Zie Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 02-08-2024, nr. 23/166
ECLI:NL:RBZWB:2024:5361
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
02-08-2024
- Zaaknummer
23/166
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2024:5361, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02‑08‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2024081505
FutD 2024-1799
Uitspraak 02‑08‑2024
Inhoudsindicatie
WOZ-waarde winkelpand. Ongegrond. Wel vergoeding van ISV, griffierecht en PKV.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/166
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [naam 1] , verbonden aan [organisatie] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk , de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 december 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 januari 2022 de waarde van de onroerende zaak [het object] te [plaats] (hierna: het object) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 1.010.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Waalwijk voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [naam 2] , verbonden aan [organisatie] , en namens de heffingsambtenaar is [taxateur] , verschenen.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van het object. Het is een winkel (bouwjaar 1979) met op de begane grond een winkeloppervlakte van 385 m2 en een magazijn van 83 m2 en op de eerste verdieping een winkeloppervlakte van 182 m2 en een magazijn van 83 m2.
Beoordeling door de rechtbank
3. Belanghebbende heeft tijdens de zitting aangegeven dat de beroepsgronden met betrekking tot de vastgestelde waarde van het object niet meer in geschil zijn.
3.1.
Het geschil beperkt zich tot de vraag of sprake is van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de uitspraak op bezwaar om deze reden moet worden vernietigd.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Schending van artikel 40 van de Wet WOZ
4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de onderbouwing van de kapitalisatiefactor niet heeft verstrekt, terwijl daar wel om is verzocht. Ook heeft de heffingsambtenaar niet inzichtelijk gemaakt hoe de huurwaarden zijn vastgesteld. Volgens belanghebbende is artikel 40 van de Wet WOZ geschonden.
4.1.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten.1.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat bij het vaststellen van de waarde van de woning geen kapitalisatiefactor is gebruikt. In het taxatieverslag staat weliswaar een kapitalisatiefactor genoemd, maar deze is niet gebruikt bij de berekening van de waarde van het object. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat gebruik is gemaakt van de vergelijkingsmethode voor de waardering van het object. Van gebruik van huurwaarden bij de berekening is dus evenmin sprake.
4.3.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de heffingsambtenaar stelt. In het taxatieverslag dat ten grondslag ligt aan de waardevaststelling staan weliswaar huurwaarden en een kapitalisatiefactor vermeld, maar deze gegevens spelen geen rol bij de waardering aan de hand van de vergelijkingsmethode. Met betrekking tot de informatie die ten grondslag ligt aan de vergelijkingsmethodiek is geen informatieverzoek gedaan. Ten overvloede vermeldt de rechtbank op deze plaats dat ook indien daarvan wel moet worden uitgegaan, de heffingsambtenaar juist heeft gehandeld op dit punt. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van heden met zaaknummer 22/5885 waarin in soortgelijke zin is geoordeeld.
4.4.
Van een schending door de heffingsambtenaar van artikel 40 van de Wet WOZ is daarom geen sprake.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Belanghebbende doet een beroep op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 8 maart 2022. De rechtbank doet uitspraak op 2 augustus 2024, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond vijf maanden.
5.2.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank medebepalend dat belanghebbende in deze procedure een vennootschap is en de belangen enkel van financiële aard zijn. Ten opzichte van andere procedures op grond van de Wet WOZ gaat het in deze procedure weliswaar om een iets groter financieel belang, maar daar staat tegenover dat dergelijke financiële belangen ook vaker voorkomen bij een vennootschap als belanghebbende dan bij een gemiddelde particulier. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 50. De meer recente rechtsregels van de Hoge Raad op dit punt2., gelden niet voor zaken waarin voorafgaand aan de datum van dit arrest – 14 juni 2024 – om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is verzocht en de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (in dit geval bezwaar en beroep) op 14 juni 2024 was overschreden.
5.3.
De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 1 december 2022. De bezwaarfase heeft afgerond negen maanden geduurd en daarmee drie maanden te lang. Dit brengt mee dat het gehele bedrag voor rekening komt van de heffingsambtenaar.
Toegekende vergoedingen uitbetalen aan belanghebbende zelf
6. De gemachtigde van belanghebbende verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Belanghebbende is van mening dat het cessieverbod discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij beroept belanghebbende zich op het artikel 17 EVRM.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de wijze van betaling van vergoedingen rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid de toetsing van wetten in formele zin, zoals de Wet WOZ, aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.3.Wetten in formele zin kunnen daarmee op grond van artikel 94 van de Grondwet uitsluitend worden getoetst aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties en daarnaast aan rechtstreeks werkend Unierecht.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ oog gehad voor het door de gemachtigde gestelde discriminatieverbod, de contractsvrijheid en de regels betreffende gelijke behandeling.
6.3.
In de Memorie van toelichting bij de wijziging van de wettelijke regeling voor de uitbetaling van vergoedingen is ingegaan op de redenen voor invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm en ook op het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Met het verplicht uitbetalen van vergoedingen aan belanghebbende wordt volgens de wetsgeschiedenis beoogd dat dit zal leiden tot meer betrokkenheid en bewustwording van belanghebbenden bij de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de geldelijke opbrengst daarvan.4.Dat sprake is van een nadeligere positie van belanghebbende ten opzichte van rechtens gelijke gevallen is niet aannemelijk gemaakt.
6.4.
Ten aanzien van artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ is in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm geen overgangsrecht opgenomen zodat deze bepalingen van toepassing zijn op alle uitbetalingen van vergoedingen die worden gedaan vanaf 1 januari 2024. Een voor die datum door belanghebbende getekende machtiging (met cessie) maakt dit niet anders. Uitbetaling van de vergoeding aan belanghebbende zelf, staat immers niet in de weg aan een contractuele afspraak tussen de gemachtigde en belanghebbende onderling, inhoudende dat een (aan belanghebbende) uitbetaalde vergoeding aan de gemachtigde verschuldigd is. Van inbreuk op de rechten van belanghebbende, beperking van de toegang tot de rechter of strijd met de contractvrijheid is dus geen sprake.5.Daarbij is tevens gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat de rechter voorheen ook niet gehouden was om te beslissen op een verzoek om de kostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende.6.Daarbij merkt de rechtbank nog op dat met de betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende, deze rechtstreeks de beschikking krijgt over het bedrag dat hem persoonlijk toekomt als vergoeding voor de veronderstelde spanning en frustratie.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de weergegeven toelichting een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven voor de gewijzigde regeling van de uitbetaling van proceskosten en heeft de wetgever in redelijkheid tot het gemaakte onderscheid kunnen komen. Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat die regeling in strijd is met een discriminatieverbod of een ongeoorloofd onderscheid maakt. De onder 6 genoemde stellingen van de gemachtigde worden dan ook verworpen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Ook moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, omdat een verzoek daartoe is gedaan voor het van kracht worden van het arrest van de Hoge Raad op dit punt.7.
7.1.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875,- en de wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dus € 218,75, te betalen door de heffingsambtenaar.
7.2.
De hiervoor genoemde vergoedingen moeten rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald.8.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep ongegrond;
- -
veroordeelt de heffingsambtenaar het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 50;
- -
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- -
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 2 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑08‑2024
Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest) en de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Kamerstukken II, 2023-2024, Aanhangsel van de Handelingen, 1130, antwoord op vraag 1.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567
Artikel 30a, vierde en vijfde lid van de Wet WOZ