HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.1.
HR, 18-02-2025, nr. 22/03764
ECLI:NL:HR:2025:290
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
22/03764
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:290, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:86
ECLI:NL:PHR:2025:86, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:290
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0065
NJ 2025/119 met annotatie van N. Jörg
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr), dwang (art. 284.1.1 Sr) en belediging (art. 266.1 Sr). Aanhoudingsverzoek door gemachtigde raadsman ttz. in hoger beroep gedaan omdat verdachte zijn kinderen van school moest ophalen, afgewezen door hof op grond dat belangen van voortvarende behandeling in dit geval zwaarder dienen te wegen dan belang van verdachte bij aanhouding. Afwijzing toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Aan aanhoudingsverzoek is ten grondslag gelegd dat verdachte op de hoogte is van zitting en aanwezig wenst te zijn om te kunnen toelichten dat hij verklaringen zoals opgenomen in dossier anders heeft bedoeld, maar zijn kinderen moest ophalen. Hof heeft verzoek afgewezen op grond dat belangen van voortvarende behandeling in dit geval zwaarder moeten wegen dan belang van verdachte bij aanhouding. Dat oordeel is (gelet op wat raadsman over reden van afwezigheid van verdachte aan verzoek ten grondslag heeft gelegd en in aanmerking genomen wat ttz. aan de orde is gekomen over procesverloop, ernst van tlgd. feiten en in verband daarmee belang voortvarende behandeling) niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat raadsman niet nader heeft toegelicht waarom ophalen van kinderen een klemmende omstandigheid opleverde die aan aanwezigheid van verdachte ttz. in de weg stond. Belangenafweging draagt afwijzing van verzoek zelfstandig, zodat aan wat hof verder nog heeft overwogen, kan worden voorbijgegaan. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03764
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 oktober 2022, nummer 21-000374-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.A.W. Dekker, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, de op 31 december 2020 gepleegde feiten 1. en 2. bedreiging, 3. poging tot een ander door geweld wederrechtelijk dwingen iets niet te doen, en 4. belediging, meermalen gepleegd.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N. Hannaart, advocaat te Almere.
De raadsman verklaart uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd om verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsman van verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De raadsman acht verdachte ten onrechte veroordeeld voor feit 1 en feit 2.
De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de zitting en voert daarbij aan dat verdachte niet bij de zitting aanwezig kan zijn omdat hij zijn kinderen moest ophalen. Verdachte wenst graag ter terechtzitting aanwezig te zijn om te kunnen toelichten dat hij de verklaringen zoals deze zijn opgenomen in het dossier anders heeft bedoeld.
De voorzitter vraagt de raadsman wanneer verdachte op de hoogte is geraakt van de zitting.
De raadsman antwoordt dat de dagvaarding op 23 augustus is uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte en dat hij tien dagen geleden contact heeft gehad met verdachte over de zitting.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Er dient een afweging gemaakt te worden tussen het persoonlijk belang van verdachte om aanwezig te zijn bij de zitting en het belang van een effectieve en voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. Hierbij is van belang dat verdachte de aan hem verweten gedragingen heeft bekend. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld, maar er is geen appelschriftuur ingediend. Eveneens dient mee te wegen dat het onvoorwaardelijke deel van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De opgelegde straf heeft niet tot gevolg dat verdachte alsnog in detentie zal geraken. In het licht van het voorgaande dient het strafvorderlijk belang in dit geval zwaarder te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte, omdat het gaat om nare ingrijpende feiten gepleegd tegen hulpverleners. Bovendien geldt dat de feiten bijna 2 jaar geleden zijn gepleegd.
De voorzitter wijst het aanhoudingsverzoek af en deelt daarbij mede dat hij waarde hecht aan het feit dat verdachte eind augustus al op de hoogte was van de zitting. Verdachte heeft in eerste aanleg al de gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten en heeft dit nogmaals gedaan in later nagestuurde stukken die deel uitmaken van het dossier. Verdachte maakt daarnaast de keuze om zijn kinderen op te halen en niet bij de zitting aanwezig te zijn en op andere wijze te voorzien in het van school ophalen van zijn kinderen. De belangen van een voortvarende behandeling dienen in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van verdachte bij aanhouding.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
2.4
De raadsman van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte weliswaar ruim tevoren op de hoogte was van de datum van de terechtzitting in hoger beroep en dat hij aanwezig wenste te zijn om te kunnen toelichten dat hij de verklaringen zoals deze zijn opgenomen in het dossier anders heeft bedoeld, maar dat hij zijn kinderen moest ophalen. Het hof heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat de belangen van een voortvarende behandeling in dit geval zwaarder moeten wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding. Dat oordeel is – gelet op wat de raadsman over de reden van de afwezigheid van de verdachte aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en in aanmerking genomen wat op de terechtzitting aan de orde is gekomen over het procesverloop, de ernst van de tenlastegelegde feiten en in verband daarmee het belang van een voortvarende behandeling – niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de raadsman niet nader heeft toegelicht waarom het ophalen van de kinderen een klemmende omstandigheid opleverde die aan de aanwezigheid van de verdachte op de terechtzitting in de weg stond. Deze belangenafweging van het hof draagt de afwijzing van het verzoek tot aanhouding zelfstandig, zodat aan wat het hof verder nog heeft overwogen, kan worden voorbijgegaan.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 65 dagen waarvan 60 voorwaardelijk volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Afwijzing aanhoudingsverzoek is niet begrijpelijk gemotiveerd omdat (i) oordeel hof dat verdachte “eind augustus al op de hoogte was van de zitting” niet begrijpelijk is nu dagvaarding niet in persoon is uitgereikt en (ii) oordeel hof dat verdachte reeds in eerste aanleg en in later nagestuurde stukken gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten niet afdoen aan belang verdachte om ook in h.b. zijn zaak toe te lichten. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03764
Zitting 21 januari 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens (i) bedreiging met zware mishandeling, (ii) bedreiging met verkrachting, (iii) een ander door geweld wederrechtelijk dwingen iets niet te doen en (iv) het meermalen plegen van eenvoudige belediging, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
1.1
Het cassatieberoep is op 7 oktober ingesteld namens de verdachte. D.A.W. Dekker, advocaat in Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betreft een bewijsklacht over de bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling. In het tweede middel wordt geklaagd over de afwijzing van het ter terechtzitting van 7 oktober 2022 gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak.
1.2
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.
2. Het tweede middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof het ter terechtzitting van 7 oktober 2022 gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, mede gelet op de daartoe aangedragen omstandigheden en verstrekte gegevens, ten onrechte heeft afgewezen, althans die afwijzing onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen heeft omkleed.
2.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2022 blijkt dat de verdachte niet op de zitting is verschenen. Zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is er wel en doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak en voert aan:
“dat verdachte niet bij de zitting aanwezig kan zijn omdat hij zijn kinderen moest ophalen. Verdachte wenst graag ter terechtzitting aanwezig te zijn om te kunnen toelichten dat hij de verklaringen zoals deze zijn opgenomen in het dossier anders heeft bedoeld.
De voorzitter vraagt de raadsman wanneer verdachte op de hoogte is geraakt van de zitting.
De raadsman antwoordt dat de dagvaarding op 23 augustus is uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte en dat hij tien dagen geleden contact heeft gehad met verdachte over de zitting.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Er dient een afweging gemaakt te worden tussen het persoonlijk belang van verdachte om aanwezig te zijn bij de zitting en het belang van een effectieve en voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. Hierbij is van belang dat verdachte de aan hem verweten gedragingen heeft bekend. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld, maar er is geen appelschriftuur ingediend. Eveneens dient mee te wegen dat het onvoorwaardelijke deel van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De opgelegde straf heeft niet tot gevolg dat verdachte alsnog in detentie zal geraken. In het licht van het voorgaande dient het strafvorderlijk belang in dit geval zwaarder te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte, omdat het gaat om nare ingrijpende feiten gepleegd tegen hulpverleners. Bovendien geldt dat de feiten bijna 2 jaar geleden zijn gepleegd.
De voorzitter wijst het aanhoudingsverzoek af en deelt daarbij mede dat hij waarde hecht aan het feit dat verdachte eind augustus al op de hoogte was van de zitting. Verdachte heeft in eerste aanleg al de gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten en heeft dit nogmaals gedaan in later nagestuurde stukken die deel uitmaken van het dossier. Verdachte maakt daarnaast de keuze om zijn kinderen op te halen en niet bij de zitting aanwezig te zijn en op andere wijze te voorzien in het van school ophalen van zijn kinderen. De belangen van een voortvarende behandeling dienen in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van verdachte bij aanhouding.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens gemachtigde raadsman als bedoeld in art. 279 Sv. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de niet-verschenen verdachte, kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Op een dergelijk verzoek wordt beslist nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord (vgl. art. 329 en art. 330 Sv).1.Indien de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze – dat wil zeggen: in overeenstemming met de wettelijke voorschriften van art. 36a e.v. Sv, alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels2.– is betekend, kan de rechter dat verzoek niet alleen op die grond afwijzen. Uit een geldige betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het verzoek tot aanhouding op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk indien op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.3.Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3, onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in het geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.4.
2.4
Het hof heeft aan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte “eind augustus al op de hoogte was van de zitting”. De raadsman heeft ter terechtzitting – na de vraag van de voorzitter wanneer de verdachte op de hoogte is geraakt van de zitting – aangegeven dat de dagvaarding op 23 augustus is uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte.5.Nu de dagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt, is het oordeel van het hof dat de verdachte eind augustus al op de hoogte was van de zitting, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.6.Reeds daarom heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet begrijpelijk gemotiveerd.
2.5
Het hof heeft voorts aan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte “in eerste aanleg al de gelegenheid [heeft] gehad om zijn standpunt toe te lichten en […] dit nogmaals [heeft] gedaan in later nagestuurde stukken die deel uitmaken van het dossier”. Deze argumenten doen niet af aan het – door het aanwezigheidsrecht mede beschermde – belang van de verdachte om zijn zaak ook ten overstaan van de rechter in hoger beroep toe te lichten.7.Daarom schiet ook deze argumentatie te kort als motivering voor de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.
2.6
De in randnr. 2.4 en 2.5 geconstateerde motiveringsgebreken leiden ertoe dat het oordeel van het hof dat de belangen van een voortvarende behandeling van de zaak in dit geval zwaarder dienen te wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding, onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen is omkleed. In het middel wordt daarover terecht geklaagd.
2.7
Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat dit (tweede) middel faalt, bespreek ik ook het eerste middel.
3. Het eerste middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat “de feitelijke bewoordingen” die in de beschrijving van het onder 1 tenlastegelegde feit zijn gebruikt, niet kunnen worden aangemerkt als bedreiging in de zin van art. 285 Sr, althans dat de bewezenverklaring onder 1 geen steun vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen althans onvoldoende met redenen is omkleed, dan wel onbegrijpelijk is.
3.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 31 december 2020 te [plaats] [getuige 1] heeft bedreigd met zware mishandeling en met verkrachting, door die [getuige 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken en ik kom hier terug en ik weet je te vinden en ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden en ik maak je kapot.”
3.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (…), voor zover (…) inhoudende:
als verklaring van [getuige 1] :
Ik heb vervolgens samen met een collega de patiënt medegedeeld dat het ziekenhuis volgens protocol verplicht was om zijn opname te melden bij Veilig Thuis . Toen we dat tegen hem hadden verteld, werd de patiënt woedend. Ik hoorde de patiënt vervolgens naar ons roepen: “je moet van mijn kinderen af blijven, je mag ze niet bedreigen, ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken. Ik kom hier terug en weet je te vinden. Ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden”.
Ik hoorde hem mijn naam roepen: “ [getuige 1] , [getuige 1] , je weet niet met wie je te maken hebt, Google mijn naam maar, ik maak je kapot!”.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (…), voor zover (…) inhoudende:
als verklaring van [getuige 2] :
Ik hoorde de patiënt dingen zeggen als: “Ik weet je te vinden en dat je kinderen hebt. Ik zal je vinden” of woorden van gelijke strekking.”
3.4
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de bewezenverklaarde woorden “ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken”, “ik kom hier terug”, “ik maak je kapot” en “ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden” slechts kunnen volgen uit de verklaring van de [getuige 1] , terwijl het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, op grond van art. 342 Sv niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Het hof is daarbij niet ingegaan op het gevoerde verweer met betrekking tot het ontbreken van steunbewijs voor de verklaring van de [getuige 1] . Zonder nadere ontbrekende motivering is volgens de steller van het middel “niet begrijpelijk hoe het hof, in weerwil van hetgeen daartegen door de verdediging is ingebracht, voldoende steun heeft gevonden voor de verklaring van de [getuige 1] om tot een bewezenverklaring ter zake van bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr te komen”.
3.5
Bij de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv (de unus testis regel) is de centrale vraag of de verklaring van een getuige voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Het antwoord op die vraag is sterk casuïstisch. In het algemeen geldt dat verklaringen die afkomstig zijn van dezelfde bron – dus tot de getuige herleidbare verklaringen van horen zeggen – onvoldoende steun bieden voor een bewezenverklaring.8.Aangezien de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv betrekking heeft op de tenlastelegging (en daarmee ook de bewezenverklaring) in haar geheel,9.behoeft het tweede bewijsmiddel, dat bijvoorbeeld kan bestaan uit een verklaring van een tweede getuige, niet specifiek betrekking te hebben op de strafbare gedraging.10.Wel dient het tweede bewijsmiddel “op relevante wijze” in een niet te ver verwijderd verband te staan met de inhoud van de verklaring van de eerste getuige en dient het ook redengevend te zijn voor de bewezenverklaring.11.Onder omstandigheden, in het bijzonder “wanneer de waardering van het bewijsmateriaal in cassatie vragen oproept”,12.kan een nadere duiding van de door de rechter relevant geachte feiten en omstandigheden uit het tweede bewijsmiddel worden verlangd, maar het tweede bewijsmiddel kan ook voor zich spreken.13.
3.6
Indachtig het uitgangspunt dat het bewijs en de waardering van het bewijs bij uitstek het domein van de feitenrechter is, kan diens oordeel dat een tweede bewijsmiddel voldoende steun biedt voor een bewezenverklaring, zelfs als die steun ‘enkel’ ziet op een op het oog betrekkelijk ondergeschikt onderdeel van de verklaring van de eerste getuige, in cassatie in sommige gevallen overeind blijven. Voorzichtigheid is voortdurend geboden. De strekking van de unus testis regel – het waarborgen van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing – vergt dat. Immers, de regel “(verbiedt) de rechter (…) tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal”.14.
3.7
Het middel berust op de opvatting dat de inhoud van het bewijsmateriaal dat naast de verklaring van de getuige voor het bewijs wordt gebruikt de verklaring van die getuige moet bevestigen dan wel op alle onderdelen van de bewezenverklaring betrekking moet hebben. Die opvatting is echter onjuist. Art. 342 lid 2 Sv betreft zoals gezegd immers de tenlastelegging – en daarmee de bewezenverklaring – in haar geheel en niet een onderdeel daarvan.
3.8
De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit steunt op de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] omtrent de door de verdachte jegens hem op 31 december 2020 in het ziekenhuis geuite bedreigingen en de verklaring van de [getuige 2] dat de verdachte aldaar dingen heeft gezegd “als “Ik weet je te vinden en dat je kinderen hebt. Ik zal je vinden” of woorden van gelijke strekking”. Het hof heeft aan deze bewezenverklaring geen bewijsoverweging gewijd. Gelet op de op zichzelf staande verklaring van de [getuige 2] , waaruit het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de verdachte bedreigende woorden tegen [getuige 1] heeft geuit, kan niet worden gezegd dat de verklaring van [getuige 1] – ook zonder nadere motivering – onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Dat de verklaring van de getuige niet letterlijk alle bewezenverklaarde, door de verdachte geuite woorden bevestigt, doet daaraan niet af.15.Anders dan in het middel wordt betoogd, is van schending van art. 342 lid 2 Sv dus geen sprake. De klacht faalt in zoverre.
3.9
In de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat, voor zover de verklaring van de getuige [getuige 2] voldoende steun biedt voor de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte zou hebben gezegd “Ik weet je te vinden”, in die bewoordingen niet c.q. onvoldoende concreet een aankondiging van zware mishandeling dan wel verkrachting besloten ligt. Op grond van deze (en de overige, tenlastegelegde) bewoordingen kon bij [getuige 1] niet de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar zou kunnen worden mishandeld dan wel verkracht zou worden. Dit klemt volgens de steller van het middel temeer, nu [getuige 1] dacht “dat de man mij zou gaan slaan”.
3.10
Het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als “bedreiging met zware mishandeling” en niet (ook) als “bedreiging met verkrachting”. Voor zover in het middel wordt geklaagd dat op grond van de bewezenverklaarde bewoordingen bij [getuige 1] niet de redelijke vrees kon ontstaan dat hij verkracht zou worden, faalt het middel derhalve in zoverre.
3.11
Het hof heeft het woedend roepen van de bewezen verklaarde woorden “Ik kom hier terug en weet je te vinden en ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden” en “ik maak je kapot” wel degelijk als een bedreiging met zware mishandeling kunnen aanmerken.16.Daarvoor is, anders dan de steller van het middel meent, geen concrete(re) aankondiging van zware mishandeling vereist. Bovendien doet daaraan niet af dat [getuige 1] zou hebben gedacht “dat de man mij zou gaan slaan”, reeds omdat het hof blijkens zijn bewijsvoering niet heeft vastgesteld dat [getuige 1] dit heeft gedacht. Het oordeel van het hof dat bij [getuige 1] uit de bewezenverklaarde bewoordingen de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar zou kunnen worden mishandeld getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ook in zoverre faalt het middel.17.
3.12
Het middel faalt in zijn geheel.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑01‑2025
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.8 t/m 3.25.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1145, NJ 2020/25, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.3.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P.A.M. Mevis,
Dat blijkt ook uit de akte uitreiking van de dagvaarding, die zich in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt.
Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1145, NJ 2020/25, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.3.
Vgl. HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685, NJ 2021/192, rov. 2.4.
HR 12 februari 2013, ECLI:2013:BZ1890, NJ 2013/279, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.4; HR 19 mei 2015, ECLI:2015:1247, NJ 2015/489, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.3.
Zie o.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.4 en meer recent bijvoorbeeld HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1460, rov. 2.3.
Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329, m.nt. N. Rozemond; HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298, m.nt. N. Rozemond (OM-cassatie). Vgl. ook de conclusie van A-G Machielse vóór HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:944 en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 849.
Corstens/Borgers & Kooijmans, a.w., p. 851.
Aldus annotator W.H. Vellinga in de afsluitende zin van zijn noot onder HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1594, NJ 2022/32.
Zoals in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.4.
HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.3.
Vgl. HR 28 november, 2023, ECLI:NL:HR:2023:1648 (HR: art. 81.1 RO).
Sterker nog: het woedend uiten van deze bewoordingen zou mogelijk ook tot een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht kunnen leiden: vgl. HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5323 (HR: art. 81.1 RO). In die zaak had de verdachte boos, zelfs 'lichtelijk hysterisch' de kantine van zijn taxibedrijf betreden waarbij hij tegen twee van zijn werknemers had geroepen 'ik maak je helemaal kapot en 'ik weet waar je woont en ik ken wel een paar mannetjes die ik op je afstuur' en 'Laat ik heel duidelijk stellen, als ik erachter kom dat jullie mij zwart maken, achter mijn rug om, dan maak ik jullie helemaal kapot! Ook financieel'.
Opgemerkt zij dat het hof bij feit 1 tot exact dezelfde bewezenverklaring is gekomen als de politierechter, maar anders dan de politierechter het bewezenverklaarde enkel heeft gekwalificeerd als bedreiging met een zware mishandeling en niet ook als een bedreiging met verkrachting. In cassatie wordt hierover mogelijk bewust niet geklaagd. Een dergelijke terechte klacht zou in dit geval – gezien de overige bewezenverklaarde feiten en de samenloopregeling van art. 57 Sr – niet tot cassatie hebben geleid.
Beroepschrift 26‑06‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 28 april 2023
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Almere, kantoorhoudende bij Luns Van der Velden Advocaten aan de Randstad 22 9, 1316 BN te Almere,
die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
wonende in de [adres], [postcode] [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het hof Arnhem-Leeuwarden, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21/000374-21.
In deze zaak heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bij arrest van 7 oktober 2022 het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, vernietigd en rekwirant ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’, ‘bedreiging met verkrachting’, ‘een ander door geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets niet te doen’ en ‘eenvoudige belediging, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is tijdig, te weten op 7 oktober 2022, ingesteld door B.L. Melsen, administratief ambtenaar bij het hof.
Rekwirant voert de volgende middelen van cassatie aan:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid met zich brengt,
in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 338, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat de feitelijke bewoordingen die ten laste zijn gelegd niet kunnen worden aangemerkt als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, althans de bewezenverklaring geen steun vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is.
Toelichting
1.1.
Het middel klaagt dat dat het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat deze bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed dan wel niet begrijpelijk is.
1.2
Ten laste van rekwirant is onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij op 31 december 2020 te [a-plaats] [getuige 1] heeft bedreigd met zware mishandeling en met verkrachting, door die [getuige 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken en ik kom hier terug en ik weetje te vinden en ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden en ik maak je kapot’’
1.3
Blijkens de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van 7 oktober 2022 gehechte pleitnota, heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):
‘Feit 1: bedreiging aangever [getuige 1]
4.
Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft cliënte (wederom) verklaard dat hij tegen de artsen had gezegd ‘ik ga jullie naaien’, maar dit was ‘niet seksueel bedoeld’. Hij verklaart verder dat hij ‘nooit had gezegd dat hij ze lichamelijk wat aan wilde doen’. Deze woorden verdienen zeker niet de schoonheidsprijs, maar de verdediging betwist dat cliënt door deze woorden te uiten zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met verkrachting, dan wel een bedreiging met zware mishandeling.
5.
De politierechter heeft haar veroordeling van de bedreiging van aangever [getuige 1] (onder andere) gestaafd op zijn aangifte, waarin hij cliënt het volgende zou hebben horen zeggen:
‘Ik hoorde de patiënt vervolgens naar ons roepen: ‘je moet van mijn kinderen afblijven, je mag ze niet bedreigen, ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken. Ik hier terug een weet je te vinden. Ik neuk je in kant tot je het lekker vindt’. De patiënt bleef maar schelden. […] Ik hoorde hem mijn naam roepen: ‘[getuige 1], [getuige 1], je weet niet met wie je te maken hebt, Google mijn naam maar, ik maak je kapot!’.’
6.
Met name de onderstreepte uitingen, die ook terugkomen op de tenlastelegging bij feit 1, zijn zeer specifiek. Het valt de verdediging echter op dat de twee getuigen van dit incident, mevrouw [getuige 2] (tevens aangeefster) en getuige [getuige 3] (beveiliger), allebei in hun verklaring deze uitingen niet noemen, terwijl — als deze woorden zouden zijn gezegd — dit hun wel degelijk op zou moeten zijn gevallen.
7.
Getuige [getuige 2] verklaart in dit verband het volgende:
‘Ik hoorde de patiënt dingen zeggen als- ‘ik weet je te vinden en dat je kinderen hebt’. ‘Ik zal je vinden’ of woorden van die strekking.’
8.
Getuige [getuige 3] verklaart voor zover relevant:
‘Deze meneer was nogal verbaal agressief en gebruikte het woord kanker overal in. Ik hoorde dat hij de verpleegkundige die daar werkzaam was een ‘kankerhoer’ noemde en de dienstdoende arts een ‘kut dokter’. […] Wat wel bleef hangen was dat hij het naamplaatje van de arts trok en dat de patiënt daarbij zei ‘omdat jij zo doet, doe ik zo, jullie kennen me, google me maar, dan weet je het wel. Ik ga je opzoeken’.’
9.
Beide getuigen verklaren dus niet dat zij de, in de ogen van de verdediging: zeer specifieke, uitingen hebben gehoord waarin cliënt zou hebben gezegd: ‘ik neuk je in je kont tot je het lekker vindt’ en ‘ik maak je kapot’. Het zou heel goed kunnen dat aangever [getuige 1] in de consternatie van het moment bewoordingen heeft gehoord die nooit daadwerkelijk gezegd zijn. Nu cliënt met klem ontkent deze bewoordingen te hebben geuit en nu er voor deze uitingen onvoldoende ondersteuning zit in het dossier, verzoekt de verdediging uw hof om cliënt van dit gedeelte van de tenlastelegging vrij te spreken.
10.
Wat resteert op de tenlastelegging zijn de woorden: ‘ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken en/of ik kom hier tegen en/of ik weet je te vinden’. In de ogen van de verdediging leveren deze bewoordingen geen strafrechtelijke bedreiging op, zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze uitingen zijn immers onvoldoende specifiek. Zou dit dan een bedreiging opleveren met zware mishandeling, een bedreiging met de de dood of toch een met verkrachting? Dat blijft te onduidelijk. Temeer nu cliënt zelf aangeeft dat hij met deze bewoordingen bedoelde dat hij een (tucht)klacht zou indienen tegen de artsen. Nu er te veel onduidelijkheid is over de precieze betekenis van de door cliënt geuite bewoordingen, kan niet worden bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafrechtelijke bedreiging van aangever [getuige 1] en dient hij daarom van feit 1 in zijn geheel te worden vrijgesproken.
11.
Daar komt bij dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het bij een bewezenverklaring van een strafrechtelijke bedreiging noodzakelijk is dat er bij aangever 'de redelijke vrees' zou ontstaan dat hij het slachtoffer zou worden van zwaar lichamelijk letsel of verkrachting. Dat is in dit geval niet zo. Aangever verklaart immers het volgende:
‘Ik voelde mij door de manier waarop de man bij mij stond en de woorden die hij heeft geroepen, bedreigd. Ik dacht dat de man mij zou gaan slaan.’
12.
Aangever had dan weliswaar vrees dat hij zou worden geslagen, maar dit levert geen redelijke vrees op voor een zware mishandeling, dan wel van verkrachting. Reden waarom cliënt ook daarom dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging.’
1.3
Deze bewezenverklaring van feit 1 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
‘T.a.v. feit 1:
- —
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte van Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer PL0600-2020619659-2, d.d. 31 december 2020 opgemaakt en ondertekend door [inspecteur van politie], inspecteur van politie (pagina's 16 tot en met 17 van het politiedossier), voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende:
‘als verklaring van getuige [getuige 1]:
Ik heb vervolgens samen met een collega de patiënt medegedeeld dat het ziekenhuis volgens protocol verplicht was om zijn opname te melden bij Veilig Thuis. Toen we dat tegen hem hadden verteld, werd de patiënt woedend. Ik hoorde de patiënt vervolgens naar ons roepen: ‘je moet van mijn kinderen af blijven, je mag ze niet bedreigen, ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken. Ik kom hier terug en weet je te vinden. Ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden’.
Ik hoorde hem mijn naam roepen: ‘[getuige 1], [getuige 1], je weet niet met wie je te maken hebt, Google mijn naam maar, ik maak je kapot!’.’
- —
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte van Eenheid Oost-Nederland, proces-verbaalnummer [001], d.d. 31 december 2020 opgemaakt en ondertekend door [brigadier van politie], brigadier van politie (pagina's 21 tot en met 22 van het politiedossier), voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende:
‘als verklaring van getuige [getuige 2]:
Ik hoorde de patiënt dingen zeggen als: ‘Ik weet je te vinden en dat je kinderen hebt. Ik zal je vinden’ of woorden van gelijkte strekking.’’
1.4
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
1.5
De bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling — de bewezenverklaring ten aanzien van de bewoordingen ‘ik ga je niet bedreigen maar als je dit doet ga ik het jou en het ziekenhuis heel erg moeilijk maken’, ‘ik kom hier terug’ en ‘ik maak je kapot’ — kan slechts volgen uit de verklaring van getuige [getuige 1]. De verklaring van getuige [getuige 2] geeft voor wat betreft voornoemde uitlatingen onvoldoende steun aan [getuige 1]'s verklaring. Voor zover het hof heeft bedoeld rekwirant ook te veroordelen voor de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging met verkrachting — een bewezenverklaring ten aanzien van de bewoordingen ‘ik neuk je in je kont tot je het lekker gaat vinden’ -, geldt eveneens dat die bewezenverklaring slechts kan volgen uit de verklaring van getuige [getuige 1]. Daarbij opgemerkt dat getuige [getuige 2] niet heeft verklaard over de — in de ogen van rekwirant: zeer specifieke — bewoordingen, die getuige [getuige 1] zou hebben gehoord.
1.6
Daarenboven merkt rekwirant op dat, voor zover de verklaring van de getuige [getuige 2] voldoende steun biedt voor de verklaring van de getuige [getuige 1] dat rekwirant zou hebben gezegd ‘Ik weet je te vinden’, in die bewoordingen niet c.q. onvoldoende concreet een aankondiging van zware mishandeling dan wel verkrachting besloten ligt. Op grond van deze (en de overige, tenlastegelegde) bewoordingen kon bij [getuige 1] niet de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar zou kunnen worden mishandeld dan wel verkracht zou worden. Dit klemt temeer, nu hij dacht ‘dat de man mij zou gaan slaan’.
1.7
Het hof is in het geheel niet ingegaan op het verweer met betrekking tot het ontbreken van steunbewijs voor de verklaring van de getuige [getuige 1], waarbij door de raadsman grote — en naar de mening van rekwirant: voor de hand liggende — vraagtekens waren geplaatst.
1.8
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk hoe het hof, in weerwil van hetgeen daartegen door de verdediging is ingebracht, voldoende steun heeft gevonden voor de verklaring van de getuige [getuige 1] om tot een bewezenverklaring ter zake van bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht te komen.
1.9
De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid met zich brengt,
in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 121 van de Grondwet en 278, 281, 329 en 330 juncto 415 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het hof ten onrechte, althans niet naar behoren gemotiveerd, heeft afgewezen het namens rekwirant ter terechtzitting van 7 oktober 2022 gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, welke afwijzing mede gelet op de daartoe aangedragen omstandigheden en verstrekte gegevens, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
2.1
Het proces-verbaal ter terechtzitting van 7 oktober 2022 houdt in dat rekwirant daar niet is verschenen, maar wel diens raadsman, die verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om namens hem de verdediging te voeren. Voorts is op die zitting een aanhoudingsverzoek aan de orde geweest:
‘De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de zitting en voert daarbij aan dat verdachte niet bij de zitting aanwezig kan zijn omdat hij zijn kinderen moest ophalen. Verdachte wenst graag ter terechtzitting aanwezig te zijn om te kunnen toelichten dat hij de verklaringen zoals deze zijn opgenomen in het dossier anders heeft bedoeld.
De voorzitter vraagt de raadsman wanneer verdachte op de hoogte is geraakt van de zitting.
De raadsman antwoordt dat de dagvaarding op 23 augustus is uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte en dat hij tien dagen geleden contact heeft gehad met verdachte over de zitting.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Er dient een afweging gemaakt te worden tussen het persoonlijk belang van verdachte om aanwezig te zijn bij de zitting en het belang van een effectieve en voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. Hierbij is van belang dat verdachte de aan hem verweten gedragingen heeft bekend. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld, maar er is geen appelschriftuur ingediend. Eveneens dient mee te wegen dat het on voorwaardelijke deel van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De opgelegde straf heeft niet tot gevolg dat verdachte alsnog in detentie zal geraken. In het licht van het voorgaande dient het strafvorderlijk belang in dit geval zwaarder te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte, omdat het gaat om nare ingrijpende feiten gepleegd tegen hulpverleners. Bovendien geldt dat de feiten bijna 2 jaar geleden zijn gepleegd.’
2.2
Het hof heeft dat verzoek als volgt afgewezen:
‘De voorzitter wijst het aanhoudingsverzoek af en deelt daarbij mede dat hij waarde hecht aan het feit dat verdachte eind augustus al op de hoogte was van de zitting. Verdachte heeft in eerste aanleg al de gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten en heeft dit nogmaals gedaan in later nagestuurde stukken die deel uitmaken van het dossier. Verdachte maakt daarnaast de keuze om zijn kinderen op te halen en niet bij de zitting aanwezig te zijn en op andere wijze te voorzien in het van school ophalen van zijn kinderen. De belangen van een voortvarende behandeling dienen in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van verdachte bij aanhouding.’
2.3
Het hof heeft geoordeeld dat rekwirant 1) eind augustus al op de hoogte was van de zitting, 2) zowel in eerste aanleg als in later nagestuurde stukken zijn standpunt al heeft toegelicht en 3) de keuze maakt om zijn kinderen op te halen en niet bij de zitting aanwezig te zijn en op andere wijze te voorzien in het van school ophalen van zijn kinderen.
2.4
De overweging van het hof dat rekwirant eind augustus al op de hoogte was van de zitting, is feitelijk onjuist, althans kan op basis van voorliggende stukken geen stand houden. De dagvaarding is op 23 augustus 2022 kennelijk niet aan rekwirant, maar aan een huisgenoot van hem uitgereikt. Rekwirant raakte zelf — als ik zijn raadsman goed begrijp — pas tien dagen voor de zitting van de zitting op de hoogte. Het oordeel van het hof dat rekwirant eind augustus al de hoogte was van de zitting, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
2.5
Dat geldt ook voor de afwijzing van het verzoek voor zover het is gestoeld op het feit dat rekwirant al in eerste aanleg en in later nagestuurde stukken zijn standpunt heeft toegelicht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat rekwirant ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig wenst te zijn om toelichting te geven op verklaringen, die zijn opgenomen in het dossier (en dus niet kan volstaan met een eerdere toelichting daarop).
2.6
Ook het oordeel dat rekwirant de keuze heeft gemaakt om zijn kinderen op te halen en niet op andere wijze te voorzien in het van school ophalen van zijn kinderen, is door het hof verder niet nader gemotiveerd en onbegrijpelijk. Daarbij opgemerkt dat uit de stukken niet volgt dat rekwirant zijn kinderen ‘van school’ moest ophalen, laat staan dat hij daadwerkelijk ‘op andere wijze’ had kunnen voorzien in het ophalen van zijn kinderen.
2.7
Het voorgaande brengt mee dat de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen om bij de behandeling van de tegen hem aanhangige strafzaak aanwezig te zijn, ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is. Het arrest lijdt ook als gevolg daarvan aan nietigheid.
Dat
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals dat in deze zaak op 7 oktober 2022 gewezen is door het hof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, te vernietigen.
Almere, 26 juni 2023
De bijzonder gevolmachtigde,
mr. D.A.W. Dekker