Vgl. HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5019, rov. 3.5, en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.38.
HR, 07-12-2021, nr. 20/02162
ECLI:NL:HR:2021:1839
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-12-2021
- Zaaknummer
20/02162
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1839, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑12‑2021; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2017:1414
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:872
ECLI:NL:PHR:2021:872, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑10‑2021
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2017:1414
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1839
- Vindplaatsen
Uitspraak 07‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Diefstal, 310 Sr. 1. Betekening oproeping nadere tz. in hoger beroep, art. 588.3.c (oud) Sv. 2. Aanwezigheidsrecht. Had ex art. 588a.1.c Sv afschrift van oproeping moeten worden verzonden naar in appelakte vermeld adres van verdachte? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/02163 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02162
Datum 7 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 mei 2017, nummer 22-005155-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.
Conclusie 19‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Betekeningsperikelen. Middel klaagt onder meer over oordeel hof dat oproeping van verdachte op juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat toezending afschrift oproeping naar een in de informatiestaat SKDB-persoon vermelde, door de verdachte opgegeven woon-of verblijfplaats achterwege kon blijven. Conclusie strekt tot verwerping
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02162
Zitting 19 oktober 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 mei 2017 door het gerechtshof Den Haag bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 november 2015 waarbij hij bij verstek wegens “diefstal” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen dezelfde verdachte die is ingeschreven onder nr. 20/02163. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte op correcte wijze is opgeroepen voor de zitting van 3 mei 2017, althans dat de verzendplicht als bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c (oud), Sv niet van toepassing was dan wel dat daaraan was voldaan. Deze klacht komt erop neer dat volgens de steller van het middel de oproeping voor de terechtzitting van 3 mei 2017 of een afschrift daarvan had moeten worden gezonden aan het adres [a-straat 1] te [plaats ] . De tweede klacht ligt in het verlengde daarvan en houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst teneinde de verdachte alsnog in staat te stellen bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn, en verstek heeft verleend tegen de verdachte. Deze beslissing van het hof zou in strijd zijn met art. 590, derde lid, (oud) Sv dat aansluit bij de verzendplicht in art. 588a (oud) Sv. Gezien hun samenhang lenen beide klachten zich voor gezamenlijke bespreking.
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
(i) een proces-verbaal van politie van 23 juli 2015, inhoudende als verklaring van de verdachte op vragen van de verbalisant:
“V: Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie staat u niet ingeschreven. Wat is de reden dat u niet ingeschreven staat?
A: […] Ik slaap bij mijn moeder en vriendin.
V: Waar woont uw vriendin?
A: [b-straat 1] in [plaats ] .
V: Met wie woont u daar?
A: Met mijn vriendin.
[…]
V: Hoelang wonen jullie al samen?
A: Ik woon niet echt bij haar. Zij heeft maar een kamer. Zij woont daar met haar kind. Ik slaap er ongeveer vier nachten in de week. De rest slaap ik bij een vriend of mijn moeder.”
(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 18 november 2015, dat onder meer inhoudt dat de verdachte niet is verschenen;
(iii) een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 19 november 2015 de verdachte, wonende te [a-straat 1] te [plaats ] , ter griffie van de rechtbank kwam en hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter;
(iv) een kopie van de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2016, gericht aan het adres [a-straat 1] te [plaats ] ;
(v) een akte van uitreiking, onder meer inhoudende dat die oproeping op 15 september 2016 niet is kunnen worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats ] , omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar niet woont noch verblijft;
(vi) de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 21 april 2016 en 14 november 2016, op welke terechtzittingen de verdachte is niet verschenen;
(vii) een kopie van de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2017, gericht aan het adres [c-straat 1] te [plaats ] ;
(viii) een akte van uitreiking, inhoudende dat die oproeping op 10 maart 2017 niet is kunnen worden uitgereikt op het adres [c-straat 1] te [plaats ] , omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar niet woont noch verblijft, dat de oproeping op 17 maart 2017 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag omdat de verdachte op de dag van aanbieding van de oproeping en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens (hierna: BRP) op het adres [c-straat 1] te [plaats ] was ingeschreven en dat op 17 maart 2017 een afschrift van de oproeping is verzonden naar het adres [c-straat 1] te [plaats ] ;
(ix) twee Informatiestaten SKDB-persoon van 17 maart 2017 en 2 mei 2017 die telkens onder meer inhouden dat:
- -
de verdachte met ingang van 10 augustus 2016 in de BRP stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats ] ;
- -
de verdachte, voordat hij op 10 augustus 2016 op het adres [c-straat 1] te [plaats ] werd ingeschreven, vanaf 14 oktober 2015 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats ] had en daarvoor vanaf 9 december 2014 een onbekend adres had;
- -
het adres [a-straat 1] te [plaats ] de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte betreft, met als datum van registratie 15 augustus 2016;
(x) een kopie van de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2017, gericht aan het adres [b-straat 1] te [plaats ] .
6. Het proces-verbaal dat is opgemaakt van de nadere terechtzitting van 3 mei 2017 houdt met betrekking tot de oproeping van de verdachte, het volgende in:
“De verdachte, opgeroepen als:
[…]adres: [c-straat 1] te [plaats ] ,is niet ter terechtzitting verschenen.De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat.De voorzitter houdt de betekeningsstukken voor en deelt mede dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van heden op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 2 mei 2017 is het huidige BRP-adres van de verdachte [c-straat 1] te [plaats ] , zulks met ingang van 10 augustus 2016. Op 10 maart 2017 heeft er tevergeefs een betekeningspoging plaatsgevonden op dit adres. Degene die zich op dit adres bevond heeft medegedeeld dat de verdachte niet op dit adres woont of verblijft. De akte is derhalve op 17 maart 2017 aan de griffie uitgereikt. Op die datum is er ook een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting van heden naar dit adres verzonden.
Voorts deelt de voorzitter mede dat de oproeping voor de terechtzitting van heden op 23 februari 2017 als gewone brief tevens is verzonden naar het door de verdachte bij zijn eerste verhoor op 23 juli 2015 opgegeven adres, te weten naar [b-straat 1] te [plaats ] .
Op de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 2 mei 2017 is als laatst opgegeven adres, vanaf 14 oktober 2015, vermeld het adres [a-straat 1] te [plaats ] , welk adres op 15 augustus 2016 is opgegeven, althans geregistreerd. Een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting van heden is niet naar dit — overigens inmiddels achterhaalde – adres verstuurd, omdat reeds voor de terechtzitting van 14 november 2016 is getracht de oproeping op dit adres te betekenen. Toen is door degene die zich op dit adres bevond, medegedeeld dat de verdachte niet op dit adres woont of verblijft. Een afschrift naar dit adres kon dus thans achterwege blijven.Het gerechtshof verleent verstek, tegen de niet verschenen verdachte.”
7. Ter onderbouwing van het middel wordt in de schriftuur allereerst aangevoerd dat blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 2 mei 2017 de registratie van het adres [a-straat 1] te [plaats ] dateert van na de inschrijving in de BRP op het adres [c-straat 1] te [plaats ] . Verder wordt aangevoerd dat het adres [a-straat 1] , [plaats ] op 19 november 2015 bij het instellen van hoger beroep is opgegeven als adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
8. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- -
art. 588 (oud) Sv:
“1. De uitreiking geschiedt:
(…)
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,
(…)
3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,
(…)
c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.
(…)”
- -
art. 588a, eerste lid, (oud) Sv:
“In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”
- -
art.590 (oud) Sv:
“(…)
2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.”
9. Het middel stelt als gezegd allereerst het oordeel van het hof dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 3 mei 2017 op de juiste wijze heeft plaatsgevonden aan de orde. Met dat oordeel heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat deze oproeping rechtsgeldig is betekend.
10. In dat kader stel ik vast dat, nadat de oproeping niet kon worden uitgereikt op het adres [c-straat 1] te [plaats ] , de oproeping overeenkomstig art. 588, derde lid, aanhef en onder c, (oud) Sv is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat de verdachte op de dag van aanbieding van de oproeping en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de BRP op dit adres was ingeschreven, waarna een afschrift van de oproeping is toegezonden aan het adres [c-straat 1] te [plaats ] . Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 3 mei 2017 rechtsgeldig is betekend geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de omstandigheid dat op 15 augustus 2016 het adres [a-straat 1] te [plaats ] is geregistreerd als de woon- of verblijfplaats van de verdachte geen gevolgen heeft voor de wijze waarop de oproeping betekend diende te worden. De uitreiking vindt op grond van art. 588, eerste lid, (oud) Sv immers plaats aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Pas wanneer de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP geschiedt de uitreiking aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
11. Met betrekking tot het oordeel van het hof dat toezending van een afschrift van de oproeping naar het [a-straat 1] te [plaats ] achterwege kon blijven, stel ik vast dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep op 19 november 2015 heeft opgegeven dat hij woonde op het adres [a-straat 1] te [plaats ] . Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende Informatiestaten SKDB-persoon stond de verdachte op dat moment in de BRP ook ingeschreven op dat adres. Dat betekent dat het adres [a-straat 1] te [plaats ] niet kan gelden als een adres in de zin van art. 588a, eerste lid, aanhef en onder c, (oud) Sv. Van een dergelijk adres is namelijk alleen sprake indien bij het instellen van een rechtsmiddel een ander adres is opgegeven dan dat waarop de verdachte is ingeschreven in de BRP.1.
12. Ook overigens kan uit de stukken van het geding niet blijken dat het adres [a-straat 1] te [plaats ] heeft te gelden als een adres waarnaar op grond van art. 588a, eerste lid, (oud) Sv een afschrift van de oproeping diende de te worden toegezonden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte bij het eerste politieverhoor een ander verblijfadres heeft opgegeven en dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg noch ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.
13. Gelet op het voorgaande geeft het kennelijke oordeel van het hof dat art. 588a Sv niet noopte tot toezending van een afschrift van de oproeping naar het adres [a-straat 1] te [plaats ] , wat er ook zij van de door het hof gegeven motivering, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kennelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat geen afschrift is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats ] geen aanleiding gaf om over te gaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting overeenkomstig art. 590, derde lid, (oud) Sv geeft daarmee evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
14. Kennelijk heeft het hof voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat op 15 augustus 2016 het adres [a-straat 1] te [plaats ] is geregistreerd als de woon- of verblijfplaats van de verdachte, terwijl hij in de BRP stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats ] , geen aanleiding vormt om overeenkomstig art. 590, tweede lid, (oud) Sv de oproeping van de niet verschenen verdachte op dat adres te bevelen. Ook dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat, zoals het hof ook heeft vastgesteld, op 15 september 2016 de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 14 november 2016 niet kon worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats ] omdat door degene die zich op dit adres bevond is medegedeeld dat de verdachte niet op dit adres woont of verblijft. Daaruit heeft het hof naar mijn mening kunnen afleiden dat zich in deze zaak niet het geval voordoet dat ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte feitelijk op een ander adres verblijft. Dit zou anders liggen als het hof zich had moeten realiseren dat – zoals gelet op het resultaat van een korte zoekslag op internet waarschijnlijk in het onderhavige geval – sprake is van een adres waarop nachtopvang aan daklozen wordt aangeboden. In dat geval immers kan uit de omstandigheid dat de verdachte op een bepaald moment niet op het betreffende adres verblijft, niet zonder meer worden afgeleid dat hij daar op een later moment niet verblijft. In de onderhavige zaak was het hof daarmee kennelijk ambtshalve niet bekend, terwijl (helaas) het SKDB-formulier en – voor zover in cassatie valt na te gaan – ook de overige stukken van het strafdossier daarvoor geen aanwijzingen bieden.
15. Ten slotte merk ik op dat in een geval als het onderhavige, waarin de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch een raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.2.Nu de stukken van het geding geen aanwijzingen bevatten voor het tegendeel, heeft het hof er vanuit kunnen gaan dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het hof heeft aldus zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen en verstek te verlenen, zodat het middel ook in zoverre faalt.
16. Het middel faalt in alle onderdelen.
Slotsom
17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑10‑2021
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.33.