NJ 1928, p. 1577
Pandbeslag ten laste van de echtgenoote van den buiten gemeenschap v. goederen gehuwden gefailleerde op goederen in de gemeenschap vallende. Bevel tot opheffing. Positie van den verhuurder-niet-schuld-eischer in het faillissement.
HR 29-06-1928, ECLI:NL:HR:1928:344, m.nt. Prof. E. M. Meijers (Faillissement Hendriks)
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29 juni 1928
- Magistraten
Mrs. Segers, Kosters, Schepel, van Gelein Vitringa, v. Woudenberg Hamstra.
- Zaaknummer
[29061928/NJ_1928,_p._1577]
- Conclusie
Mr. Van Lier
- Noot
Prof. E. M. Meijers
- Roepnaam
Faillissement Hendriks
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS101589:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1928:344, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑06‑1928
- Wetingang
(BW art. 1186, Fw art. 33.)
Essentie
Pandbeslag ten laste van de echtgenoote van den buiten gemeenschap v. goederen gehuwden gefailleerde op goederen in de gemeenschap vallende. Bevel tot opheffing. Positie van den verhuurder-niet-schuld-eischer in het faillissement.
Samenvatting
Art. 33 Fw. maakt geen onderscheid tusschen executoriale en conservatoire beslagen. Het geldt ook voor na de faillietverklaring gelegde beslagen. Het pandbeslag, gelegd ten laste van de echtgenoote van den gefailleerde als huurster, op goederen in de gemeenschap vallende, kan geen gevolg hebben. Dat de beslaglegger geen schuldeischer is, doet niet ter zake, daar de curator wel den boedel slechts liquideert ten behoeve der schuldeischers, doch hij ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.