HR, 10-04-2012, nr. S 10/03701
ECLI:NL:HR:2012:BW1441
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 10/03701
- LJN
BW1441
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BW1441, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1441
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑08‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/03701
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 11 juni 2010, nummer 21/004693-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het Hof heeft verzuimd art. 36f Sr te vermelden als wettelijk voorschrift waarop de oplegging van de maatregel berust, tot het alsnog vermelden van art. 36f Sr als wettelijk voorschrift waarop de opgelegde maatregel is gegrond en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd art. 36f Sr te vermelden als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust.
3.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen:
"Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze."
3.3. Aldus heeft het Hof - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - voldaan aan het in art. 358, vierde lid, Sv bepaalde, zodat het middel feitelijke grondslag mist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 07‑08‑2010
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande;
dat verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem, uitgesproken op 11 juni 2010, de volgende middelen van cassatie voordraagt.
Middel I.
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359 lid 3 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, aangezien de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, althans dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair — zonder nadere motivering die ontbreekt — onbegrijpelijk is.
Toelichting
2.
Het hof heeft verzoeker onder 1 subsidiair veroordeeld voor — kort gezegd — poging tot diefstal in een bakkerij aan de [a-straat] [1] te [a-plaats], gepleegd op 16 september 2008 door twee of meer verenigde personen.
Voorzover hier van belang heeft het hof voor het bewijs gebruikt gemaakt van de volgende bewijsmiddelen:
- a.
het proces-verbaal van aanhouding, inhoudende dat verzoeker op 16 september 2008 in slagerij [A] aan de [a-straat] [2] te [a-plaats] is aangehouden;
- b.
de verklaring van verzoeker dat hij op 16 september 2008 samen met [medeverdachte] heeft ingebroken in slagerij [A] in [a-plaats];
- c.
een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende dat bij de veiligheidsfouillering van verzoeker twee baco's en een multitool met voornamelijk inbussleutels zijn aangetroffen, welke stukken gereedschap in beslag zijn genomen;
- d.
het proces-verbaal van onderzoek regionale technische recherche, inhoudende: ‘De verstelbare schroefsleutels, merk Irega en Gedore, werden door mij, [naam], veiliggesteld en voor nader onderzoek overgedragen aan de werktuigsporendeskundige van de politie Utrecht.’
- e.
een proces-verbaal van onderzoek van de technische recherche, inhoudende dat de afgebroken cilinder voor nader onderzoek werd veiliggesteld;
- f.
een verkort proces-verbaal, inhoudende — zakelijk weergegeven — :
‘op 29 september 2008 ontving de divisie recherche, afdeling werktuigsporen van de forensische opsporing, politie Utrecht:
- [1]
een afgebroken slotcilinderdeel met werktuigsporen, gewaarmerkt [a-straat] [1] te [a-plaats], 16-09-2008, [nummer 1], cilinder achterdeur, SIN [nummer 2];
- [2]
een verstelbare schroefsleutel, merk IREGA, type 77-6, gewaarmerkt [nummer 3].
De werktuigsporen in cilinderdeel [1] zijn veroorzaakt met verstelbare schroefsleutel [2].’
3.
De hierboven onder a tot en met c genoemde bewijsmiddelen houden niets anders in dan dat verzoeker samen met [medeverdachte] in de betreffende nacht in de buurt was van de bakkerij op nummer [1], te weten in de slagerij op nummer [2], en dat bij verzoeker gereedschap is aangetroffen. Verzoeker is echter onder 2 veroordeeld wegens poging tot diefstal met braak in de slagerij op nummer [2], zodat zijn aanwezigheid aldaar net als het bezit van gereedschap uit dien hoofde verklaarbaar is. Behoudens deze bewijsmiddelen is het enige bewijsmiddel voor het onder 1 subsidiaire feit de vergelijking van de werktuigsporen in het veiliggestelde cilinderdeel met een verstelbare schroefsleutel. De bewijsmiddelen houden echter niet in dat dit onderzoek is verricht met één van de baco's die bij verzoeker zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. De bij verzoeker in beslag genomen baco's vermelden immers uitsluitend het merk en niet tevens het type en het waarmerknummer. Voorts zit er tussen de inbeslagneming van het gereedschap op 16 september 2008 en de ontvangst van gereedschap op 29 september 2008 een periode van ongeveer twee weken, zodat het niet uitgesloten geacht kan worden dat de divisie recherche het cilinderdeel met ander dan van verzoeker afkomstig gereedschap heeft vergeleken. Nu de bewijsmiddelen ook overigens niets inhouden waaruit de directe betrokkenheid van verzoeker bij feit 1 subsidiair kan worden afgeleid en het hof daaromtrent verder niets heeft overwogen, blijkt de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen, althans is de bewezenverklaring — zonder nadere motivering die ontbreekt — onbegrijpelijk.
Middel II.
4.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder is artikel 358, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering geschonden, aangezien het hof aan verzoeker de verplichting heeft opgelegd om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij een bedrag van € 1.260,50 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, terwijl het hof bij de van toepassing zijnde wetsartikelen niet het wettelijk voorschrift heeft vermeld waarop deze maatregel is gegrond.
5.
Redenen, waarom verzoeker zich wendt tot uw hoogedelachtbaar college met het verzoek het voormelde arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, dan wel te verwijzen naar een aangrenzend hof.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
advocaat — gemachtigde
M.L. Plas