Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.7.2:2.7.2 Het verlengde acquisition finance device
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.7.2
2.7.2 Het verlengde acquisition finance device
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90919:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 65.
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 73 en 4265.
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 4302-4303.
IX.–4:101 leden 1 en 2 sub a DCFR. Art. VIII.5:204 lid 3 DCFR
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 4318-4319.
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 4318-4319.
Von Bar, Clive & Schulte-Nölke 2009, p. 4640.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de ontwerpers van de DCFR dient voor de gevolgen van natrekking, zaaksvorming, eigenlijke en oneigenlijke vermenging moet een balans te worden gevonden tussen ‘certainty’ en ‘fairness’.1 Daarnaast moet de uitkomst rechtvaardig zijn. Dit betekent volgens de ontwerpers:
“It is not enough to produce an answer to the question of who owns the resulting goods. The result must also be fair. Where, for example, one person acquires ownership by producing something out of material owned by another [bijvoorbeeld een leverancier], a fair result is achieved by giving the person who loses ownership a right to payment of an amount equal to the value of the material at the moment of production, secured by a proprietary security right in the new goods.”2
Het continueren van de zekerheid op het surrogaat is deze te billijken uitkomst, zo volgt uit verschillende bepalingen in de DCFR.
Bij bestanddeelvorming verliest de leverancier zijn voorbehouden eigendom of zekerheidsrecht op de oorspronkelijke zaak, maar verkrijgt hij een zekerheidsrecht op de eenheidszaak.3 Dit zekerheidsrecht strekt tot zekerheid van de vordering tot vergoeding van de waarde van de geleverde zaak.4 Op deze wijze wordt de eenheidszaak die is ontstaan door natrekking beschermd en verkrijgen de oorspronkelijke gerechtigden een recht op de eenheidszaak.5
Ook bij zaaksvorming verliest de leverancier zijn voorbehouden eigendom of zekerheidsrecht op de oorspronkelijke zaak, maar verkrijgt de leverancier een zekerheidsrecht op deze nieuwe zaak die eigendom wordt van de fabrikant.6
Bij eigenlijke of oneigenlijke vermenging geldt het voorgaande ook. De leverancier verkrijgt een aandeel in het vermengde geheel, indien zijn onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak is vermengd met zaken van derden. Had hij geen eigendomsvoorbehoud bedongen maar een zekerheidsrecht, dan verkrijgt hij een zekerheidsrecht op (een aandeel in) het vermengde geheel.7
Kortom, in al deze gevallen verkrijgt de leveranciereen zekerheidsrecht met superprioriteit op het surrogaat van zijn geleverde zaak. Hij verkrijgt steeds een zekerheidsrecht op de eenheidszaak of nieuwe zaak dat in rang komt voor eerder gevestigde zekerheidsrechten ten gunste van andere schuldeisers.8 Wel moet de leverancier deze verlenging bedingen.9
Ter rechtvaardiging van het continueren van de voorrangspositie worden meerdere argumenten aangevoerd door de ontwerpers van de DCFR. Ten eerste heeft de prestatie van de leverancier bijgedragen aan een vergroting van het vermogen van de koper geleid. Ten tweede heeft de prestatie van de leverancier het mogelijk gemaakt dat de koper een eenheidszaak of nieuwe zaak kan produceren. De leverancier heeft de tegenprestatie echter nog niet voldaan gekregen. Voor deze tegenprestatie dient hij zekerheid te verkrijgen. Aangezien de geleverde zaak zich, in een gewijzigde vorm, nog bevindt in het vermogen van de koper, is het billijk dat de leverancier hierop een eerste zekerheidsrecht verkrijgt. Ten derde bestaat een nauwe band tussen de gesecureerde vordering en de zaak waarop het zekerheidsrecht rust. Ten vierde frustreert deze voorrangspositie niet de rechten van andere schuldeisers volgens de ontwerpers van de DCFR, want:
“Before having paid the monetary equivalent to the former owner of the goods involved in production or combination, the producer (principal part owner) is not entitled to the full value of the new or combined goods.” 10
Economisch gezien is de koper slechts gerechtigd tot de waarde van zijn arbeid die is vertegenwoordigd in de nieuwe zaak en de gebruikte zaken die zijn eigendom waren. Schuldeisers van de koper mogen niet gerechtvaardigd verwachten dat de koper zijn verhaalsvermogen kan vergroten en zaken kan gebruiken voor zijn productieproces ten koste van een leverancier die deze zaken op krediet heeft geleverd en nog niet betaald is.11
Ook bij doorverkoop wordt het billijk geacht om de leverancier te beschermen tegen het verlies van zijn voorrangspositie. Daarom verkrijgt de leverancier een zekerheidsrecht met superprioriteit op de vordering die ontstaat door doorverkoop van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken, mits hij dit zekerheidsrecht bedingt en registreert.12 De voorbehouden eigendom wordt omgezet in een zekerheidsrecht op het economische surrogaat, evenals bij natrekking, vermenging en zaaksvorming. De ontwerpers merken op dat dit het ‘economically reasonable result’ is.13 Er wordt gewezen op het Duitse recht waar hetzelfde resultaat wordt bereikt.