HR, 24-06-1997, nr. 5046
ECLI:NL:HR:1997:ZD0782
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
24-06-1997
- Zaaknummer
5046
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1997:ZD0782, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 24‑06‑1997; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:16
ECLI:NL:PHR:1997:16, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑04‑1997
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZD0782
- Wetingang
Uitspraak 24‑06‑1997
Inhoudsindicatie
Herziening. Militaire zaak. Dienstweigering, art. 139 WMSr. Aangevoerd wordt dat HR OM n-o zou hebben verklaard in zijn vervolging indien HR bekend zou zijn geweest met bij aanvraag gevoegde beschikking van Minister van Defensie, inhoudende erkenning van bezwaren van aanvrager tegen vervulling van militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Indien inhoud van deze beschikking aan HR bekend zou zijn geweest vóórdat arrest werd gewezen, zou HR ’s Hofs arrest hebben vernietigd, behalve v.zv. daarbij vonnis van Rb is vernietigd, en ex art. 10 Wet gewetensbezwaren militaire dienst OvJ alsnog n-o hebben verklaard in zijn vervolging. Hier is derhalve sprake van omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2 Sv. Aangezien reeds thans vaststaat dat na verwijzing van zaak ex art. 465.2 Sv geen andere beslissing kan volgen dan niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in zijn vervolging, zal HR om doelmatigheidsredenen zaak zelf afdoen. HR verklaart aanvraag gegrond en verklaart OvJ alsnog n-o in zijn strafvervolging.
24 juni 1997
Strafkamer
Nr. 5046 Herz.
LD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Anhem, militaire kamer, van 28 maart 1995, ingediend door mr. J. Versteegh, advocaat te Leiden, namens:
[aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem, militaire kamer, van 7 oktober 1994 – de aanvrager ter zake van ‘’als militair weigeren iedere dienst, van welke soort ook, te verrichten’’ veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf.
1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 juni 1996 het tegen ’s Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.
2. Grondslag van de aanvrage
De aanvrager voert als grondslag voor de aanvrage aan dat de Minister van Defensie bij beschikking van 14 mei 1996 de bezwaren van aanvrager heeft erkend als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en dat, ware dit aan de Hoge Raad bekend geweest vóórdat gemeld arrest van 25 juni 1996 werd gewezen, de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou hebben in zijn vervolging.
3. De vordering van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft gevorderd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren en de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Bij de aanvrage is een kopie overgelegd van de beschikking van de Minister van Defensie van 14 mei 1996 op een verzoekschrift van de aanvrager, houdende verzoek tot erkenning van zijn bezwaren tegen de vervulling van militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 Wet gewetensbezwaren militaire dienst, waarbij de Minister, gelet op het bepaalde in art. 7, eerste lid, van die Wet, de bezwaren van aanvrager heeft erkend als ernstige gewetensbezwaren.
4.2. Indien de inhoud van deze beschikking aan de Hoge Raad bekend zou zijn geweest vóórdat gemeld arrest van 25 juni 1996 werd gewezen, zou de Hoge Raad ’s Hofs arrest hebben vernietigd, behalve voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd, en ingevolge het bepaalde in art. 10 Wet gewetensbezwaren militaire dienst de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk hebben verklaard in zijn vervolging.
4.3. Hier is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is. Aangezien reeds thans vaststaat dat na verwijzing van de zaak ingevolge art. 465, tweede lid, Sv geen andere beslissing kan volgen dan de niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vervolging, zal de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de aanvrage gegrond;
Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem, militaire kamer, van 28 maart 1995, uitgesproken tegen aanvrager, behalve voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd;
Verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 24 juni 1997.
Conclusie 01‑04‑1997
Inhoudsindicatie
Herziening. Militaire zaak. Dienstweigering, art. 139 WMSr. Aangevoerd wordt dat HR OM n-o zou hebben verklaard in zijn vervolging indien HR bekend zou zijn geweest met bij aanvraag gevoegde beschikking van Minister van Defensie, inhoudende erkenning van bezwaren van aanvrager tegen vervulling van militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Indien inhoud van deze beschikking aan HR bekend zou zijn geweest vóórdat arrest werd gewezen, zou HR ’s Hofs arrest hebben vernietigd, behalve v.zv. daarbij vonnis van Rb is vernietigd, en ex art. 10 Wet gewetensbezwaren militaire dienst OvJ alsnog n-o hebben verklaard in zijn vervolging. Hier is derhalve sprake van omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2 Sv. Aangezien reeds thans vaststaat dat na verwijzing van zaak ex art. 465.2 Sv geen andere beslissing kan volgen dan niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in zijn vervolging, zal HR om doelmatigheidsredenen zaak zelf afdoen. HR verklaart aanvraag gegrond en verklaart OvJ alsnog n-o in zijn strafvervolging.
Nr. 5046 Herz.
Parket, 1 april 1997
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Op 11 oktober 1993 heeft aanvrager zich schuldig gemaakt aan overtreding van art. 139 Wetboek van Militair Strafrecht; hij werd hiervoor in hoger beroep bij arrest van 28 maart 1995 veroordeeld door de militaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem en het cassatieberoep daartegen werd op 25 juni 1996 door de Hoge Raad verworpen.
2. Thans wordt herziening aangevraagd op de grond dat de Minister van Defensie aanvrager op 14 mei 1996, dus voordat de Hoge Raad in deze zaak arrest heeft gewezen, heeft erkend als gewetensbezwaarde.
3. Het betreft hier een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat het arrest waarvan herziening wordt verzocht, is gewezen. In het algemeen kunnen dergelijke omstandigheden niet tot herziening leiden, maar nu het hier gaat om een omstandigheid die, indien deze Uw Raad bekend was geweest, zou hebben geleid tot vernietiging van ’s hofs arrest en niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in zijn vervolging, is dat anders. Vgl. HR NJ 1987, 865 voor een vergelijkbaar geval. Zie ook de kritische kanttekeningen van Strijards, Revisie p. 151-152 bij dat arrest. Uw Raad kan de zaak, evenals in NJ 1987, 865 het geval was, zelf afdoen door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. Een nader onderzoek naar de feiten is immers niet nodig.
Gelet op het voorafgaande meen ik dat de aanvrage ontvankelijk is. Ik concludeer daarom dat Uw Raad de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal bevelen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,