AG TS: ik begrijp ‘het onderzoek’.
HR, 10-12-2024, nr. 23/02615
ECLI:NL:HR:2024:1730
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-12-2024
- Zaaknummer
23/02615
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1730, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3773
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1018
ECLI:NL:PHR:2024:1018, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1730
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0320
Uitspraak 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Aanzetten tot rassendiscriminatie (art. 137d.1 Sr) en groepsbelediging wegens ras (art. 137c.1 Sr). Ontvankelijkheid hoger beroep, art. 408.1.b Sv. Laatste woord, art. 283.6 jo. 283.3 Sv. Hof heeft met toepassing van art. 283.6 Sv zonder onderzoek in zaak het door verdachte ingestelde h.b. niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat beroep is ingesteld na verstrijken van daarvoor geldende wettelijke termijn. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt niet dat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 283.6 jo. 283.3 Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd. Dat leidt tot nietigheid van onderzoek en naar aanleiding daarvan gedane uitspraak (vgl. HR:2015:3250). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02615
Datum 10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2023, nummer 23-003267-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
“De verdachte (...) is ter terechtzitting verschenen.
(...)
De voorzitter maakt melding van een e-mailbericht van de verdachte van 4 juli 2023, waarin de verdachte een deskundige-rapport heeft opgestuurd en dat hij verzoekt dat dit rapport wordt gezien als zijnde zijn schriftuur houdende grieven zoals bedoeld in artikel 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter merkt op dat de verdachte in eerste aanleg gedagvaard is om op 1 mei 2019 te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is op die terechtzitting verschenen samen met zijn toenmalige raadsvrouw. De rechtbank heeft op 15 mei 2019 naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2019 op tegenspraak vonnis gewezen. De wet schrijft voor dat het hoger beroep bij behandeling op tegenspraak binnen 14 dagen ingesteld moet worden. De verdachte heeft pas op 26 oktober 2022 hoger beroep ingesteld.
De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij kan aangeven wat de reden was dat hij zo laat hoger beroep heeft ingesteld.
De verdachte geeft aan:
In het rapport dat ik vanochtend heb opgestuurd staat beschreven waarom ik zo laat hoger beroep heb ingesteld. Er speelde geestelijke problemen. Ik ben in contact gekomen met een deskundige, namelijk [betrokkene 1] en hij heeft aangegeven dat wat er mij is overkomen een vorm van genocide is. Mijn raadsvrouw was niet deskundig genoeg en heeft zich onttrokken van de zaak. Ik heb na de uitspraak hierover met mijn raadsvrouw gesproken. Toen is besloten het niet te doen.
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik zal afgaan op de betekeningsstukken die u voorhoudt. De verdachte heeft de dagvaarding in persoon uitgereikt gekregen. Gelet hierop is de termijn voor het instellen van hoger beroep gaan lopen op de dag van de uitspraak. De termijn van twee weken is een heel strak termijn en daar mag niet van worden afgeweken. De reden die ik vandaag heb gehoord van de verdachte valt niet binnen de reden om van de termijn af te wijken.
De verdachte verklaart:
Ik ben het niet eens met de advocaat-generaal. Er is genocide op mij gepleegd en of het hoger beroep binnen die veertien dagen valt of later, het feit is gepleegd. Dus ik vind dit degelijk gronden.
De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep op grond van artikel 408 lid 1 onder b Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter verklaart na kort beraad het onderzoek gesloten en deelt mede dat het hof direct uitspraak zal doen.
De voorzitter spreekt het arrest uit.”
2 2.2 Het hof heeft met toepassing van artikel 283 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zonder onderzoek in de zaak het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep is ingesteld na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn.
2.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het zesde lid in samenhang met het derde lid van artikel 283 Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250).
2.4
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.
Conclusie 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte is in h.b. niet-ontvankelijk verklaard en is door het hof niet in de gelegenheid gesteld om over zijn ontvankelijkheid als laatste het woord te voeren. Dit is in strijd met art. 283 lid 3 jo. lid 6 Sv, welke bepaling van overeenkomstige toepassing is in het geval de vraag aan de orde is of de rechter in h.b. kan toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf. Het verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en arrest. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02615
Zitting 8 oktober 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 4 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2019, waarin hij vanwege – kort gezegd – het meermalen aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras en het meermalen opzettelijk beledigen van diverse groepen mensen wegens hun ras, is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, dan wel dat het hof dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, in het bijzonder omdat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de reden van het door hem te laat ingestelde hoger beroep. Het tweede middel houdt in dat het hof heeft verzuimd de verdachte het laatste woord te geven. Dat middel zal ik als eerste bespreken.
2. Het tweede middel
2.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd de verdachte de gelegenheid te geven om als laatste te spreken.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij kan aangeven wat de reden was dat hij zo laat hoger beroep heeft ingesteld.
De verdachte geeft aan:
In het rapport dat ik vanochtend heb opgestuurd staat beschreven waarom ik zo laat hoger beroep heb ingesteld. Er speelde geestelijke problemen. Ik ben in contact gekomen met een deskundige, namelijk [betrokkene 1] en hij heeft aangegeven dat wat er mij is overkomen een vorm van genocide is. Mijn raadsvrouw was niet deskundig genoeg en heeft zich onttrokken van de zaak. Ik heb na de uitspraak hierover met mijn raadsvrouw gesproken. Toen is besloten het niet te doen.
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik zal afgaan op de betekeningsstukken die u voorhoudt. De verdachte heeft de dagvaarding in persoon uitgereikt gekregen. Gelet hierop is de termijn voor het instellen van hoger beroep gaan lopen op de dag van de uitspraak. De termijn van twee weken is een heel strak termijn en daar mag niet van worden afgeweken. De reden die ik vandaag heb gehoord van de verdachte valt niet binnen de reden om van de termijn af te wijken.
De verdachte verklaart:
Ik ben het niet eens met de advocaat-generaal. Er is genocide op mij gepleegd en of het hoger beroep binnen die veertien dagen valt of later, het feit is gepleegd. Dus ik vind dit degelijk gronden.
De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep op grond van artikel 408 lid 1 onder b Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter verklaart na kort beraad heronderzoek1.gesloten en deelt mede dat het hof direct uitspraak zal doen.
De voorzitter spreek het arrest uit.”
2.3
In het middel wordt aangevoerd dat het recht op het laatste woord dat de verdachte toekomt op grond van art. 311 lid 4 Sv en art. 283 lid 3 Sv is geschonden.
De bespreking van het middel
2.4
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Art. 311 lid 4 Sv schrijft op straffe van nietigheid voor dat de verdachte het recht moet worden gelaten om het laatst te spreken. Dit recht dient door de rechter uitdrukkelijk aan de verdachte te worden gelaten en de verlening van het recht dient te worden opgetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Vermeldt het proces-verbaal niet dat de verdachte het laatste woord is gegeven, dan moet ervan worden uitgegaan dat het in art. 311 lid 4 gegeven voorschrift niet in acht is genomen.2.Art. 311 Sv regelt in de leden 1 tot en met 3 de bevoegdheid tot het voeren van het woord in het kader van respectievelijk het requisitoir, het pleidooi en de repliek. Deze bepaling geldt dus in de context van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
2.5
Art. 283 Sv voorziet in regels over het voeren van het woord in het kader van een preliminair verweer over de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechtbank of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. In lid 3 van art. 283 Sv is bepaald dat de verdachte na reactie van de officier op het preliminaire verweer opnieuw het woord mag voeren en dat, als de officier van justitie daarna weer het woord voert, de verdachte nogmaals het woord mag voeren. De bepaling bevat dus een recht op het laatste woord binnen de context van een gevoerd preliminair verweer.
Lid 6 van art. 283 Sv bepaalt dat de rechter ook ambtshalve zonder onderzoek in de zaak de nietigheid van de dagvaarding, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan uitspraken, nadat zij de officier van justitie en de verdachte heeft gehoord.
2.6
In diverse arresten heeft de Hoge Raad bepaald dat in het geval de vraag aan de orde is of de rechter in hoger beroep kan toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf, art. 283 lid 6 jo. lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is.3.In het geval dat de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep aan de orde is, dient de verdachte dus de gelegenheid te krijgen om zich als laatste over deze kwestie uit te spreken, alvorens de rechter over het vervolg van de strafprocedure een beslissing neemt. Mocht een inhoudelijke behandeling van de zaak volgen, dan heeft de verdachte op grond van art. 311 lid 4 Sv in het kader van de inhoudelijke behandeling opnieuw het recht als laatste het woord te voeren. Evenals in art. 311 lid 4 Sv, brengt het verzuim de verdachte het laatste woord toe te kennen ook in de context van art. 283 Sv volgens de Hoge Raad nietigheid van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest mee.
2.7
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (zie randnummer 2.2) kan worden afgeleid dat de verdachte desgevraagd door de voorzitter heeft verklaard over de reden van het door hem te laat ingestelde hoger beroep, dat de advocaat-generaal daarop heeft gereageerd en dat de verdachte daarop weer een reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, waarna het hof het onderzoek ter terechtzitting na kort beraad heeft gesloten. De verdachte heeft dus de mogelijkheid gehad een verklaring te geven over het door hem te laat ingestelde hoger beroep, maar is niet in de gelegenheid gesteld te reageren op het rechtsgevolg dat de advocaat-generaal daaraan wenste te verbinden (de niet-ontvankelijkheid van de verdachte), omdat het hof het onderzoek ter terechtzitting na de vordering van de advocaat-generaal (na kort beraad) onmiddellijk heeft gesloten. Het hof heeft hiermee verzuimd in overeenstemming met art. 283 lid 3 en lid 6 Sv aan de verdachte het laatste woord te geven.
2.8
Het middel is terecht voorgesteld en slaagt. Gelet daarop behoeft het eerste middel geen bespreking.
3. Slotsom
3.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2024
Onder meer : HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998, 243, m. nt. J. de Hullu (zie ook onderdeel 3 van de annotatie van De Hullu) en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3773. Zie ook: M.J. Borgers, T. Kooijmans, Corstens. Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 772.
Zie onder meer : HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7542 rov. 3.3. en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250, rov. 2.3.2. en 2.4.