotatie van Redactie
NLF 2024/0845 met annotatie van Wendy Nent
NTFR 2024/745 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
FED 2024/42 met annotatie van H.E. Starosciak
Viditax (FutD) 2024040509
FutD 2024-0827
Beroepschrift 05‑04‑2024
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den Bosch van 25-10-2023 met kenmerk 22/01182
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik me als gemachtigde voor belanghebbende, [X], wonende te [Z], aan de [a-straat 1], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak van het hof, zie bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 15-01-2020 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
- —
Merk: Volkswagen
- —
Type: Tiguan 2.0 TDI 4Motion Highline Business R
- —
VIN: […]
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door de firma Voertuigtaxaties.
In opdracht van de inspecteur werd een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 27-11-2020 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 09-12-2020 diende ik bezwaar in.
Op 12-04-2021 vond een hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 07-05-2021 verklaarde de inspecteur het bezwaar ongegrond.
Bij brief van 27-05-2021 diende ik beroep in.
Op 26-04-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 10-05-2022 verklaarde de rechtbank het beroep deels gegrond.
Bij brief van 09-06-2022 diende ik hoger beroep in.
Bij brief van 24-08-2022 diende de inspecteur een verweerschrift in waarbij hij tevens incidenteel hoger beroep indiende.
Bij brief van 07-09-2023 verzocht de griffier van het hof mij om te reageren op het incidentele hoger beroep, zie bijlage 2.
Bij brief van 07-09-2023 reageerde ik op het incidentele hoger beroep, zie bijlage 3.
Op 21-09-2023 vond de mondeling behandeling ter zitting plaats.
Ter zitting heeft de inspecteur zijn incidentele hoger beroep ingetrokken.
Bij uitspraak van 25-10-2023 verklaarde het hof mijn hoger beroep gegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Heeft het hof de proceskosten in de hoger beroepsfase juist vastgesteld?
3. Overwegingen
3.1. Schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep
Het hof verklaarde belanghebbendes hoger beroep gegrond. In rechtsoverweging 4.18 stelt het hof in dit kader de tegemoetkoming in de proceskosten vast op 2 punten (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Hiermee heeft het hof miskend dat ook is gereageerd op het door de inspecteur ingediende incidentele hoger beroep. Ingevolge de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, meer bijzonder onder A1, nummer 16 daarvan, levert een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep een procespunt op. Door dit over het hoofd te zien heeft het hof het recht geschonden. Ik verzoek uw college deze zaak zelf af te doen en de inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroepsfase (1 extra punt van € 837).
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van het hof partieel te vernietigen;
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroepsfase (1 extra punt van € 837);
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase.
Hoogachtend,
Uitspraak 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 8:75 Awb; Hof verzuimt punt toe te kennen voor schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04468
Datum 5 april 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2023, nr. 22/011821., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2288) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belastingen van personenauto’s.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld met klachten over de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen zoals de Rechtbank deze nader heeft vastgesteld, alsmede een klacht over de hoogte van de door de Rechtbank voor het beroep toegekende vergoeding van proceskosten. De Inspecteur heeft daarop incidenteel hoger beroep ingesteld wat betreft het oordeel van de Rechtbank over die naheffingsaanslag, maar heeft dat incidentele hoger beroep tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof ingetrokken.
2.2
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard en daarom de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 Awb veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof heeft moeten maken. Het Hof is bij de berekening van die vergoeding uitgegaan van twee proceshandelingen (hogerberoepschrift en verschijnen zitting), een gemiddeld gewicht (factor 1) en van € 837 per punt.In het feit dat belanghebbende voor het materiële geschil in het ongelijk is gesteld en uitsluitend in het gelijk is gesteld omdat de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor het beroep een onjuiste waarde per punt heeft gehanteerd, heeft het Hof aanleiding gezien om de hiervoor weergegeven vergoeding, die uitkomt op € 1.674, op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) te verminderen tot € 837.
2.3
Het middel voert aan dat het Hof bij het vaststellen van deze proceskostenvergoeding heeft nagelaten een vergoeding toe te kennen voor de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep.
2.4
Het middel slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende na incidenteel hoger beroep van de Inspecteur een schriftelijke zienswijze heeft ingediend. Het Hof had de Inspecteur ook voor die proceshandeling in de kosten moeten veroordelen.2.
2.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.6.1
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad gaat daarbij uit van drie proceshandelingen (hogerberoepschrift, verschijnen zitting en schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep), de door het Hof in aanmerking genomen factor 1 wegens het gewicht van de zaak, van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit3.voor alle drie proceshandelingen, en alleen wat betreft de vergoeding van kosten ter zake van het hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting de – in cassatie niet bestreden – door het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit toegepaste vermindering van kennelijk 50 procent.
2.6.2
Gelet op artikel IV van de Ministeriële regeling van 22 december 20234.en de op die regeling gegeven toelichting moeten de hiervoor in 2.6.1 bedoelde kosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 875 voor hoger beroep.5.
3. Proceskosten
3.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (tekst vanaf 1 januari 2024).6.
3.2
Wat betreft de toe te passen wegingsfactor heeft de Staatssecretaris in het verweerschrift in cassatie aangevoerd dat de gegrondheid van het beroep in cassatie is gelegen in het door het Hof over het hoofd hebben gezien van één proceshandeling. Daarom verzoekt hij de Hoge Raad om bij het berekenen van de tegemoetkoming in de kosten van het geding in cassatie het gewicht van de zaak te stellen op 0,25 (zeer licht) dan wel 0,5 (licht).De Hoge Raad willigt dat verzoek niet in. Voor het vaststellen van het gewicht van de zaak als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit neemt de Hoge Raad voor de cassatiefase factor 1 (gemiddeld) tot uitgangspunt. De door de Staatssecretaris aangevoerde omstandigheid geeft niet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betreft de beslissing over de vergoeding van de proceskosten voor het hoger beroep,
- draagt de Staatssecretaris op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548,
- veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.500 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑04‑2024
Vgl. HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1343, rechtsoverweging 2.4.1.
HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.
Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 december 2023, nr. 5110503, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2023, 35874.
Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.