Procestaal: Tsjechisch.
HvJ EU, 14-01-2010, nr. C-343/08
ECLI:EU:C:2010:14
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
14-01-2010
- Magistraten
J.N. Cunha Rodrigues, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus, A.Ó. Caoimh
- Zaaknummer
C-343/08
- Conclusie
Y. Bot
- LJN
BL0504
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2010:14, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑01‑2010
ECLI:EU:C:2009:620, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑10‑2009
Uitspraak 14‑01‑2010
J.N. Cunha Rodrigues, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus, A.Ó. Caoimh
Partij(en)
In zaak C-343/08,*
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 23 juli 2008,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en N. Yerrell als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
verweerster,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2009,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 oktober 2009,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Tsjechische Republiek, door richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235, blz. 10), niet volledig te hebben omgezet in haar interne rechtsorde, en meer bepaald de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van deze richtlijn niet te hebben omgezet, de krachtens deze richtlijn, inzonderheid artikel 22, lid 1, daarvan, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2
De eerste, de zesde, de achtste, de negende, de twintigste, de zesendertigste en de zevenendertigste overweging van de considerans van richtlijn 2003/41, die op grondslag van de artikelen 47, lid 2, EG, 55 EG en 95, lid 1, EG is vastgesteld, luiden:
- ‘(1)
Een echte interne markt voor financiële diensten is voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie van wezenlijk belang.
[…]
- (6)
Deze richtlijn vormt aldus een eerste stap op de weg naar een op Europese schaal georganiseerde interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening. Door de ‘prudent person’-regel tot onderliggend beginsel te maken voor vermogensbelegging en door het voor instellingen mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de overheveling van spaargelden naar de sector bedrijfspensioenvoorziening gestimuleerd, waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang.
[…]
- (8)
Instellingen die volledig zijn gescheiden van bijdragende ondernemingen en die op basis van kapitaaldekking opereren met als enig doel het verstrekken van pensioenuitkeringen, dienen vrijelijk diensten en beleggingen te kunnen verrichten met als enige voorwaarde dat aan gecoördineerde prudentiële vereisten wordt voldaan, ongeacht of deze instellingen als rechtspersonen worden beschouwd.
- (9)
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld.
[…]
- (20)
Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan.
[…]
- (36)
Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, dienen instellingen de mogelijkheid te hebben hun diensten in andere lidstaten te verrichten. […]
- (37)
Het recht van een instelling in een bepaalde lidstaat om een bedrijfspensioenregeling overeengekomen in een andere lidstaat uit te voeren, moet worden uitgeoefend met volledige inachtneming van de bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die in de lidstaat van ontvangst van kracht zijn, voor zover deze voor bedrijfspensioenen relevant zijn, bijvoorbeeld de definitie en de betaling van pensioenuitkeringen en de voorwaarden voor de overdraagbaarheid van pensioenrechten.’
3
Volgens artikel 1 ervan beoogt richtlijn 2003/41 voorschriften inzake de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening vast te stellen.
4
In artikel 2 van deze richtlijn is bepaald:
- ‘1.
Deze richtlijn is van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. […]
- 2.
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
- a)
instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren welke onder verordening (EEG) nr. 1408/71 [van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2)] en verordening (EEG) nr. 574/72 [van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 70, blz. 1)] vallen;
- b)
instellingen die onder de [Eerste] richtlijn [(73/239/EEG)] van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3)], richtlijn 85/611/EEG [van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 375, blz. 3)], richtlijn 93/22/EEG [van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141, blz. 27)], richtlijn 2000/12/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126, blz. 1)] en richtlijn 2002/83/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB L 345, blz. 1)] vallen;
- c)
instellingen die op basis van een omslagstelsel werken;
- d)
instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen juridisch afdwingbare rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen;
- e)
ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers pensioenuitkeringen te betalen.’
5
Krachtens artikel 4 van richtlijn 2003/41 kunnen de lidstaten ervoor kiezen sommige bepalingen daarvan op de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorzieningen van onder richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen toe te passen.
6
Ingevolge artikel 5 van richtlijn 2003/41 kunnen de lidstaten er ook voor kiezen deze richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen of, in voorkomend geval, op instellingen waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd.
7
Volgens de bewoordingen van artikel 6 van deze richtlijn:
‘[…] wordt verstaan onder:
- a)
‘instelling voor bedrijfspensioenvoorziening’ of ‘instelling’: een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract:
- —
individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun respectieve vertegenwoordigers, of
- —
met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;
- b)
‘pensioenregeling’: een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
- c)
‘bijdragende onderneming’: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt;
[…]
- i)
‘lidstaat van herkomst’: lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel en haar hoofdbestuur heeft, of, indien de instelling geen statutaire zetel heeft, waar zij haar hoofdbestuur heeft;
- j)
‘lidstaat van ontvangst’: lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming en de deelnemers.’
8
Artikel 8 van bedoelde richtlijn voorziet dat iedere lidstaat ervoor zorgt dat er een juridische scheiding bestaat tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, zodat in geval van faillissement van de eerste de activa van de instelling in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden beschermd zijn.
9
In artikel 9, lid 1, van deze zelfde richtlijn is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de op hun grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen aan bepaalde voorwaarden inzake hun bedrijfsvoering voldoen en met name dat zij door de bevoegde toezichthoudende instantie worden ingeschreven in een nationaal register of hun een vergunning wordt verleend, dat zij worden bestuurd door personen van goede reputatie die zelf over voldoende beroepskwalificaties en beroepservaring beschikken of personen in dienst hebben die daarover beschikken en dat zij aan passende voorschriften worden onderworpen. Lid 5 van dit artikel voorziet erin dat bij grensoverschrijdende activiteiten de voorwaarden inzake de bedrijfsvoering van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening onderworpen worden aan de voorafgaande verlening van een vergunning door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.
10
Krachtens artikel 10 van richtlijn 2003/41 eist iedere lidstaat dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt waarin iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling worden opgenomen.
11
Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn draagt iedere lidstaat er zorg voor dat iedere op hun grondgebied gevestigde instelling een schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt.
12
Krachtens artikel 13 van bedoelde richtlijn draagt iedere lidstaat er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde instelling over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om toezicht uit te oefenen over de werkzaamheden van de op zijn grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
13
De artikelen 15 tot en met 18 van dezelfde richtlijn voorzien erin dat de lidstaten van herkomst zich ervan moeten vergewissen dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, respectievelijk, toereikende technische voorzieningen voor de onderscheiden pensioenregelingen vaststellen, dat zij over voldoende activa beschikken om deze voorzieningen af te dekken en daarnaast bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden en dat zij een beleggingsbeleid voeren dat in overeenstemming is met de ‘prudent person’-regel.
14
Artikel 20, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 luidt:
- ‘1.
Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, staan de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen toe bij te dragen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Tevens staan zij de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening toe bijdragen te aanvaarden van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd.
- 2.
Indien een instelling bijdragen wenst te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, dan is hiervoor voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vereist, zoals bedoeld in artikel 9, lid 5. Zij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst waar haar vergunning is verleend, in kennis van haar voornemen om bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd.
- 3.
De lidstaten verlangen van op hun grondgebied gevestigde instellingen die voornemens zijn bijdragen te ontvangen van een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde onderneming dat zij bij een kennisgeving ingevolge lid 2 de volgende gegevens verstrekken:
- a)
de lidstaat (lidstaten) van ontvangst;
- b)
de naam van de bijdragende onderneming;
- c)
de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming uitgevoerd zal worden.
- 4.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis worden gesteld overeenkomstig lid 2, doen zij, tenzij ze reden hebben te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie van de instelling, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de instelling besturen met de in de lidstaat van ontvangst voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn, binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de instelling daarvan dienovereenkomstig in kennis.’
15
In artikel 22, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn is bepaald:
‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen voor 23 september 2005. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.’
16
Krachtens de leden 3 en 4 van bedoeld artikel kunnen de lidstaten onder bepaalde voorwaarden de toepassing van bepaalde voorschriften van de artikelen 17 en 18 op de op hun grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening uitstellen tot 23 september 2010.
Nationale regeling
17
Richtlijn 2003/41 is in de Tsjechische rechtsorde omgezet bij wet nr. 340/2006 van 24 mei 2006 betreffende de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van de lidstaten van de Europese Unie en tot wijziging van wet nr. 48/1997 betreffende de openbare zorgverzekering, die meerdere verwante wetten wijzigt en aanvult.
Precontentieuze procedure
18
De Tsjechische Republiek heeft de Commissie er op 11 juli 2006 van in kennis gesteld dat zij richtlijn 2003/41 bij wet nr. 340/2006 in haar interne rechtsorde had omgezet.
19
Op 18 oktober 2006 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek een aanmaningsbrief krachtens artikel 226 EG gestuurd waarin zij constateerde dat de artikelen 1 tot en met 5, 8, 9, 13 en 15 tot en met 21 van bedoelde richtlijn niet of slechts gedeeltelijk in intern recht waren omgezet.
20
In haar antwoord van 18 december 2006 heeft de Tsjechische Republiek in wezen uiteengezet dat, gelet op het feit dat er geen enkele onder richtlijn 2003/41 vallende instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op haar grondgebied gevestigd was, wet nr. 340/2006 beperkt was tot de omzetting in intern recht van de bepalingen die ertoe strekten de uitoefening van grensoverschrijdende activiteiten door in andere lidstaten gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening door middel van de verlening van diensten bedoeld voor het Tsjechische grondgebied mogelijk te maken en het aldus voor de op dit laatste grondgebied gevestigde ondernemingen mogelijk te maken aan de door deze instellingen aangeboden pensioenregelingen bij te dragen. De Tsjechische Republiek herinnerde er in dat verband aan dat het de lidstaten krachtens artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG vrij stond hun nationale socialezekerheidsstelsel naar eigen inzicht te organiseren.
21
Daar de Commissie met dit antwoord geen genoegen kon nemen, heeft zij de Tsjechische Republiek op 23 maart 2007 een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij haar uitnodigde om binnen twee maanden na ontvangst van dit advies de nodige maatregelen te nemen om in overeenstemming met artikel 22, lid 1, van richtlijn 2003/41, deze integraal, meer bepaald de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 en 4, in haar interne recht om te zetten.
22
Bij brief van 24 juli 2007 heeft deze lidstaat in antwoord op het met redenen omklede advies opnieuw gesteld dat de verplichting tot omzetting van de richtlijn in intern recht geen afbreuk mocht doen aan de rechten van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen.
23
Daar de Commissie met dit antwoord geen genoegen kon nemen, heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
Ontvankelijkheid
24
Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie, volgens het petitum van haar verzoekschrift, vast te stellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens richtlijn 2003/41 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, ‘meer bepaald’ door de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, daarvan niet in intern recht om te zetten.
25
Het Hof kan in dat verband ambtshalve onderzoeken of de in artikel 226 EG gestelde voorwaarden voor de instelling van een beroep wegens niet-nakoming vervuld zijn (arresten van 31 maart 1992, Commissie/Italië, C-362/90, Jurispr. blz. I-2353, punt 8; 15 januari 2002, Commissie/Italië, C-439/99, Jurispr. blz. I-305, punt 8, en 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-98/04, Jurispr. blz. I-4003, punt 16).
26
Volgens artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de rechtspraak daarover, moet elk inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduidingen moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf en dat het petitum op ondubbelzinnige wijze moet zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van de grieven recht te doen (arresten van 26 april 2007, Commissie/Finland, C-195/04, Jurispr. blz. I-3351, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 februari 2008, Commissie/Italië, C-412/04, Jurispr. blz. I-619, punt 103).
27
In casu moet worden vastgesteld dat voor zover de Commissie met het gebruik van het begrip ‘meer bepaald’ in het petitum van haar verzoekschrift andere bepalingen van richtlijn 2003/41 in haar beroep wil betrekken dan die welke daarin expliciet zijn uiteengezet, het verzoekschrift niet aan deze vereisten voldoet, aangezien in het beroep noch is aangegeven om welke andere bepalingen het gaat, noch de redenen zijn uiteengezet waarom de Tsjechische Republiek heeft nagelaten deze binnen de gestelde termijn in intern recht om te zetten.
28
Bijgevolg is het onderhavige beroep enkel ontvankelijk voor zover het de beweerde niet-omzetting door de Tsjechische Republiek in intern recht van de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 aangaat.
Ten gronde
29
Het staat vast dat de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 niet binnen de door deze richtlijn voorgeschreven termijn of bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn door de Tsjechische Republiek in intern recht zijn omgezet. Deze lidstaat, die geen beroep doet op de in de artikel 22, leden 3 en 4, van deze richtlijn geboden mogelijkheid tot gedeeltelijk uitstel wat sommige van de voorschriften van artikel 17 en 18 daarvan betreft, erkent immers dat de expliciet door het onderhavige beroep geviseerde bepalingen niet binnen die termijnen in zijn interne rechtsorde zijn uitgevoerd. Geen enkele bepaling van richtlijn 2003/41 voorziet evenwel in de mogelijkheid van de lidstaten of van sommige van hen om zich aan een dergelijke omzetting te onttrekken.
30
De Tsjechische Republiek meent echter dat zij niet gehouden is de expliciet door het beroep geviseerde bepalingen van richtlijn 2003/41 in intern recht om te zetten, omdat zij dan verplicht zou zijn om de fundamentele beginselen van haar socialezekerheidsstelsel te wijzigen, terwijl de organisatie daarvan krachtens artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Zij zou daarvoor in haar pensioenstelsel een bedrijfspensioenregeling moeten invoeren, terwijl een dergelijke regeling in haar nationale recht niet bestaat.
31
De Tsjechische Republiek legt dienaangaande uit dat haar pensioenstelsel slechts uit twee luiken bestaat, namelijk de eerste en de derde pijler van de pensioenstelsels, respectievelijk. De eerste pijler, die wordt beheerst door wet nr. 155/1995 inzake de pensioenverzekering, bestaat uit het wettelijke pensioen, dat algemeen en verplicht is voor alle deelnemers en dat onder het nationale socialezekerheidsstelsel valt. De derde pijler, die wordt beheerst door wet nr. 42/1994 inzake de aanvullende pensioenverzekering met staatsbijdrage, bestaat uit individuele pensioenverzekeringscontracten die uit hoofde van die wet vrijwillig door de deelnemers met de pensioenfondsen worden afgesloten. De deelname aan die fondsen staat los van een arbeidsbetrekking, van een werkgever of de uitoefening van een zelfstandig beroep. Het Tsjechische pensioenstelsel kent echter geen tweede pijler, bestaande uit de aanvullende pensioenen waarvan de uitkering met een beroepsactiviteit in loondienst of als zelfstandige in verband staat.
32
De Tsjechische Republiek benadrukt dus dat uit hoofde van de thans van kracht zijnde nationale regelgeving een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zich niet op het Tsjechische grondgebied kan vestigen teneinde die werkzaamheid daar te verrichten, aangezien dit in strijd zou zijn met de wettelijke bepalingen inzake de uitoefening van een beroepsactiviteit op de financiële markt en dus met bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving bedreigd zou zijn. Daarnaast bestaat er geen politieke wil of voldoende economisch potentieel om een bedrijfspensioenregeling in deze lidstaat in te voeren.
33
De Tsjechische Republiek stelt zich op het standpunt dat aangezien artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG, de lidstaten vrij laat de fundamentele structuur van hun nationale socialezekerheidsstelsel af te bakenen, niet kan worden verlangd dat richtlijn 2003/41 zodanig in intern recht wordt omgezet dat dit afbreuk zou doen aan de daadwerkelijke uitoefening van het door het primaire recht gewaarborgde recht. Daar de expliciet door het onderhavige beroep geviseerde bepalingen van deze richtlijn nu juist verplichtingen opleggen aan de lidstaten waarin instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn gevestigd, zou hun omzetting in intern recht onvermijdelijk leiden tot het in het leven roepen van het vereiste rechtskader waarbinnen ondernemingen op het gebied van bedrijfspensioenen die op het grondgebied van de Tsjechische Republiek zijn gevestigd, zouden kunnen opereren, en derhalve feitelijk en rechtens tot de instelling van een tweede pijler in die lidstaat, hetgeen het algemene financiële evenwicht van het nationale pensioenstelsel ernstig zou aantasten.
34
De Tsjechische Republiek verwijst bij wijze van voorbeeld naar artikel 9, lid 1, van richtlijn 2003/41, dat voorziet in de verplichting van de lidstaten om de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die op hun grondgebied zijn gevestigd, in te schrijven in een nationaal register of hun een vergunning te verlenen. De invoering van een passend register of vergunningenstelsel zou immers noodzakelijkerwijs de vaststelling van bijbehorende regelgeving vereisen. Dergelijke regelgeving kan niet worden vastgesteld zonder dat een bedrijfspensioen als complex systeem zou worden ingevoerd, met andere woorden zonder bijvoorbeeld de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te definiëren.
35
De Tsjechische Republiek preciseert dat zij zich ervan bewust is dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening niet in algemene zin verward kunnen worden met de tweede pijler van de pensioenstelsels. Niettemin zijn deze instellingen een wezenlijk onderdeel van deze pijler en het in het leven roepen van een kader voor hun vestiging zou noodzakelijkerwijs een wijziging van de pensioenstelsels zelf teweeg brengen.
36
De Tsjechische Republiek benadrukt daarenboven dat met de omzetting die bij wet nr. 340/2006 is doorgevoerd, de door richtlijn 2003/41 nagestreefde doelstelling wordt bereikt. Deze wet zet immers alle bepalingen betreffende de grensoverschrijdende verlening van diensten op het gebied bedrijfspensioenen door in andere lidstaten gevestigde instellingen om, zodat de op haar grondgebied gevestigde ondernemingen kunnen bijdragen aan de bedrijfspensioenregelingen die door deze instellingen worden aangeboden, en deze laatste tegelijkertijd aangepaste diensten kunnen aanbieden in de Tsjechische Republiek.
37
Hieruit volgt dat de Tsjechische Republiek met dit betoog de niet-omzetting in intern recht van de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41 in wezen wil rechtvaardigen door in de eerste plaats te verwijzen naar het feit dat er op haar grondgebied geen instelling voor bedrijfspensioenvoorziening is gevestigd vanwege het in het nationale recht opgelegde vestigingsverbod, en in de tweede plaats naar de omstandigheid dat de omzetting van deze bepalingen haar zou dwingen haar nationale pensioenstelsel te wijzigen door invoering van een tweede pijler, terwijl artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG de lidstaten de bevoegdheid toekent hun nationale stelsels op dit gebied te organiseren.
38
Bijgevolg moet worden onderzocht of deze overwegingen ontleend aan respectievelijk het nationale en het gemeenschapsrecht, het achterwege blijven van de omzetting in intern recht van de expliciet door het onderhavige beroep geviseerde bepalingen van richtlijn 2003/41 kan rechtvaardigen.
39
Dienaangaande moet, wat het beweerde feit betreft dat in de Tsjechische Republiek geen enkele instelling voor bedrijfspensioenvoorziening gevestigd is, eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat nog niet bestaat, deze lidstaat niet kan ontheffen van zijn verplichting, wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate uitvoering van alle bepalingen van die richtlijn (arresten van 16 november 2000, Commissie/Griekenland, C-214/98, Jurispr. blz. I-9601, punt 22; 13 december 2001, Commissie/Ierland, C-372/00, Jurispr. blz. I-10303, punt 11; 30 mei 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-441/00, Jurispr. blz. I-4699, punt 15, en 8 juni 2006, Commissie/Luxemburg, C-71/05, punt 12).
40
Zowel het rechtszekerheidsbeginsel als de noodzaak om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te waarborgen, vereisen immers dat de lidstaten de voorschriften van de betrokken richtlijn overnemen in een duidelijk, nauwkeurig en transparant rechtskader dat voorziet in bindende wettelijke bepalingen op het gebied waarop zij betrekking heeft (zie in die zin arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland, C-339/87, Jurispr. blz. I-851, punten 22 en 25, evenals arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punt 23).
41
Een dergelijke verplichting rust op de lidstaten om vooruit te lopen op elke wijziging van de daarin op een gegeven moment bestaande situatie en om te waarborgen dat alle rechtssubjecten in de Gemeenschap, daaronder begrepen die in een lidstaat waarin de door de richtlijn geviseerde activiteit niet bestaat, in alle omstandigheden duidelijk en nauwkeurig hun rechten en verplichtingen kennen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Commissie/Griekenland, punt 27; Commissie/Ierland, punt 12; 30 mei 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punt 16, en Commissie/Luxemburg, punt 13).
42
Volgens de rechtspraak hoeft slechts wanneer de omzetting in intern recht van een richtlijn om geografische redenen geen feitelijk doel dient, deze omzetting niet plaats te vinden (zie reeds aangehaalde arresten Commissie/Ierland, punt 13, en 30 mei 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punt 17).
43
In casu moet worden opgemerkt dat, zoals met name uit de eerste, de zesde en de achtste overweging van de considerans van richtlijn 2003/41 volgt, deze, met als rechtsgrondslagen de artikelen 47, lid 2, EG, 55 EG en 95 EG, een interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening beoogt in te stellen in het kader waarvan de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening vrijelijk diensten en beleggingen moeten kunnen verrichten.
44
Vanuit dat oogpunt bezien voorziet artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/41 erin dat de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen moeten toestaan, bij te dragen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend, en de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening moeten toestaan bijdragen te aanvaarden van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd.
45
Om de uitoefening van dergelijke grensoverschrijdende activiteiten mogelijk te maken, verplicht richtlijn 2003/41 de lidstaten, zoals volgt uit de zevende en de twintigste overweging van de considerans, om de op hun grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening aan verscheidene minimale prudentiële regels te onderwerpen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan, teneinde een hoog beschermingsniveau te waarborgen voor de toekomstige gepensioneerden die van hun verrichtingen gebruik maken.
46
Volgens de bewoordingen van de artikelen 8, 9, 13 en 15 tot en met 18 van richtlijn 2003/41 bestaan deze regels meer bepaald in, respectievelijk: de juridische scheiding tussen de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de aan deze instelling bijdragende ondernemingen zodat in geval van faillissement van de ondernemingen de activa van de instellingen beschermd zijn; voorwaarden inzake de bedrijfsvoering om de betrouwbaarheid van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te waarborgen, zoals de inschrijving in een nationaal register of de verlening van een vergunning, het bestuur door personen van goede reputatie, de vaststelling van passende regels inzake de bedrijfsvoering, de aanleg van technische voorzieningen die door een specialist worden gewaarmerkt en de verstrekking van informatie aan de deelnemers; een lijst van aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken inlichtingen en het beschikken over en het beheer van voldoende fondsen om hun verplichtingen te dekken.
47
Daarnaast regelt artikel 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 de procedure die een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met een vergunning in één lidstaat moet volgen wanneer zij haar diensten in een andere lidstaat wil aanbieden, en de rol die de bevoegde autoriteiten in dat geval spelen. Meer bepaald is in lid 2 van genoemd artikel, evenals in artikel 9, lid 5, van bedoelde richtlijn, bepaald dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die dergelijke grensoverschrijdende activiteiten willen ontplooien hiervoor voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dienen te verkrijgen, te weten die op het grondgebied waarvan zij hun statutaire zetel en/of hun hoofdbestuur hebben.
48
Hieruit volgt dat, zoals de Tsjechische Republiek opmerkt, de door het onderhavige beroep geviseerde bepalingen van richtlijn 2003/41, te weten de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, daarvan, in wezen verplichtingen opleggen aan de lidstaten op het grondgebied waarvan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening gevestigd zijn.
49
Het is juist dat volgens deze lidstaat geen enkele instelling voor bedrijfspensioenvoorziening rechtmatig op haar grondgebied gevestigd kan worden.
50
Zoals evenwel volgt uit de rechtspraak die is aangehaald in de punten 39 tot en met 41 van het onderhavige arrest, en bij gebreke van een geografische reden waarom de omzetting in intern recht van de betrokken bepalingen geen feitelijk doel dient, is het van belang dat ingeval de Tsjechische Republiek in voorkomend geval zou besluiten haar nationale pensioenstelsel aan te vullen met bedrijfspensioenvoorziening die onder de tweede pijler valt, alle rechtssubjecten in die lidstaat, net als de andere rechtssubjecten binnen de Gemeenschap, hun rechten en plichten kennen.
51
Een dergelijke ontwikkeling van het nationale pensioenstelsel kan geenszins als uitgesloten of zuiver hypothetisch worden beschouwd, zoals de Tsjechische Republiek te kennen geeft, op grond dat dit een wijziging van het toepasselijke rechtskader zou impliceren en niet alleen het wegnemen van een feitelijke hindernis. Elke regelgeving kan immers worden gewijzigd. In casu volgt overigens uit de schriftelijke stukken van deze lidstaat zelf dat concept-regelgeving met het oog op de invoering van een tweede pijler in het nationale pensioenstelsel in de Tsjechische Republiek is ontwikkeld vóór de vaststelling van richtlijn 2003/41, respectievelijk in 1993, toen de minister van Tewerkstelling en Sociale Zaken een wetsvoorstel in die zin aan de Tsjechische regering heeft voorgelegd, welke laatste uiteindelijk een andere keuze heeft gemaakt in de vorm van de vaststelling van een wet inzake de aanvullende pensioenverzekering met staatsbijdrage, en in 2001, toen de regering bij de kamer van volksvertegenwoordigers van het Tsjechische parlement een wetsvoorstel inzake de bedrijfspensioenverzekering heeft ingediend. Ter terechtzitting heeft de Tsjechische Republiek bovendien toegegeven dat een dergelijke tweede pijler in de toekomst zou kunnen worden ingevoerd indien een politieke wil in die zin zou ontstaan.
52
Hieruit volgt dat zelfs indien volgens de toepasselijke nationale regelgeving geen enkele instelling voor bedrijfspensioenvoorziening rechtmatig op het grondgebied van de Tsjechische Republiek kan worden gevestigd vanwege het ontbreken van een tweede pijler in het nationale pensioenstelsel, deze lidstaat verplicht is om de bepalingen van 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 integraal in intern recht om te zetten door overeenkomstig artikel 22, lid 1, eerste alinea, daarvan de daarvoor noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke normen vast te stellen en in werking te doen treden.
53
Anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, doet een dergelijke omzettingsplicht geen afbreuk aan de bevoegdheid waarover zij beschikt ten aanzien van de organisatie van bedoeld nationale pensioenstelsel en het behoud van het financiële evenwicht daarvan, door haar in het kader van deze omzetting te dwingen een dergelijke tweede pijler in te voeren, zulks in weerwil van de rechten die haar in artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG zijn toegekend.
54
In de eerste plaats verplicht de omzetting in intern recht van de betrokken bepalingen van de richtlijn de Tsjechische Republiek geenszins, haar nationale pensioenstelsel te wijzigen.
55
In dat verband betoogt de Tsjechische Republiek ten onrechte dat een dergelijke omzetting ipso facto tot de invoering van een tweede pijler in zijn nationale pensioenstelsel leidt.
56
Volgens de toelichting die deze lidstaat zelf in antwoord op vragen van het Hof over dit punt heeft gegeven, vereist de oprichting van een dergelijke tweede pijler, die onder een complex stelsel valt, de vaststelling door de nationale wetgever van een alomvattende nationale regeling, teneinde onder meer de voorwaarden vast te leggen voor de vestiging van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op zijn grondgebied alsook de rechtsbetrekkingen te definiëren zowel tussen de tweede pijler en de overige pijlers van het nationale pensioenstelsel als, binnen die tweede pijler, tussen de verschillende elementen daarvan, te weten de werkgevers, de werknemers, de controle- en toezichthoudende instanties en, in voorkomend geval, overige overheidsinstanties.
57
Vastgesteld moet worden dat geen van de bepalingen van richtlijn 2003/41 die expliciet door het onderhavige beroep worden geviseerd, noch enige andere daarvan, de lidstaten verplichten een dergelijke regeling in werking te doen treden.
58
Ofschoon de omzetting van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2003/41 in het interne recht van de lidstaten onder meer verlangt dat deze in hun nationale regelgeving voorzien in de inschrijving in een register of de verlening van een vergunning aan de instellingen die op hun grondgebied gevestigd zijn, houdt deze bepaling, anders dan de Tsjechische Republiek te kennen geeft, geen enkele regel in die deze staten verplicht de vestiging van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op hun grondgebied toe te staan.
59
Zoals volgt uit de punten 43 tot en met 47 van het onderhavige arrest, vormt richtlijn 2003/41 slechts een eerste stap op de weg naar de instelling van een interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening door op Europese schaal in minimale prudentiële regels te voorzien. Zij heeft daarentegen niet tot doel, ook niet gedeeltelijk, de nationale pensioenstelsels te harmoniseren door de lidstaten te verplichten in hun nationale recht regels over de organisatie van deze stelsels te wijzigen of te schrappen.
60
De richtlijn benadrukt in haar negende overweging uitdrukkelijk dat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel de lidstaten volledig verantwoordelijk blijven voor de organisatie van hun nationale pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elk der pijlers in die stelsels, waaronder die betreffende de tweede pijler, en dat zij dus in geen geval afbreuk kan doen aan die rechten.
61
Vanuit diezelfde invalshoek voorziet artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/41 er daarenboven in dat overeenkomstig de zesendertigste en de zevenendertigste overweging van de considerans daarvan, de grensoverschrijdende activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels worden uitgeoefend.
62
Bijgevolg kan richtlijn 2003/41, anders dan de Commissie in haar schriftelijke stukken eveneens heeft gesuggereerd, als zodanig in geen geval zo worden uitgelegd dat zij een lidstaat die, zoals de Tsjechische Republiek, de vestiging van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op zijn grondgebied verbiedt vanwege het ontbreken van een tweede pijler in zijn nationale pensioenstelsel, verplicht om dit verbod op te heffen zodat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich op dat grondgebied kunnen vestigen om diensten aan te bieden waarvan vaststaat dat zij onder de tweede pijler van het nationale pensioenstelsel vallen.
63
Een dergelijk in het nationale recht voorzien verbod dient uiteraard in overeenstemming te zijn met de in het EG-Verdrag voorziene vrijverkeersregels, met name de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging, die in beginsel een verbod op beperkingen van de uitoefening van die vrijheid inhouden (zie in die zin onder meer arresten van 16 mei 2006, Watts, C-372/04, Jurispr. blz. I-4325, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 september 2008, Petersen, C-228/07, Jurispr. blz. I-6989, punt 42), tenzij deze gerechtvaardigd kunnen worden door een van de in het Verdrag genoemde redenen of door dwingende redenen van algemeen belang, waaronder een ernstige aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel (zie in die zin onder meer arresten van 28 april 1998, Kohll, C-158/96, Jurispr. blz. I-1931, punt 41, en 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, Jurispr. blz. I-00000, punt 85).
64
Echter, nu het onderhavige beroep enkel betrekking heeft op de niet-nakoming van de bepalingen van richtlijn 2003/41 en niet op een eventuele schending van de verdragsbepalingen, welke laatste de Commissie op geen enkel moment ter ondersteuning van haar beroep heeft ingeroepen, behoeft voor de beoordeling van de gegrondheid daarvan niet te worden onderzocht of het in het Tsjechische recht vervatte verbod van vestiging van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op het grondgebied van de Tsjechische Republiek in strijd is met de vrijverkeersregels. Derhalve behoeft evenmin te worden onderzocht in welke mate deze lidstaat gedwongen kan worden om in voorkomend geval een tweede pijler in zijn nationale pensioenstelsel in te voeren teneinde aan deze regels te voldoen.
65
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, de verplichting tot integrale omzetting in intern recht van richtlijn 2003/41 door tenuitvoerlegging van het bepaalde in de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, daarvan, geenszins in strijd is met artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG.
66
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat volgens de bewoordingen van artikel 137, lid 4, eerste gedachtestreepje, EG de krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen ‘het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet [laten] en […] geen aanmerkelijke gevolgen [mogen] hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel’.
67
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat richtlijn 2003/41, die in het onderhavige beroep aan de orde is, niet is vastgesteld op de grondslag van artikel 137 EG, dat de rechtsgrondslag in het Verdrag vormt voor de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen op het gebied van de sociale politiek. Zoals reeds is aangegeven in punt 43 van het onderhavige arrest, heeft deze richtlijn immers als rechtsgrondslagen de artikelen 47, lid 2, EG, 55 EG en 95 EG, die zien op de instelling van de interne markt door het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging.
68
In de tweede plaats is richtlijn 2003/41, overeenkomstig artikel 2, lid 2, sub a, daarvan, niet van toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren, zodat deze instellingen niet door het bij deze richtlijn bepaalde geraakt worden.
69
Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de Tsjechische Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41, de krachtens artikel 22, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Kosten
70
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Tsjechische Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
- 1)
Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, is de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
- 2)
Het beroep wordt voor het overige verworpen.
- 3)
De Tsjechische Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑01‑2010
Conclusie 06‑10‑2009
Y. Bot
Partij(en)
Zaak C-343/081.
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Tsjechische Republiek
1.
De onderhavige niet-nakomingsprocedure heeft betrekking op de omzetting van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad2. door de Tsjechische Republiek.
2.
Richtlijn 2003/41 beoogt een vergemakkelijking van de uitoefening door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van hun activiteiten in andere lidstaten dan waar zij zijn gevestigd. Daartoe voorziet zij in strenge prudentiële regels ter bescherming van de gerechtigden tot de door deze instellingen uit te keren pensioenen. Richtlijn 2003/41 laat de bevoegdheid van de lidstaten om hun pensioenstelsels vrijelijk te organiseren evenwel onverlet.
3.
Om te voldoen aan de vereisten van deze richtlijn heeft de Tsjechische Republiek bepalingen vastgesteld die in andere lidstaten gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in staat stellen hun diensten op haar grondgebied te verrichten en die op haar grondgebied gevestigde ondernemingen toestaan gebruik te maken van die diensten. De richtlijnbepalingen die de staat van herkomst van die instellingen verplichtingen opleggen heeft zij echter niet omgezet, op grond dat er zich geen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op haar grondgebied bevinden en dat de omzetting van die bepalingen de organisatie van haar pensioenstelsel aantastte.
4.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen is van mening dat de argumentatie van de Tsjechische Republiek ongefundeerd is, en verzoekt het Hof vast te stellen dat deze lidstaat, door een aantal bepalingen van richtlijn 2003/41 niet om te zetten, de op hem rustende verplichtingen dus niet is nagekomen.
5.
Naar mijn mening is het beroep van de Commissie gegrond. In deze conclusie zal ik uiteenzetten dat de bepalingen van richtlijn 2003/41 die de lidstaten als staten van herkomst van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verplichtingen opleggen, niet de rol en de functies van die instellingen binnen het stelsel van die staten regelen. Daaruit zal ik afleiden dat de volledige omzetting van die richtlijn geen inbreuk maakt op de organisatie door de Tsjechische Republiek van haar pensioenstelsel. Vervolgens zal ik in herinnering brengen dat het feit dat in een lidstaat een door een richtlijn voorziene activiteit niet bestaat, volgens de rechtspraak die staat niet ontheft van de verplichting haar om te zetten, en betogen dat die rechtspraak in casu toepasselijk is.
I — Richtlijn 2003/41
6.
De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening behoren tot de zogenoemde ‘tweede pijler’ van het pensioenbestel zoals dat in de lidstaten is georganiseerd.3.
7.
Richtlijn 2003/41 beoogt deze instellingen in staat te stellen pensioenen uit te keren in andere lidstaten.4. Volgens punt 6 van de considerans van deze richtlijn vormt zij een eerste stap op de weg naar een interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening. Daartoe voorziet zij in strenge prudentiële regels met betrekking tot de werkzaamheden en het functioneren van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, om de toekomstige gepensioneerden die in aanmerking komen voor door die instellingen uitgekeerde pensioenen een hoge mate van zekerheid te bieden.5.
8.
Volgens punt 9 van de considerans van richtlijn 2003/41 wordt evenwel niet getornd aan de organisatie van de pensioenstelsels door de lidstaten, noch, wat met name de tweede pijler betreft, aan de beslissing van elke staat over de rol en de functies van de instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren.6.
9.
De voor de onderhavige zaak relevante bepalingen van richtlijn 2003/41 hebben betrekking op de werkingssfeer ervan, de voorwaarden voor de uitoefening van de werkzaamheden van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de specifieke regeling van hun grensoverschrijdende activiteiten.
1. De werkingssfeer van richtlijn 2003/41
10.
De artikelen 2, 3 en 6 van richtlijn 2003/41 stellen in dwingende bewoordingen vast welke instellingen binnen de werkingssfeer ervan vallen en welke niet.
11.
Blijkens deze bepalingen is de richtlijn van toepassing op pensioeninstellingen die, ongeacht rechtsvorm en naam, op basis van kapitalisatie worden gefinancierd7., niet behoren tot de socialezekerheidsstelsels van de eerste pijler en tot doel hebben het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een contract of een collectieve overeenkomst.
12.
Uitgesloten zijn met name instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren die vallen onder de communautaire coördinatieverordeningen, financiële instellingen die reeds onder een gemeenschapsregeling vallen (verzekering, instellingen voor collectieve belegging in effecten, ondernemingen die diensten op het gebied van beleggingen in effecten verrichten) alsook instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die volgens het omslagstelsel werken.
13.
Richtlijn 2003/41 bevat ook bepalingen met een facultatief karakter.
14.
Zo kunnen volgens artikel 4 van deze richtlijn de lidstaten van herkomst8. ervoor kiezen de bepalingen ervan toe te passen op de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorzieningen van verzekeringsondernemingen. Ook kunnen de lidstaten op grond van artikel 5 van richtlijn 2003/41 ervoor kiezen die richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen, alsook op instellingen waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd.
2. Voorwaarden voor de uitoefening van de werkzaamheden van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
15.
Richtlijn 2003/41 bepaalt dat de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening een aantal verplichtingen moeten opleggen.
16.
Zo moet iedere lidstaat deze instellingen verplichten hun werkzaamheden te beperken tot het verstrekken van pensioenuitkeringen (artikel 7) en juridisch gescheiden te blijven van de bijdragende ondernemingen9. (artikel 8). Krachtens artikel 9 moet iedere lidstaat er ook voor zorgen dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling is ingeschreven in een nationaal register, wordt bestuurd door personen van goede reputatie en aan passende regels is onderworpen.
17.
Ook moet iedere lidstaat ervoor zorgen dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening opstelt (artikel 10) en de in artikel 11 van richtlijn 2003/41 genoemde inlichtingen verstrekt aan de deelnemers en pensioengerechtigden. Tevens moet iedere lidstaat een bevoegde autoriteit in het leven roepen die beschikt over voldoende bevoegdheden om daadwerkelijk toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden van die instellingen (artikel 13).
18.
Ten slotte dient iedere lidstaat ervoor te zorgen dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling op regelmatige tijdstippen een schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt (artikel 12), over een toereikende reserve beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen (artikelen 15 tot en met 17) en een beleggingsbeleid voert dat in overeenstemming is met de ‘prudent person’-regel (artikel 18).
3. De specifieke regeling voor grensoverschrijdende activiteiten
19.
Volgens artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/41 moeten de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen toestaan bij te dragen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Tevens moeten zij de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening toestaan bijdragen te aanvaarden van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd.
20.
Indien een instelling die grensoverschrijdende diensten wenst te verrichten, is hiervoor voorafgaande goedkeuring door haar lidstaat van herkomst vereist (artikel 9, lid 5).
21.
Daartoe moet zij overeenkomstig artikel 20, lid 3, van richtlijn 2003/41 de bevoegde autoriteit van die staat informeren over de lidstaat (lidstaten) waarin zij heeft besloten haar uitkeringen te verstrekken, de naam van de bijdragende onderneming en de voornaamste kenmerken van de uit te voeren pensioenregeling. Overeenkomstig artikel 20, lid 4, van deze richtlijn moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, tenzij zij van mening is dat de betrokken instelling de beoogde uitkering niet kan verstrekken, binnen drie maanden de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis stellen.
22.
Artikel 20, leden 5 tot en met 10, van richtlijn 2003/41 regelt de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en hun respectieve bevoegdheden om met name te waarborgen dat de activiteiten worden verricht met inachtneming van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst.
23.
De lidstaten moesten krachtens artikel 22, lid 1, van richtlijn 2003/41 de nodige bepalingen in werking doen treden om vóór 23 september 2005 aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan in kennis stellen. Volgens hetzelfde artikel, leden 3 en 4, konden de lidstaten de toepassing van de artikelen 17, leden 1 en 2, en 18, lid 1, sub f, onder de in die leden voorziene voorwaarden uitstellen tot 23 september 2010.
II — Precontentieuze procedure
24.
Op 11 juli 2006 heeft de Tsjechische Republiek de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij richtlijn 2003/41 had omgezet in haar nationale rechtsorde bij wet nr. 340/2006 betreffende de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van de lidstaten van de Europese Unie op het grondgebied van de Tsjechische Republiek.
25.
Op 18 oktober 2006 zond de Commissie deze lidstaat een aanmaningsbrief waarin zij vaststelde dat de artikelen 1 tot en met 5, 8, 9, 13 en 15 tot en met 21 niet of slechts gedeeltelijk waren omgezet.
26.
De Tsjechische Republiek antwoordde bij brief van 18 december 2006. Zij gaf in wezen aan dat zij, daar haar socialezekerheidsstelsel geen tweede pijler kent en er zich evenmin instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op haar grondgebied bevinden, de artikelen van richtlijn 2003/41 die de aanwezigheid van dergelijke instellingen veronderstellen, niet hoefde om te zetten.
27.
De Commissie heeft de Tsjechische Republiek bij brief van 23 maart 2007 een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar onvolledige omzetting van richtlijn 2003/41 verweet, met name van de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4.
28.
De Tsjechische Republiek heeft geantwoord bij brief van 24 juli 2007, waarin zij haar standpunt handhaafde en de haar verweten gebrekkige omzetting betwistte.
III — Conclusies en argumenten van partijen
29.
Bij verzoekschrift van 18 juli 2007 heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld, waarin zij het Hof verzoekt:
- ‘1)
vast te stellen dat de Tsjechische Republiek, door richtlijn [2003/41] niet volledig in haar nationale rechtsorde om te zetten, met name door artikel 8, artikel 9 in zijn totaliteit, de artikelen 13, 15 tot en met 18 en artikel 20, leden 2 tot en met 4, van [deze] richtlijn niet om te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens deze richtlijn, met name krachtens artikel 22, lid 1, ervan;
- 2)
de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.’
30.
De Tsjechische Republiek concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
31.
De Commissie voert aan dat de beperkte bevoegdheden van de Gemeenschap op het gebied van pensioenen de Tsjechische Republiek geenszins toestaat slechts enkele bepalingen van richtlijn 2003/41 om te zetten. Het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat niet bestaat, kan deze lidstaat niet ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate omzetting van de bepalingen van die richtlijn. Slechts wanneer de omzetting van een richtlijn om geografische redenen geen feitelijk doel dient, hoeft deze omzetting niet plaats te vinden.10.
32.
Volgens de Commissie tast de gedeeltelijke niet-omzetting van richtlijn 2003/41 de doeltreffendheid ervan ernstig aan. Daardoor verhindert de Tsjechische Republiek namelijk de vestiging van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op haar grondgebied. De doelstelling om een interne markt voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening tot stand te brengen zou ernstig in het gedrang komen wanneer elke lidstaat kon beslissen om niet te voldoen aan de verplichting tot het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden voor de activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op zijn grondgebied.
33.
De Commissie preciseert in dit verband dat richtlijn 2003/41 de lidstaten niet de verplichting oplegt de organisatie van hun pensioenstelsels te wijzigen. Zij verplicht hen er enkel toe, door voorschriften vast te stellen inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, het noodzakelijke rechtskader voor die werkzaamheden tot stand te brengen.
34.
Voorts onderstreept de Commissie dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die zijn gedefinieerd in artikel 6, sub a, van richtlijn 2003/41, niet mogen worden verward met de tweede pijler van het pensioenstelsel. Er kan namelijk niet worden uitgesloten dat sommige instellingen die werkzaamheden op Tsjechisch grondgebied uitoefenen en daar hun statutaire zetel of hoofdbestuur hebben, beantwoorden aan de definitie in dit artikel 6, sub a.
35.
Bovendien wijst de Commissie erop dat volgens de informatie waarover zij beschikt het Tsjechische recht de oprichting van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening niet verbiedt.
36.
Ten slotte meent de Commissie dat hoe dan ook, gelet op de rechtspraak, het feit dat er momenteel in de Tsjechische Republiek geen pensioeninstelling bestaat die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/41 valt, deze lidstaat niet ontheft van de verplichting om haar volledig om te zetten in nationaal recht. Het is in dit verband niet relevant dat het primaire recht de lidstaten de bevoegdheid verleent de fundamentele beginselen van hun pensioenstelsel vast te stellen. De verplichting tot omzetting van een richtlijn voor die lidstaten hangt namelijk niet af van de competentiebasis waarop zij is vastgesteld, noch van het gebied waartoe zij behoort, aangezien die verplichting voortvloeit uit de artikelen 10 EG en 249, derde alinea, EG, alsook uit de bewoordingen van die richtlijn.
37.
De Tsjechische Republiek is van mening dat zij niet verplicht is de door de Commissie genoemde bepalingen van richtlijn 2003/41 in haar nationale rechtsorde om te zetten, omdat zij daardoor een bedrijfspensioenregeling zou moeten invoeren die tot de tweede pijler behoort en dus de beginselen van haar socialezekerheidsstelsel zou moeten wijzigen, waarvan de organisatie volledig tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort.
38.
De Tsjechische Republiek verklaart in dit verband dat haar pensioenstelsel geen tweede pijler kent. Het is namelijk uitsluitend gebaseerd op enerzijds een verplichte wettelijke regeling voor alle verzekerden krachtens de wet inzake de pensioenverzekering, die tot de eerste pijler behoort, en anderzijds een aanvullende pensioenverzekering, die onder de derde pijler valt. Op grond van de huidige nationale regelgeving kan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zich niet op het Tsjechische grondgebied vestigen om er die activiteit uit te oefenen, want dan zou zij inbreuk maken op de wettelijke bepalingen inzake de uitoefening van een bedrijfsactiviteit op de financiële markt en aldus bestuursrechtelijk of strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Bovendien is er onvoldoende politieke wil en economisch potentieel om een bedrijfspensioenregeling in te voeren.
39.
Daar artikel 137, lid 4, eerste streepje, EG, dat een van de impliciete rechtsgrondslagen van richtlijn 2003/41 vormt, de lidstaten de bevoegdheid verleent de basisstructuur van hun socialezekerheidsstelsel af te bakenen, kan volgens de Tsjechische Republiek niet de omzetting van deze richtlijn worden geëist, die de daadwerkelijke uitoefening van het door het primaire recht gewaarborgde recht zou aantasten. Daar de bepalingen waarop dit beroep betrekking heeft, verplichtingen opleggen aan de lidstaten op het grondgebied waarvan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn gevestigd, zou de omzetting ervan onvermijdelijk leiden tot het scheppen van het wettelijk kader dat nodig is voor de werking van dergelijke ondernemingen op het grondgebied van de Tsjechische Republiek en dus tot de invoering van een tweede pijler in die lidstaat, hetgeen het totale financiële evenwicht van haar nationaal pensioenstelsel in hoge mate zou aantasten.
40.
Als voorbeeld noemt de Tsjechische Republiek artikel 9, lid 1, sub a, van richtlijn 2003/41, dat de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat de instelling is ingeschreven in een nationaal register of over een vergunning beschikt. Het opzetten van het passende register of de invoering van een passend vergunningenstelsel vereist noodzakelijkerwijs een desbetreffende wettelijke regeling. Het is niet mogelijk een dergelijke wettelijke regeling vast te stellen zonder tegelijk een regeling van het bedrijfspensioen als complex stelsel in te voeren, dat wil zeggen zonder bijvoorbeeld de rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen vast te leggen.
41.
De Tsjechische Republiek preciseert dat zij beseft dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in het algemeen niet mogen worden verward met het stelsel van de tweede pijler. Deze instellingen zijn echter een wezenlijk element van de pensioenstelsels, en het scheppen van een wettelijk kader voor de totstandbrenging ervan brengt noodzakelijk wijzigingen van het nationale pensioenstelsel zelf mee.
42.
Voorts wijst de Tsjechische Republiek erop dat de bij wet nr. 340/2006 gerealiseerde omzetting het door richtlijn 2003/41 nagestreefde doel verwezenlijkt. Deze wet heeft namelijk alle bepalingen inzake de grensoverschrijdende dienstverlening op het gebied van bedrijfspensioenen door in andere lidstaten gevestigde instellingen omgezet, waardoor de op haar grondgebied gevestigde ondernemingen aan de door die instellingen aangeboden pensioenregelingen kunnen bijdragen en die instellingen tegelijkertijd de desbetreffende diensten in de Tsjechische Republiek kunnen aanbieden.
43.
Op de vraag van het Hof hoe die machtiging om bij te dragen aan de in andere lidstaten gevestigde bedrijfspensioeninstellingen in overeenstemming kon worden gebracht met het ontbreken van de tweede pijler, heeft de Tsjechische Republiek geantwoord dat die dienstverlening niet als de totstandbrenging van een tweede pijler kon worden beschouwd, daar die instellingen hun activiteiten uitoefenen onder de verantwoordelijkheid van hun staat van herkomst en de Tsjechische Republiek met die activiteiten geen rekening kan houden bij de beoordeling van de vraag of aan de behoeften van haar staatsburgers wordt voldaan.
44.
Ten slotte kan de situatie in de onderhavige zaak volgens de Tsjechische Republiek, daar haar nationale rechtsorde het bestaan van de tweede pijler niet toestaat, niet worden gelijkgesteld met die in de door de Commissie genoemde zaken waarin het niet-bestaan van een activiteit in een lidstaat aan de orde was. De belemmering die in casu in de weg staat aan de uitvoering van de gemeenschapsregeling is niet van feitelijke aard en het gevolg van omstandigheden die elk moment kunnen veranderen, maar juridisch en gerelateerd aan de bevoegdheid van de lidstaten om de basisstructuur van hun socialezekerheidsstelsel te organiseren.
IV — Beoordeling
45.
Om te beginnen merk ik op dat de Commissie in haar verzoekschrift de Tsjechische Republiek verwijt dat zij richtlijn 2003/41, met name de door haar genoemde artikelen, niet volledig heeft omgezet.
46.
Ik ben van mening dat dit beroep slechts ontvankelijk is en kan worden onderzocht met betrekking tot de uitdrukkelijk in het verzoekschrift genoemde bepalingen van richtlijn 2003/41. Uit artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en uit de rechtspraak11. volgt namelijk dat de conclusies van het verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze moeten zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita beslist of nalaat op een van de grieven te beslissen.
47.
De Tsjechische Republiek erkent uitdrukkelijk dat zij de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18, en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 niet heeft omgezet. De maatregelen die deze bepalingen opleggen zijn dwingend geformuleerd, zoals ‘iedere lidstaat draagt er zorg voor dat […]’12., ‘[d]e lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat […]’13., of ‘[d]e bevoegde autoriteiten/[d]e lidstaat van herkomst/[d]e lidstaten eisen dat […] / verplichten […]’.14.
48.
Bovendien voorziet richtlijn 2003/41 in geen enkele afwijking van de verplichting tot omzetting de litigieuze artikelen, afgezien van de in artikel 22, leden 3 en 4, genoemde zeer beperkte afwijkingen van tijdelijk aard.15.
49.
De grief van de Commissie dat de Tsjechische Republiek de bepalingen van de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18, alsook 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 niet volledig heeft omgezet, is dus gegrond.
50.
De kernvraag van dit geding is of de Tsjechische Republiek op goede gronden kon nalaten die bepalingen om te zetten. De bijzonderheid van deze zaak is, dat volgens deze lidstaat de omzetting van de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41, die de lidstaten als staat van herkomst verplichtingen opleggen, hem zou dwingen zijn pensioenstelsel te wijzigen en zijn bevoegdheid op dit gebied dus zou aantasten.
51.
Volgens de Tsjechische Republiek zou de omzetting van de litigieuze bepalingen namelijk onvermijdelijk leiden tot het scheppen van het wettelijk kader dat nodig is voor de werking van dergelijke ondernemingen op haar grondgebied en dus de invoering van een tweede pijler meebrengen, hetgeen het totale financiële evenwicht van haar nationale pensioenstelsel in hoge mate zou aantasten.
52.
Met de Commissie ben ik van mening dat deze argumentatie niet kan worden aanvaard, en wel om de volgende redenen.
53.
Inderdaad staat vast dat de lidstaten de bevoegdheid hebben behouden om hun nationale pensioenstelsels vrijelijk te organiseren. Aan de Gemeenschap, die krachtens artikel 5 EG slechts beschikt over de bevoegdheden die haar zijn toegekend, is niet de bevoegdheid verleend dit gebied te reguleren of te harmoniseren. Artikel 137 EG, dat de bevoegdheden van de Gemeenschap op sociaal gebied vastlegt, sluit elke harmonisatiebevoegdheid op het terrein van de sociale zekerheid uit, waartoe de ouderdomspensioenen behoren. Voorts laten volgens artikel 137, lid 4, EG de door de Gemeenschap op basis van dit artikel vastgestelde bepalingen het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet en mogen zij geen gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel.
54.
Daaruit volgt dat de lidstaten vrijelijk de rol van elk van de drie pijlers in hun pensioenstelsel kunnen bepalen en, wat de tweede pijler betreft, de rol en de functies van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, zoals uitdrukkelijk in punt 9 van de considerans van richtlijn 2003/41 is aangegeven. Zij kunnen dus vaststellen in welke mate en onder welke voorwaarden de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen zich kunnen aansluiten bij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, om hun werknemers een pensioen te garanderen.
55.
Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moeten de lidstaten uiteraard de verplichtingen eerbiedigen die zij in het kader van het EG-Verdrag zijn aangegaan, hetgeen impliceert dat, wanneer het pensioenstelsel van een lidstaat een verkeersvrijheid beperkt, die lidstaat moet kunnen aantonen dat die beperking gerechtvaardigd is op grond van een legitieme overweging en evenredig is met het nagestreefde doel.
56.
In dit verband breng ik in herinnering dat de noodzaak voor een lidstaat om het financiële evenwicht van zijn pensioenstelsel te behouden een legitieme overweging vormt voor beperking van een verkeersvrijheid, zoals uitdrukkelijk voortvloeit uit artikel 137, lid 4, EG en de rechtspraak.16. Voorts heeft het Hof erkend dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de organisatie van hun pensioenstelsel wanneer die organisatie een complexe beoordeling van financiële gegevens meebrengt.17.
57.
Het is mijns inziens derhalve denkbaar dat een lidstaat, zonder aantasting van het gemeenschapsrecht, zijn pensioenstelsel uitsluitend op de eerste en derde pijler kan baseren en dus kan beslissen dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening geen enkele rol in dit stelsel mogen spelen. Ik merk op dat de Commissie de verenigbaarheid van het Tsjechische pensioenstelsel met het gemeenschapsrecht niet heeft betwist, voor zover de Tsjechische Republiek heeft besloten dat stelsel uitsluitend op de eerste en derde pijler te baseren.
58.
Die aan de lidstaten voorbehouden bevoegdheid kan het standpunt van de Tsjechische Republiek echter niet rechtvaardigen, daar de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41 de rol en de functies van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening binnen de nationale pensioenstelsels niet regelen. Zij strekken niet tot harmonisatie van de mate waarin en de voorwaarden waaronder op het grondgebied van de lidstaten gevestigde ondernemingen zich bij dergelijke instellingen kunnen aansluiten.
59.
Die bepalingen beogen op het grondgebied van een lidstaat gevestigde instellingen in staat te stellen pensioenen in de andere lidstaten uit te keren. Zij verplichten dan ook alle lidstaten ertoe de op hun grondgebied gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening aan diverse strenge prudentiële regels te onderwerpen om de toekomstige gepensioneerden die de pensioenen moeten ontvangen, een hoge mate van zekerheid te bieden.
60.
Die regels bestaan, zoals gezegd, in de juridische scheiding tussen de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de daaraan bijdragende ondernemingen, zodat in geval van faillissement van de bijdragende onderneming de activa van de instellingen beschermd zijn. (artikel 8), voorwaarden voor de bedrijfsvoering, ter waarborging van de betrouwbaarheid van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (inschrijving in een nationaal register of bezit van een vergunning, bestuur door personen van goede reputatie, naar behoren vastgestelde regels, door een deskundige gewaarmerkte technische voorzieningen, informatie van de deelnemers) (artikel 9), het verstrekken van een reeks inlichtingen aan de bevoegde autoriteiten (artikel 13), alsmede het aanhouden en het beheer van voldoende vermogen om hun verplichtingen te dekken (artikelen 15 tot en met 18).
61.
Ten slotte regelt artikel 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41 de procedure die een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening moet volgen wanneer zij in een andere lidstaat pensioenen wenst uit te keren, alsook de rol van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij is gevestigd.
62.
Mijns inziens kunnen dergelijke regels niets afdoen aan de rol en de functies van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening binnen het pensioenstelsel van iedere lidstaat.
63.
Dat wordt naar mijn mening ook bewezen door het feit dat al die regels dwingend zijn geformuleerd, terwijl andere bepalingen van richtlijn 2003/41, zoals de artikelen 4 en 5 ervan, uitdrukkelijk facultatief zijn en artikel 22 van die richtlijn in geen enkele afwijking van de verplichting tot omzetting van die bepalingen voorziet, afgezien van de in de leden 3 en 4 van dat artikel genoemde zeer beperkte afwijkingen van tijdelijke aard.
64.
Zoals gezegd heeft de gemeenschapswetgever voorts in punt 9 van de considerans van richtlijn 2003/41 aangegeven dat de richtlijn de bevoegdheid van de lidstaten om hun pensioenstelsel te organiseren, en met name om de plaats van de tweede pijler te bepalen, niet ter discussie mag stellen. De dwingende formulering van de betrokken artikelen, na deze verklaring, bevestigt dat volgens de wetgever, dus met name de lidstaten zelf, de omzetting van die artikelen die bevoegdheid niet ter discussie kon stellen.
65.
De omzetting van de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41 door de Tsjechische Republiek zou die lidstaat dus niet dwingen de rol en de functies van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening binnen zijn pensioenstelsel te wijzigen en een tweede pijler tot stand te brengen, zoals die lidstaat stelt. Wel zou de omzetting de Tsjechische Republiek kunnen dwingen de regels te wijzigen die die rol en functies beperken.
66.
De Tsjechische Republiek heeft namelijk uiteengezet dat op grond van haar regelgeving instellingen voor bedrijfspensioenverzekering zich niet op het Tsjechische grondgebied mogen vestigen en daar hun activiteiten uitoefenen, op straffe van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke vervolging. Volgens die lidstaat mogen de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen zich wel aansluiten bij in andere lidstaten gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. De Tsjechische Republiek heeft de rol van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening dus willen beperken door hen te verbieden zich op haar grondgebied te vestigen, en niet door het recht van nationale ondernemingen om zich bij dergelijke instellingen aan te sluiten te regelen.
67.
De omzetting van het bij richtlijn 2003/41 voorziene rechtskader betekent dus dat de Tsjechische Republiek haar wetgeving zal moeten wijzigen, voor zover die de vestiging van dergelijke instellingen op haar grondgebied verbiedt. Mijns inziens tast deze voor de uitvoering van deze richtlijn noodzakelijke aanpassing de aan de Tsjechische Republiek voorbehouden bevoegdheid niet aan, omdat die bevoegdheid zoals gezegd betrekking heeft op de vaststelling van de rol en de functies van die instellingen in haar pensioenstelsel. Anders gezegd, de bevoegdheid van de Tsjechische Republiek tot vaststelling van de rol en de functies van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in haar nationale stelsel moet worden uitgeoefend met inachtneming van het gemeenschapsrecht, met name van de bepalingen van richtlijn 2003/41.
68.
Mijns inziens moet deze lidstaat dus het in de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41 voorziene rechtskader tot stand brengen, zo nodig met opheffing van het verbod voor instellingen voor bedrijfspensioenverzekering om zich op zijn grondgebied te vestigen, zonder echter de rol en de functies die hij via deze instellingen in zijn nationale pensioenstelsel wil spelen te hoeven wijzigen en het feit ter discussie te stellen dat dit stelsel op de eerste en de derde pijler is gebaseerd. Zo zou de Tsjechische Republiek kunnen regelen in welke mate en onder welke voorwaarden de nationale ondernemingen zich bij deze instellingen kunnen aansluiten.
69.
In dit verband merk ik op dat de Tsjechische Republiek in haar antwoord op de vragen van het Hof heeft aangegeven dat het feit dat de op haar grondgebied gevestigde ondernemingen de mogelijkheid hebben zich aan te sluiten bij in andere lidstaten gevestigde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, het financiële evenwicht van haar pensioenstelsel niet aantast. Uit de uitleg van de Tsjechische Republiek is mij echter niet duidelijk geworden waarom dit noodzakelijkerwijs anders zou zijn wanneer die instellingen op haar grondgebied zouden zijn gevestigd.
70.
In dit stadium van het onderzoek is de laatste vraag die resteert, of een lidstaat verplicht is de betrokken bepalingen van richtlijn 2003/41 om te zetten, terwijl bij de huidige stand van de organisatie van zijn pensioenstelsel instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening geen of slechts een zeer kleine rol in dat stelsel spelen. Anders gezegd, het gaat dus om de vraag of een lidstaat gedwongen is een dergelijk rechtskader tot stand te brengen, terwijl dat mogelijk een lege huls blijft voor zover instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, aangezien zij hun activiteit in die lidstaat niet daadwerkelijk of naar behoren kunnen uitoefenen, zich in werkelijkheid daar niet zullen vestigen.
71.
Het antwoord op die vraag is mijns inziens gemakkelijk af te leiden uit de rechtspraak.
72.
Volgens vaste rechtspraak ontheft het feit dat een activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat niet bestaat, die lidstaat niet van de verplichting haar om te zetten.
73.
Zo heeft het Hof in het arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland18., geoordeeld dat in een lidstaat het ontbreken van een met een richtlijn onverenigbare of verboden praktijk (het ging om bij richtlijn 79/409/EEG van de Raad19. verboden jachtmethoden) die lidstaat niet kan ontheffen van zijn verplichting die richtlijn om te zetten. En volgens het reeds aangehaalde arrest Commissie/Griekenland20. kon het feit dat in Griekenland geen enkel slachthuis voor het slachten van eenhoevigen was erkend, die lidstaat niet van de verplichting ontslaan om die dieren te vermelden in haar regeling voor de toepassing van de krachtens richtlijn 93/118/EG van de Raad te heffen retributie.21.
74.
Ten slotte heeft het Hof in het arrest van 13 december 2001, Commissie/Ierland22., en in het eerdergenoemde arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk geoordeeld dat het feit dat er geen hogesnelheidstrein in Ierland en Noord-Ierland operationeel was, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet onthief van de verplichting tot omzetting van richtlijn 96/48/EG van de Raad.23.
75.
Het ontbreken van de in die richtlijnen voorziene situatie werd niet relevant geacht, omdat het volgens het Hof niet alleen van belang is om vooruit te lopen op een wijziging van die feitelijke situatie, maar vooral om onder alle omstandigheden de effectieve toepassing van de richtlijnen te verzekeren.24. Anders gezegd, volgens het Hof moesten de lidstaten het rechtskader vaststellen dat de effectieve toepassing van de betrokken richtlijn binnen de daarin zelf gestelde termijn mogelijk maakte, ook al hoefde dit rechtskader in feite niet onmiddellijk te worden toegepast.
76.
Slechts wanneer om geografische redenen geen wijziging van die feitelijke situatie mogelijk is, hoeft die omzetting niet plaats te vinden.25.
77.
Wanneer de feitelijke situatie waardoor de richtlijn geen doel treft, kan veranderen en die richtlijn dus inderdaad kan worden toegepast, moet de richtlijn derhalve worden omgezet, opdat de doeltreffendheid en de effectieve toepassing ervan niet worden vertraagd wanneer de omstandigheden waardoor zij geen doel kon treffen zijn verdwenen.
78.
Mijns inziens kan deze rechtspraak a fortiori worden getransponeerd naar een situatie als die in casu, waarin het feit dat een richtlijn geen doel treft niet voortvloeit uit een zuiver feitelijke situatie, die niet noodzakelijk afhangt van de betrokken lidstaat, maar uit een juridische context die volledig onder zijn beslissingsbevoegdheid valt.
79.
Ten eerste kan in het laatste geval immers ook die juridische context veranderen. De betrokken richtlijn moet dus ook onmiddellijk effect kunnen sorteren wanneer de betrokken lidstaat besluit die context te wijzigen.
80.
Ten tweede moet worden voorkomen dat een lidstaat, daar hij bevoegd is tot wijziging van de juridische context waardoor de betrokken richtlijn geen doel treft, in de verleiding kan komen die context in stand te houden enkel om te ontkomen aan de in die richtlijn opgelegde verplichtingen.
81.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging het beroep van de Commissie gegrond te verklaren voor zover het betrekking heeft op de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18, en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41, en de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.
V — Conclusie
82.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging het onderhavige niet-nakomingsberoep ontvankelijk en gegrond te verklaren voor zover het betrekking heeft op de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18, en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑10‑2009
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235, blz. 10).
Onder de eerste pijler vallen de verplichte omslagstelsels. Onder de derde pijler vallen de individuele contracten, van het type levensverzekeringscontracten.
Punten 6, 8 en 36 van de considerans.
Punten 7 en 20 van de considerans.
Punt 9 van de considerans luidt als volgt:‘Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld.’
Het kapitalisatiestelsel wordt gekenmerkt door het feit dat de pensioenen worden voorgefinancierd en dat de uitkering ervan wordt gewaarborgd door reserves. Het verschilt van het omslagstelsel, waarbij de pensioenen worden betaald uit de lopende premieontvangsten.
De Commissie citeert de arresten van 16 november 2000, Commissie/Griekenland (C-214/98, Jurispr. blz. I-9601, punt 22), en 30 mei 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-441/00, Jurispr. blz. I-4699, punten 15 en 17).
Zie met name arrest van 21 februari 2008, Commissie/Italië (C-412/04, Jurispr. blz. I-619, punten 103–105).
Artikelen 8, 9 en 13.
Artikelen 15 en 17.
Artikelen 14, 16 en 18.
Volgens artikel 22, lid 3, van richtlijn 2003/41 kunnen ‘[d]e lidstaten […] de toepassing van artikel 17, leden 1 en 2, op op hun grondgebied gevestigde instellingen die op de in lid 1 van dit artikel genoemde datum niet beschikken over het minimumbedrag aan voorgeschreven eigen vermogen dat is voorgeschreven bij artikel 17, leden 1 en 2, uitstellen tot 23 september 2010’. Krachtens lid 4 van hetzelfde artikel kunnen ‘[d]e lidstaten […] de toepassing van artikel 18, lid 1, sub f, op op hun grondgebied gevestigde instellingen uitstellen tot 23 september 2010’.
Zie met name arrest van 4 maart 2004, Haackert (C-303/02, Jurispr. blz. I-2195, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 21 september 1999, Albany (C-67/96, Jurispr. blz. I-5751, punt 119).
C-339/87, Jurispr. blz. I-851, punten 22, 25 en 32.
Richtlijn van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1).
Punt 26.
Richtlijn van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee (PB L 340, blz. 15).
C-372/00, Jurispr. blz. I-10303.
Richtlijn van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem (PB L 235, blz. 6).
Reeds aangehaalde arresten Commissie/Nederland (punten 22 en 25), en Commissie/Griekenland (punten 23 en 27).
Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald (punt 17).