Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, 18-05-2026, nr. NL26.26026
ECLI:NL:RBDHA:2026:12335
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
18-05-2026
- Zaaknummer
NL26.26026
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:12335, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 18‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 18‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewaring, 59-1-a, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26026
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 10 april 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw1.opgelegd.
1.1.
De minister heeft een kennisgeving gedaan van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt als beroep aangemerkt en als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde is op de rechtbank in Groningen verschenen. Daar is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden) 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, omdat zijn asielaanvraag op 29 maart 2026 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser heeft eerder, op 13 oktober 2023, een terugkeerbesluit naar Tunesië ontvangen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Omzetting
7. De stelling van eiser, dat de grondslag voor de maatregel van bewaring te laat is omgezet, treft geen doel. Een beroep op niet tijdige omzetting moet worden gedaan tegen de maatregel waarvan wordt gesteld dat die ten onrechte te laat is omgezet.2.Omdat die maatregel nu niet ter toetsing voorligt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of die maatregel te laat is omgezet.
Gronden
8. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. Naar het (ambtshalve) oordeel van de rechtbank volgt uit de niet betwiste zware en lichte gronden – met de gegeven motivering en in onderlinge samenhang bezien – dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Nu deze gronden niet zijn betwist, staat het risico tot onttrekking aan het toezicht vast.3.Eiser stelt dat desondanks een lichter middel volstaat, omdat hij meewerkt aan terugkeer. Dat eiser in de top X-lijst van overlastgevende asielzoekers staat, betekent niet dat geen lichter middel kan worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht in zijn overwegingen betrokken dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel. Zo is eiser eerder, op 13 oktober 2023, met onbekende bestemming vertrokken, is hij tweemaal zonder een goede reden niet verschenen bij vertrekgesprekken en heeft hij sinds zijn eerste asielaanvraag in 2022 geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Pas in april 2026 heeft hij een kopie van zijn paspoort overgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarendheid
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft ter zitting aangevoerd dat de dag voor de maatregel, op 9 april 2026, een lp4.-aanvraag naar DIA5.is verzonden. Deze aanvraag was niet compleet, omdat de vingerafdrukken van eiser ontbraken. Op 20 april 2026 is de aanvraag opnieuw ingediend, waarbij ook een kopie van het paspoort is gevoegd. Daarnaast loopt er een apart traject voor vrijwillige terugkeer bij IOM.6.Zowel DT&V als IOM zijn in afwachting van een reactie van de ambassade voor wat betreft de reisdocumenten. Ook is er op 11 mei 2026 is er een vertrekgesprek met eiser gevoerd.
Non refoulement
11. Eiser vreest voor zijn leven in Tunesië en stelt dat er niet genoeg naar het risico bij terugkeer is gekeken. Hij verwijst hiervoor naar het Adrar-arrest7.. Eiser stelt daarnaast dat hij terug zou gaan omdat dit moet, niet omdat hij dit wil.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser op 29 maart 2026 een beschikking heeft gekregen op zijn asielaanvraag. In het kader van zijn asielaanvraag is het risico op refoulement beoordeeld. Daarnaast is eiser tijdens zijn gehoor voorafgaand aan de omzetting op 10 april 2026, gevraagd naar veranderingen in zijn persoonlijke verhaal en of er iets persoonlijks was wat meegenomen behoorde te worden in de beslissing. Eiser heeft hierop verklaard: “Nee, er niks is veranderd.” In de maatregel van bewaring is vervolgens verwezen naar dit verhoor en de verklaringen van eiser tijdens het eerdere gehoor en is overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat sprake is van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat de refoulementbeoordeling onvoldoende was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
13. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt.8.Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Tunesië geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken.
Ambtshalve toetsing
14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.9.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑05‑2026
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945.
Laissez passer.
Directie Internationale Aangelegenheden.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990 en 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275.
Zie ook de arresten Adrar en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).