Hof Amsterdam, 05-04-2023, nr. 23-001191-22
ECLI:NL:GHAMS:2023:3786
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
05-04-2023
- Zaaknummer
23-001191-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:3786, Uitspraak, Hof Amsterdam, 05‑04‑2023; (Raadkamer)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:575
Uitspraak 05‑04‑2023
Inhoudsindicatie
recidiveregeling
proces-verbaal terechtzitting
GERECHTSHOF AMSTERDAM
datum arrest 5 april 2023
parketnummer 23-001191-22
datum vonnis eerste aanleg 20 april 2022
parketnummer 96-244044-20
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 5 april 2023.
Tegenwoordig:
mr. N. van der Wijngaart raadsheer,
en E.C. van Eijck van Heslinga griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door E. Visser, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte,
ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn:
[verdachte]
geboren [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]
[adres]
.
Als raadslieden van de verdachte zijn ter terechtzitting aanwezig mr. G.J. van Oosten (raadsman) en mr. L.J. Moerdijk (raadsvrouw), advocaten te Amsterdam.
De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het hof.
De raadsman doet een preliminair verzoek overeenkomstig pagina’s 1-2 van zijn pleitnotities. De pleitnotities worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.
De advocaat-generaal reageert als volgt:
Het hof is nu niet in de positie om opdrachten te geven aan de politierechter, maar spreekt bij arrest uit of de beslissing van de politierechter wel of niet deugt. Ik zie geen aanleiding om te zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Het hoger beroep is een voortbouwend appel. Als de verdediging zich op het standpunt stelt dat het vonnis in eerste aanleg onvoldoende is gemotiveerd, dan is het juist wenselijk om in tweede instantie nogmaals naar de feiten te kijken. Het is dan de taak van het hof om te doen wat de politierechter heeft nagelaten. Met het proces-verbaal in samenhang met het stempelvonnis wordt aan de eisen voldaan. De verdediging constateert dat dit gebrekkig is. In hoger beroep kan dit leiden tot de vernietiging van het vonnis om daarna opnieuw recht te doen.
De raadsheer deelt mede als beslissing van het hof dat het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Daarbij merkt hij op:
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is inderdaad gebrekkig, aangezien daarin niet overeenkomstig artikel 378 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het mondeling vonnis is aangetekend. Dat brengt mee dat bij eindarrest van het hof het stempelvonnis (de aantekening mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a Sv) zal worden vernietigd.
Op dit moment is uit het proces-verbaal ter terechtzitting van de politierechter kenbaar wat gedurende de behandeling is voorgevallen en naar voren gebracht. Uit het stempelvonnis is kenbaar wat de beslissingen van de politierechter waren. Anders dan de raadsman stelt, is dit stempelvonnis niet komen te vervallen met het opmaken van het proces-verbaal ter terechtzitting, nu daarin immers het mondeling vonnis niet is aangetekend.
De verdediging krijgt vandaag de gelegenheid om te vertellen wat zij van de zaak vindt. Het hoger beroep is een volwaardige feitelijke behandeling. Ik zie geen reden om de zaak aan te houden.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij zegt dat het hoger beroep ziet op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de bewezenverklaring en de strafmaat.
De raadsheer maakt melding van de volgende bij het hof nieuw binnengekomen stukken:
- een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 maart 2023;
- e-mail correspondentie van 4 april 2023, te weten een aanhoudingsverzoek van de raadsman voor de terechtzitting van heden, de reactie van de advocaat-generaal daarop en die van de raadsheer..
Deze stukken worden in het dossier gevoegd.
De raadsheer geeft een samenvatting van de inhoud van het dossier.
De verdachte verklaart:
Ik heb met acht bier op mijn snorfiets bestuurd. Dat was niet verstandig. Ik had beter van het café naar huis kunnen gaan lopen, want ik woon om de hoek. Het is stom wat ik gedaan heb.
Ik heb mijn eigen bedrijf, een houthandel. Ik ben de enige die de vrachtwagen kan besturen. Mijn medewerkers zijn van mij afhankelijk. Mijn bedrijf is getroffen door de corona pandemie, we hadden geen werk meer. Ik heb mijn heup verbrijzeld tijdens werk.
Inmiddels is er weer meer werk, maar de kosten voor het bedrijf zijn ook toegenomen. Ik doe mijn best om mijn medewerkers in dienst te houden. Ik kan niet goedpraten wat ik heb gedaan. Ik rij al sinds mijn 18e met de vrachtwagen, ik heb nog nooit een ongeluk gehad.
Binnen mijn bedrijf is er nog geen ander die de vrachtwagen kan besturen. Ik heb ooit een werknemer zijn vrachtwagenrijbewijs laten halen, maar die nam daarna ontslag. Andere werknemers veroorzaken ongelukken met de vrachtwagen. Ik bestuur de vrachtwagen liever zelf. Ik ben niet de allerbeste chauffeur, maar met de vrachtwagen heb ik nog nooit een ongeluk veroorzaakt.
De advocaat-generaal merkt op dat volgens het Uittreksel Justitiële Documentatie er nog een zaak open staat betreffende rijden onder invloed. De verdachte verklaart dat hij nog geen oproep heeft ontvangen.
De advocaat-generaal voert het woord. Het requisitoir strekt tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. De advocaat-generaal leest de vordering voor en overhandigt die aan het hof. Deze wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd.
De raadsman voert het woord tot verdediging en doet dit aan de hand van pagina’s 3-15 van zijn pleitnotities. In aanvulling hierop voert hij aan:
Artikel 123b van de Wegenverkeerswet, de recidiveregeling, deugt niet. Ongeldigverklaring van cliënts vrachtwagenrijbewijs is onevenredig zwaar. Dat rechtsgevolg ontstaat pas wanneer het hof tot een veroordeling komt.
Het voorontwerp van een nieuwe wettelijke regeling is ter consultatie rondgestuurd. Eigenlijk is iedereen het er over eens. Het wetsvoorstel is politiek niet gevoelig. Het is niet de vraag of het wetsvoorstel zal worden goedgekeurd maar wanneer. Mensen die nu nog in een procedure zitten zouden kunnen profiteren van de nieuwe wetgeving. De bestaande wet is slecht. In 2017 is het wetsvoorstel ter sprake gekomen. Wetten komen langzaam tot stand. Toen het feit in 2020 plaatsvond was de wet al in consultatie.
De advocaat-generaal voert het woord in repliek.
In een zaak zoals de onderhavige is er geen ruimte om vooruit te lopen op de artikel 123b-procedure. De verdediging meent dat de verdachte na veroordeling nooit meer in aanmerking zal kunnen komen voor een vrachtwagenrijbewijs, maar mijns inziens is dat niet het geval.
De raadsman persisteert.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
Ik heb mijn rijbewijs absoluut nodig.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De voorzitter spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
Voorvragen
De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft hiervoor, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Na het onherroepelijk worden van de uitspraak zal – op grond van de recidiveregeling van artikel 123b Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – automatisch het rijbewijs van verdachte ongeldig worden verklaard voor onbepaalde duur. In de praktijk betekent de werking van artikel 123b WVW 1994 voor de verdachte dat zijn (groot) rijbewijs permanent ongeldig wordt verklaard. In elk specifiek geval moet worden beoordeeld of strafrechtelijke normhandhaving a) nog een redelijk te dienen doel dient en b) proportioneel is. Dat is hier niet het geval. Deze regeling draagt een punitief karakter en moet aangemerkt worden als een ‘criminal charge’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte strafrechtelijk vervolgen staat, in het licht van de onafwendbare bestuursrechtelijke gevolgen, op gespannen voet met het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging en met het ne bis in idem-beginsel. Daarbij is van belang dat door de overheid deze wettelijke bepaling niet meer als wenselijk wordt beschouwd, gelet op het wetsvoorstel dat ertoe strekt de recidiveregeling te vervangen.
Voorts is de regeling van artikel 123b WVW 1994 in strijd met artikel 47 van het EU Handvest, omdat er geen rechtsmiddel tegen kan worden ingesteld. Omdat de werking van die recidiveregeling een direct gevolg is van vervolging in deze zaak, kan hier niet zonder meer overheen worden gestapt.
Subsidiair is betoogd dat het hof prejudiciële vragen zou moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, over de verhouding van artikel 123b WVW 1994 tot artikel 47 van het Handvest.
Het hof overweegt als volgt.
Wanneer het openbaar ministerie zijn in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid inzet om vervolging te laten plaatsvinden, kunnen alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
De recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 heeft bij onherroepelijke veroordeling tot gevolg dat de geldigheid van het rijbewijs komt te vervallen. Daaruit volgt echter niet dat, gelet op onder meer het belang van normhandhaving door berechting van de strafrechter, iedere grond voor vervolging wegens rijden onder invloed ontbreekt (HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:401). Dat het er gelet op de leeftijd van de verdachte voor moet worden gehouden dat hij nooit meer opnieuw een groot rijbewijs zou kunnen halen, en dat de ontvankelijkheidsbeoordeling daarom anders uit zou moeten vallen, vermag het hof niet in te zien.
In de omstandigheid dat momenteel een wijziging van artikel 123b WVW 1994 wordt voorbereid, ziet het hof ook geen aanleiding om af te wijken van de door het hof hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof is gebonden aan de wet zoals die nu geldt. Ondanks alle kritiek op de recidiveregeling van artikel 123b van de WVW 1994, is deze wet nog steeds van kracht.
Het is niet aan de strafrechter om in het kader van de vervolging wegens rijden onder invloed te beoordelen, of tegen de recidiveregeling van artikel 123b WVW 1994 een doeltreffende voorziening in rechte openstaat als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest. Na onherroepelijke veroordeling door de strafrechter zal de verdachte kunnen bezien of en zo ja welke voorzieningen dan openstaan tegen de rechtsgevolgen van genoemde regeling, waarbij zo nodig ook een beroep op de burgerlijke rechter als restrechter zal kunnen worden overwogen. Het verweer wordt verworpen. Het hof ziet ook geen aanleiding om in het kader van deze strafrechtelijke vervolging wegens rijden onder invloed, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het verzoek daartoe wordt verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 augustus 2020 te Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 800 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:
hij op 18 augustus 2020 te Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 800 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Bewijsmiddelen
De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.
Nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv:
1. de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2023;
2. een proces-verbaal ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet van 18 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar;
3. een geschrift, te weten de ademanalyse van 18 augustus 2020.
Het hiervoor vermelde bewijsmiddel, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, wordt slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (800 microgram).
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld voor een gelboete ter hoogte van 400,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis waarvan 200,00 euro subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 42 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 WVW 1994.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 400,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis waarvan 200,00 euro subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 42 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 WVW 1994.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft door op de openbare weg onder invloed van alcohol een motorrijtuig (snorfiets) te besturen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 maart 2023 is de verdachte meermalen eerder veroordeeld voor rijden onder invloed. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden wederom de Wegenverkeerswet te overtreden. Dit valt de verdachte in hoge mate te verwijten.
Omwille van de verkeersveiligheid acht het hof oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. Alles afwegende en mede in aanmerking genomen het als gevolg van deze veroordeling te verwachten verlies van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte, ziet het hof aanleiding om alleen deze ontzegging op te leggen, en dan nog in voorwaardelijke vorm.
Het hof ziet geen aanleiding tegemoet te komen aan het verzoek van de raadsman de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Het hof acht het feit daarvoor te ernstig.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De voorzitter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer is vastgesteld en ondertekend, zijnde de griffier tot een en ander buiten staat.