HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7258, NJ 2009/554.
HR, 21-12-2021, nr. 20/02982
ECLI:NL:HR:2021:1936
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-12-2021
- Zaaknummer
20/02982
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1936, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑12‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:932
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:4030
ECLI:NL:PHR:2021:932, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1936
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0399
Uitspraak 21‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Eenvoudig belediging (art. 266.1 Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging. Kon hof tul van eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelasten bij veroordeling voor feit dat is begaan vóór oplegging van voorwaardelijke straf? Mede gelet op bewoordingen van art. 14c.1 Sr en ratio van algemene voorwaarde, moet worden aangenomen dat tul van voorwaardelijk opgelegde straf vanwege niet naleving van algemene voorwaarde niet kan worden gelast t.z.v. strafbaar feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór uitspraak waarbij voorwaardelijke straf is opgelegd (vgl. HR:2009:BJ7258). In aanmerking genomen dat bewezenverklaard feit is begaan op 12-4-2017 en vonnis waarbij voorwaardelijke straf waarvan tul is gevorderd is opgelegd dateert van latere datum (19-1-2018), had hof dus niet tul van die straf mogen gelasten. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op vordering tul en afwijzing van vordering tul.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02982
Datum 21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 september 2020, nummer 23-003188-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van 19 januari 2018, alsnog af te wijzen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor een op 12 april 2017 begaan strafbaar feit. Verder heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 19 januari 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand toegewezen. De uitspraak van het hof houdt hierover het volgende in:
“Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2018, parketnummer 13-684317-17, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.”
2.3
Artikel 14c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.”
2.4.1
Mede gelet op de bewoordingen van artikel 14c lid 1 Sr en de ratio van de algemene voorwaarde, moet worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf vanwege niet naleving van de algemene voorwaarde niet kan worden gelast ter zake van een strafbaar feit waaraan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd (vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7258).
2.4.2
In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit is begaan op 12 april 2017 en dat het vonnis waarbij de voorwaardelijke straf waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd is opgelegd, dateert van een latere datum, te weten 19 januari 2018, had het hof dus niet de tenuitvoerlegging van die straf mogen gelasten.
2.5
Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 19 januari 2018, parketnummer 13-684317-17, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021.
Conclusie 09‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Tul gelast van eerder voorwaardelijk opgelegde straf voor een feit waaraan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór de uitspraak waarbij die voorwaardelijke straf is opgelegd. Strijd met ECLI:NL:HR:2009:BJ7258. Conclusie strekt tot vernietiging van beslissing tot tenuitvoerlegging en zelf afdoen door HR.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02982
Zitting 9 november 2021
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 7 september 2020 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ter zake van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde, vrijgesproken van het in zaak B tenlastegelegde en in zaak A onder 2. wegens “eenvoudige belediging”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft het hof de verdachte een geldboete van 300,- euro opgelegd, te vervangen door zes dagen hechtenis, en de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder door de rechtbank Amsterdam voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt over de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, omdat de proeftijd van die voorwaardelijke gevangenisstraf ten tijde van het bewezenverklaarde feit nog niet was aangevangen.
3.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 april 2017 te Amsterdam opzettelijk [betrokkene 1], in het openbaar, in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "je bent een lul, je moeder is een hoer, je bent een hoerenjong".
3.2.
Ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf overweegt het hof in het bestreden arrest:
“Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2018, parketnummer 13-684317-17, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.”
3.3.
Het vonnis van de rechtbank Amsterdam dat het hof noemt staat ook vermeld in het Uittreksel justitiële documentatie dat zich tussen de stukken van het geding bevindt. Over dit vonnis vermeldt dit uittreksel onder meer:
“Parket OVJ Amsterdam 13-684317-17
(…)
Datum beslissing:
19 januari 2018 Meervoudige strafkamer rechtbank Amsterdam
(…)
Beslissing t.a.v. Feit 1, Feit 2, Feit 4, Feit 5, Feit 6:
1 Maanden Gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 Jaren
Start- en einddatum proeftijd: 03 februari 2018 - 02 februari 2020”
3.4.
Blijkens ditzelfde Uittreksel justitiële documentatie is deze uitspraak onherroepelijk geworden op 3 februari 2018.
3.5.
In gevallen waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, kan de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van deze straf worden gelast indien de veroordeelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd (art. 6.6.21 Sv). Als algemene voorwaarde geldt in elk geval dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (art. 14c Sr).
3.6.
In aanvulling op de tekst van deze bepaling heeft de Hoge Raad bepaald dat “de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf vanwege niet naleving van de algemene voorwaarde niet kan worden gelast ter zake van een strafbaar feit waaraan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.”1.
3.7.
Dit laatste heeft het hof in deze zaak wel gedaan. Het heeft de verdachte immers veroordeeld voor een feit begaan op 12 april 2017, terwijl de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd is gedaan op 19 januari 2018.
3.8.
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van 19 januari 2018, alsnog af te wijzen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑11‑2021