RFR 2011/69
Familieprocesrecht. Vordering tot nadere verdeling van schulden op grond van art. 3:179 lid 2 BW. Wanneer is sprake van gezag van gewijsde? In hoeverre kunnen schulden worden verdeeld?
HR 08-04-2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2320
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 april 2011
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk
- Zaaknummer
09/04452
- Conclusie
A-G Wesseling-van Gent
- LJN
BP2320
- JCDI
JCDI:ADS908639:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Goederenrecht / Gemeenschap
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Erfrecht / Algemeen
Financiële planning / Estate planning
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2011:BP2320, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2011
ECLI:NL:PHR:2011:BP2320, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑01‑2011
- Wetingang
BW art. 3:179; Rv art. 236
Essentie
Familieprocesrecht. Huwelijksvermogensrecht.
Vordering tot nadere verdeling van schulden op grond van art. 3:179 lid 2 BW. Wanneer is sprake van gezag van gewijsde? In hoeverre kunnen schulden worden verdeeld?
Samenvatting
Partijen zijn gewezen echtgenoten. Zij waren met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. In een eerder vonnis had de rechtbank reeds de wijze van verdeling tussen partijen vastgesteld. Daarbij had de rechtbank bepaald dat een aantal schulden, die de man in de verdeling wilde betrekken, ‘als onvoldoende onderbouwd buiten de scheiding en deling van de gemeenschap dienen te blijven’. Tegen dit vonnis stelde de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.