Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, r.o. 2.4.
HR, 14-09-2021, nr. 20/01254
ECLI:NL:HR:2021:1250
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-09-2021
- Zaaknummer
20/01254
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1250, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑09‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:771
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:580
ECLI:NL:PHR:2021:580, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑06‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1250
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2020:771
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0280
Uitspraak 14‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Diefstal, art. 310 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 week), verwijzing naar niet tlgd. feit. Kon hof bij strafoplegging betrekken dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbaar feit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM9968 en HR:2017:2391 m.b.t. voorwaarden waaronder bij strafoplegging rekening kan worden gehouden met niet tlgd. feit. Hof heeft i.h.b. gewicht toegekend aan omstandigheid dat verdachte niettegenstaande eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbaar feit, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was t.t.v. begaan van feit waarop strafoplegging betrekking heeft. Strafoplegging is daarom, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, ontoereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01254
Datum 14 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2020, nummer 22-004179-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.
2.2
De verdachte is wegens het op 14 juni 2019 plegen van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt."
2.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020. Dit uittreksel houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte op 27 september 2019 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam wegens − kort gezegd − rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs is veroordeeld en dat deze veroordeling op 12 oktober 2019 onherroepelijk is geworden.
2.4.1
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in artikel 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2
Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.(Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.)
2.5
In de onder 2.2 weergegeven strafmotivering, waarin het hof heeft overwogen dat een eerdere veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, komt tot uitdrukking dat het hof in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Deze veroordeling was echter nog niet onherroepelijk ten tijde van het begaan van het onder 2.2 vermelde feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. De strafoplegging is daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, ontoereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2021.
Conclusie 15‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Strafmotivering. Hof heeft ten nadele van de verdachte gewicht toegekend aan omstandigheid dat verdachte niettegenstaande een eerdere onherroepelijke veroordeling zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Die eerdere veroordeling was echter nog niet onherroepelijk t.t.v. begaan van feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. Strekt tot vernietiging wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01254
Zitting 15 juni 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 24 maart 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens “Diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr.
Namens de verdachte hebben mr. S.A.H. Vromen en mr. J.S. Nan, advocaten te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het hof in het nadeel van de verdachte heeft overwogen dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, terwijl de onherroepelijkheid van die eerdere veroordeling dateert van na de pleegdatum van het feit in de onderhavige zaak.
4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 14 juni 2019 te [plaats] een aantal flessen wijn, die toebehoorden aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
5. Het hof heeft in het bestreden arrest de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt."
6. Bij de beoordeling van het middel moet, gelet op HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, waarin de Hoge Raad de regels voor het bij de strafmotivering in aanmerking nemen van een niet-tenlastegelegd feit verduidelijkt, het volgende worden vooropgesteld:
“2.4.1. […] Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. […]1.Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.”
7. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020. Dit uittreksel vermeldt onder het kopje “Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten” een op 12 oktober 2019 onherroepelijk geworden veroordeling van 27 september 2019. Het uittreksel vermeldt geen andere onherroepelijke veroordelingen of strafbeschikkingen.
8. Het hof heeft bij de motivering van de straf in het nadeel van de verdachte acht geslagen op voormeld uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Daarbij heeft het hof overwogen dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen. Die eerdere veroordeling waarmee het hof ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden, was onherroepelijk op het moment dat deze door het hof bij de strafoplegging in aanmerking is genomen, maar dat is, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 september 2017 onder 2.4.2. heeft overwogen, in het onderhavige geval niet voldoende. Nu het hof heeft overwogen dat die veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, diende die eerdere veroordeling ook onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. Ten tijde van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit, te weten op 14 juni 2019, was de veroordeling waarnaar het hof kennelijk verwijst evenwel nog niet onherroepelijk. Die veroordeling is eerst op 12 oktober 2019 onherroepelijk geworden. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.2.
9. Het middel slaagt.
Slotsom
10. Het middel slaagt.
11. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑06‑2021
Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:486, HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1383 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:733.