Over het toepasselijke overgangsrecht heb ik op 22 december 2009 geconcludeerd in de zaak-[…] (nr. 07-13184).
HR, 30-03-2010, nr. 08/04036
ECLI:NL:HR:2010:BL0664
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
30-03-2010
- Zaaknummer
08/04036
- Conclusie
Mr. Jörg
- LJN
BL0664
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL0664, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0664
ECLI:NL:PHR:2010:BL0664, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑01‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL0664
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑03‑2010
Inhoudsindicatie
Strafmotivering. CAG: anders.
30 maart 2010
Strafkamer
Nr. 08/04036
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 september 2008, nummer 24/000545-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het punt van de straftoemeting opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de strafmotivering onbegrijpelijk is.
2.2.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd onder 1 primair poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, en onder 2 vernieling.
2.2.2. De Politierechter heeft de verdachte ter zake van 1 poging tot doodslag, en 2 vernieling veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf en een leerstraf van 26 uren.
2.2.3. De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
2.2.4. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft - voor zover hier van belang - gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot de door de Politierechter opgelegde straffen.
2.2.5. Het Hof heeft de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan
8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het Hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven door hem hard met een schep op zijn hoofd te slaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk geweld - op een vitaal lichaamsdeel als het hoofd - een aanmerkelijk risico op de dood met zich meebrengt. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven tot een lichte hoofdwond is louter aan toeval te danken geweest. Verdachte heeft door aldus te handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig aangetast. Poging tot doodslag is bovendien een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte de achterruit van de auto van [slachtoffer] met de schep kapot geslagen toen [slachtoffer] in zijn auto wegvluchtte. Aldus heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer].
Het hof heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 12 juni 2008 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van het - met name onder 1 - bewezenverklaarde en dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt het hof echter tevens rekening met de volgende omstandigheden.
[Slachtoffer] is op 25 november 2007 naar de woning van verdachte gegaan om verhaal te halen na een woordenwisseling eerder op die dag. Het was derhalve [slachtoffer] die de confrontatie met verdachte zocht. [Slachtoffer] had daarnaast die avond diverse malen telefonisch gedreigd verdachte te zullen doodschieten.
Daarnaast houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting door verdachte en zijn raadsvrouw zijn geschetst.
Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het beoogt hiermee mede te bereiken dat verdachte zich in de toekomst zal weerhouden van het plegen van strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat er gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd."
2.3. Het middel neemt kennelijk tot uitgangspunt dat het Hof heeft overwogen aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op te leggen, doch dat het, ten faveure van de verdachte rekening houdend met een aantal omstandigheden, heeft beoogd hem tegemoet te komen door een gedeelte van die straf voorwaardelijk op te leggen. Dat uitgangspunt mist echter feitelijke grondslag, nu het Hof niet heeft aangegeven welke straf het zou hebben opgelegd indien het met de in het middel bedoelde omstandigheden geen rekening zou hebben gehouden. Mede erop gelet dat het Hof heeft overwogen met het voorwaardelijk opleggen van een deel van de gevangenisstraf te beogen de verdachte ervan in de toekomst te weerhouden strafbare feiten te plegen, is de strafoplegging toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd, zodat het middel faalt.
2.4. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 30 maart 2010.
Conclusie 19‑01‑2010
Mr. Jörg
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 12 september 2008 verzoeker wegens vernieling en poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 920,11 en aan verzoeker voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf van twee weken.
2.
Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3.
Het middel klaagt dat de opgelegde straf onbegrijpelijk is omdat de strafmotivering de opgelegde straf niet kan dragen. De kern van het bezwaar is dat het hof het doet voorkomen verzoeker tegemoet te komen door een deel van de staf voorwaardelijk op te leggen, terwijl in wezen sprake is van een strafverzwaring doordat de acht maanden voorwaardelijke gevangenisstraf nu gedurende een proeftijd van twee jaar boven verzoekers hoofd hangt, in plaats van gedurende één jaar.
4.
Het middel (waarvan het grootste gedeelte wel een niet als zodanig aangegeven toelichting daarop zal zijn) heeft een punt. Krachtens de Wet van 6 december 2007, Stb. 500, die met ingang van 1 juli 2008 in werking is getreden is de nieuwe regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling op deze zaak van toepassing.1. Een van de belangrijke wijzigingen ten opzichte van de oude regeling is de uitsluiting van v.i. bij deels voorwaardelijke vrijheidsstraffen (art. 15, derde lid, Sr).
5.
Dit brengt mee dat verzoeker de volle zestien maanden van de opgelegde straf van 24 maanden, waarvan acht voorwaardelijk, zal moeten uitzitten. Onder de oude regeling behoefde verzoeker slechts tien en een halve maand uit te zitten (de voorarrestaftrek even buiten beschouwing gelaten). Zou verzoeker een geheel onvoorwaardelijke straf van 24 maanden opgelegd hebben gekregen, was hij na éénderde daarvan (bij goed gedrag) vrijgekomen, dus ook na zestien maanden. De proeftijd bedraagt dan volgens art. 15c Sr één jaar. Het hof heeft bij de voorwaardelijke veroordeling — die ‘netto’ op hetzelfde neerkomt — de proeftijd op twee jaar bepaald. Noch uit het proces-verbaal van de appèlzitting noch uit de pleitnota blijkt dat aandacht is besteed aan de consequenties van de nieuwe v.i.-regeling.
6.
Het hof heeft ten aanzien van het litigieuze strafmotiveringspunt het volgende overwogen:
‘(…) Gelet op het vorenstaande (de ernst van de poging tot doodslag; de vernieling; de recidive t.z.v. geweldsdelicten, NJ) is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van het — met name onder 1 — bewezenverklaarde en dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt het hof echter (curs. van NJ) tevens rekening met de volgende omstandigheden.
[Slachtoffer] is op 25 november 2007 naar de woning van verdachte gegaan om verhaal te halen na een woordenwisselingen eerder op die dag. Het was derhalve [slachtoffer] die de confrontatie met verdachte zocht. [Slachtoffer] had daarnaast die avond diverse malen telefonisch gedreigd verdachte te zullen doodschieten.
Daarnaast houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting door verdachte en zijn raadsvrouw zijn geschetst.
Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het beoogt hiermee mede te bereiken dat verdachte zich in de toekomst zal weerhouden van het plegen van strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat er gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd.’
7.
Uit de bewoordingen van het arrest ten aanzien van de straftoemeting valt op te maken dat het hof verzoeker tegemoet heeft willen komen. Onder de oude v.i.-regeling had dat ook zo uitgepakt. De nieuwe wettelijke regeling brengt echter met zich mee dat verzoeker in het geheel niet wordt tegemoet gekomen. In hoeverre de verdubbeling van de proeftijd nu een verzwaring van de staf betekent kan buiten beschouwing worden gelaten. De bedoeling van het hof, zoals deze blijkt uit zijn strafmotivering, staat haaks op het effect van de onder de nieuwe regeling opgelegde straf, wanneer deze wordt tenuitvoergelegd. Die straf is in het licht van de strafmotivering onbegrijpelijk.
8.
Het middel slaagt.
9.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde op het punt van de straftoemeting opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑01‑2010