Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.4.2
3.4.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590641:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Dat is een vordering tot overdracht en aflevering van de zaak met toebehoren (art. 7:9 lid 1 BW) die aan de koopovereenkomst beantwoordt (art. 7:17 BW) en die vrij is van alle bijzondere lasten en beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard (art. 7:15 BW). Het is ook mogelijk dat de vordering op een andere wijze is overgegaan, bijvoorbeeld als een kwalitatief recht (art. 6:251 BW) bij de overdracht van de desbetreffende zaak.
Anders: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261.
Er is sprake van 'een ander beletsel' aan de zijde van de (nieuwe) schuldeiser.
Zie hierna nr. 642-643.
Zie o.a. Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo}, art. 6:142, aant. 16.9: 'Indien de oude schuldeiser de debiteur in gebreke heeft gesteld, behoeft de nieuwe schuldeiser niet opnieuw de debiteur te sommeren.'; Van Achterberg 1999, nr. 11 (p. 18): 'Een reeds door de oude schuldeiser uitgebrachte ingebrekestelling blijft van kracht.'; Wiarda 1937, p. 325: ''Heeft de cedent den schuldenaar in gebreke gesteld, dan behoeft de cessionaris hem niet nog eens te sommeren (B.W. 1279). [ ... ] Blijft de debitor cessus na de sommatie van den cedent nalatig om zijne verplichting na te komen, dan kan de cessionaris hem na redelijke tijd zonder meer tot vergoeding van daaruit voortvloeiende kosten, schaden, interessen aanspreken.'
Zie o.a. Leerink 2007, p. 24. Ook onder het huidige BW is dit stand punt nog ingenomen, ondanks art. 6:83 sub b BW. Zie o.a. Mulder 1988, p. 69; Asser/Clausing & Wansink 5-VI 1998, nr. 323; Orion 2005, p. 167; Lindenbergh 2006, p. 325. Vgl. Van Boom 2000, par. 3.6.2. De achterliggende gedachte is (ten onrechte) dat de verzekeraar de vordering door subrogatie (over gang) zijn karakter van schadevergoedingsvordering verliest. Deze gedachte is wellicht ingegeven door de verkrijging van zelfstandige regresvorderingen. Sommige auteurs meenden (terecht) dat het vreemd zou voorkomen dat de verzekeraar wederom de schuldenaar in gebreke zou moeten stellen als deze jegens de verzekerde al in verzuim was. Zie bijvoorbeeld Schepel1970, p. 439.
Zie HR 4 februari 1972, NJ 1972, 203 (ALVM/Vonk}, m.nt. GJS.
Zie HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 142 (BAM/Winterthur}, m.nt. M.M. Mendel. Zie hierover o.a. Oskam 2007; Leerink 2007; en Asser/Wansing & Clausing 5-VI 2007, nr. 432.
Zie o.a. Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 432; en Mendel in zijn noot onder HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 142 (BAM/Winterthur).
106. Vóór de overgang van de vordering is de oude schuldeiser bevoegd om buiten rechte nakoming te vorderen van de schuldenaar en hem in gebreke te stellen; na de overgang is de nieuwe schuldeiser hiertoe bevoegd. Beide bevoegdheden maken immers onderdeel uit van het schuldeiserschap.
Is een schuldenaar niet nagekomen, en draagt de schuldeiser vervolgens zijn vordering over, dan kan de nieuwe schuldeiser nakoming eisen. Dat geldt niet alleen als de schuldenaar zijn verplichting geheel niet of niet tijdig is nagekomen (en nakoming nog mogelijk is), maar ook als de schuldenaar zijn verplichting gebrekkig is nagekomen. Heeft een verkoper bijvoorbeeld een non-conforme zaak afgeleverd, en draagt de koper zijn vordering uit hoofde van de koopovereenkomst over,1 dan kan de nieuwe schuldeiser op grond van art. 7:21 lid 1 BW aflevering van het ontbrekende (sub a), herstel van de afgeleverde zaak (sub b) of vervanging van de afgeleverde zaak (sub c) vorderen.2 Is herstel of vervanging vereist voor een correcte nakoming, dan dient de non-conforme zaak aan de verkoper te worden afgegeven, opdat deze kan voldoen aan zijn verplichting tot herstel dan wel vervanging (vgl. art. 7:21 lid 1 sub ben c BW). Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan is sprake van schuldeisersverzuim (art. 6:58 e.v. BW)3 en kan de nieuwe schuldeiser geen nakoming vorderen. De verplichting om in de tussentijd voor de zaak zorg te dragen (art. 7:29 lid 1 BW) is een verplichting uit hoofde van het schuldeiserschap en rust na de overgang op de nieuwe schuldeiser; de oude schuldeiser staat op grond van art. 6:144 lid 1 BW in voor nakoming van deze verplichting.4
107. Een tussen de oude schuldeiser en de schuldenaar overeengekomen beding met een fatale termijn of een ander beding op grond waarvan de schuldenaar van rechtswege in verzuim raakt (art. 6:83 sub a BW), bepaalt de inhoud van de vordering en gaat als nevenrecht op de nieuwe schuldeiser mee over. Na overgang van de vordering kan de nieuwe schuldeiser zich hierop beroepen.
Heeft de oude schuldeiser een ingebrekestelling uitgebracht vóór de overgang van de vordering, dan werkt de ingebrekestelling ook ten voordele van de nieuwe schuldeiser. De nieuwe schuldeiser hoeft geen nieuwe ingebrekestelling te sturen. Was de schuldenaar in verzuim jegens de oude schuldeiser voor de overgang van de vordering, dan blijft dit zo na de overgang. In de literatuur is dit algemeen aanvaard.5
108. In de verzekeringsrechtelijke literatuur over de subrogatie bij schadeverzekeringen (art. 7:962 BW, vgl. art. 284 WvK (oud)) is – in afwijking van het gestelde in de vorige alinea – lange tijd geleerd dat de verzekeraar de schuldenaar (de schadeveroorzaker) eerst in gebreke dient te stellen, alvorens hij wettelijke rente kan vorderen, óók als de verzekerde al een ingebrekestelling heeft laten uitgaan en de schuldenaar daardoor in verzuim is geraakt.6 Deze zienswijze is te herleiden tot een onjuiste lezing van het arrest ALVM/Vonk uit 1972.7 Aan deze afwijkende zienswijze is ten dele een einde gekomen door het arrest BAM/Winterthur uit 2006.8 Uit dit laatste arrest wordt afgeleid dat een ingebrekestelling door de schadeverzekeraar niet meer is vereist. De schuldenaar is vanwege art. 6:83 sub b BW van rechtswege in verzuim. Om die reden, zo wordt nu geleerd, hoeven de verzekerde en de schadeverzekeraar geen ingebrekestelling meer te laten uitgaan.9 Gaat het om de schadeverzekeraar, dan is de verwijzing naar art. 6:83 sub b BW niet nodig. Als de schuldenaar jegens de verzekerde (de oude schuldeiser) in verzuim is, is hij dit ook jegens de verzekeraar (de nieuwe schuldeiser), ongeacht de grondslag voor het verzuim (in casu: art. 6:83 sub b BW). Anders gezegd: de schadeverzekeraar hoeft de schuldenaar niet in gebreke te stellen omdat het een schadevergoedingsvordering is (art. 6:83 sub b BW), maar omdat de schuldenaar al in verzuim is. In zoverre lijkt in de verzekeringsrechtelijke literatuur (ten onrechte) nog steeds niet de gedachte aanvaard dat de schadeverzekeraar profiteert van het verzuim van de schuldenaar dat is ontstaan vóór de overgang van de vordering, ongeacht hoe dat verzuim is ontstaan. De bevindingen omtrent subrogatie nopen niet tot een andere conclusie ten aanzien van de overgang van vorderingen.
109. Voor de stille cessie geldt hetzelfde als voor de overgang van de vordering. Na de stille cessie is in beginsel de stille cessionaris bevoegd om buiten rechte nakoming te vorderen en de schuldenaar zo nodig in gebreke te stellen. Hij is immers de nieuwe schuldeiser van de vordering en uit dien hoofde hiertoe ook bevoegd. Een beding met een fatale termijn of een ander beding op grond waarvan de schuldenaar van rechtswege in verzuim raakt, gaat als nevenrecht met de stil gecedeerde vordering. Een reeds vóór de stille cessie uitgebrachte ingebrekestelling of een bewerkstelligd verzuim werkt ten voordele van de stille cessionaris.