HR, 15-11-2011, nr. 10/01944
ECLI:NL:HR:2011:BT2561
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15-11-2011
- Zaaknummer
10/01944
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BT2561
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BT2561, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑11‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2561
ECLI:NL:PHR:2011:BT2561, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑09‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT2561
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑11‑2011
Inhoudsindicatie
Het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur a.b..i. art. 410.1 Sv opgegeven getuigen zijn ttz door de verdediging gehandhaafd. Nu zich hier niet de uitzondering van art. 418.2 Sv voordoet, had het Hof bij de beoordeling daarvan de maatstaf van art. 288.1 Sv moeten hanteren.
15 november 2011
Strafkamer
nr. 10/01944
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 26 april 2010, nummer 21/003662-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld als getuigen te horen.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"1. Zij in de maand januari 2007 te Wijk bij Duurstede, tezamen en in vereniging met een ander nodeloos van pony's en een paard de gezondheid heeft benadeeld door voornoemde pony's en paard te weiden in een weide waar geen beschutting tegen regen en wind aanwezig was en voornoemde pony's te weiden in een weide waar geen plek aanwezig was waar voornoemde pony's konden gaan liggen zonder daarbij nat te worden;
2. zij in de maand januari 2007 te Wijk bij Duurstede, tezamen en in vereniging met een ander als houder van dieren, te weten pony's en een paard, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden door deze dieren onvoldoende drinkwater aan te bieden en deze dieren onvoldoende bij te voeren terwijl er in de weide waarin die dieren zich bevonden geen gras groeide en aanwezig was en geen zorg te dragen voor de noodzakelijke hoefverzorging."
2.3. Namens de verdachte is op 11 september 2008 hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoort een door de raadsman van de verdachte op 25 september 2008 ingediende appelschriftuur. Deze houdt het volgende in:
"Ik ben voornemens de navolgende getuigen en/of getuige(n)-deskundige ter zitting te doen horen:
(...)
4. De heer J.B.A. Loomans, dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, Yalelaan 12 te Utrecht;
5. De heer drs. J.P. Koeman, dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, Yalelaan 12 te Utrecht;
6. drs. J.M. Heijltjes, dierenarts, Yalelaan 1 te Utrecht;
7. Drs. M.H. van Barneveld, dierenarts, Yalelaan 1 te Utrecht (...)"
2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2010 houdt het volgende in:
"De voorzitter constateert dat op 25 september 2008, dus binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na het vonnis van 11 september 2008, een appelschriftuur met grieven per fax is ingediend.
De raadsman handhaaft zijn verzoek en ten aanzien van de door hem verzochte getuigen wil hij het volgende nader toelichten.
(...)
- J.B.A. Loomans en drs. J.P. Koeman, beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, kunnen verklaren over het onderzoek dat zij naar c.q. op de dieren hebben verricht. Dit is van belang nu hun verklaringen zijn gebruikt voor het bewijs.
- drs. J.M. Heijltjes en drs. M.H. van Barneveld beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, hebben de vier pony's en het paard onderzocht en kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen en de conclusies die zij daaraan hebben verbonden.
(...)
De advocaat-generaal verzet zich tegen het verzoek van de raadsman. Hij geeft aan dat zijns inziens het noodzaakcriterium hier aan de orde is. Gelet op het feit dat zoveel mensen onafhankelijk van elkaar hebben geconstateerd dat de dieren de nodige verzorging is onthouden en de verdediging enkel stelt dat de dieren wel goed verzorgd zijn, acht de advocaat-generaal het horen van deze getuigen niet noodzakelijk.
Het hof schorst het onderzoek voor beraad.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:
- voor wat betreft de getuigen-deskundigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld is het noodzaakcriterium aan de orde. Het hof wijst het verzoek deze getuigen-deskundigen te horen af, nu de noodzaak daartoe niet gebleken is. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat de bevindingen van de getuigen-deskundigen zijn gebruikt voor het bewijs maakt dit niet anders.
(...)"
2.5. In een geval waarin in de appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv, een opgave van getuigen wordt gedaan, dient de rechter, gelet op art. 418, eerste lid, Sv, behoudens de zich hier niet voordoende uitzondering van art. 418, tweede lid, Sv de in art. 288, eerste lid, Sv voorziene maatstaf te hanteren. Voor het onderhavige geval betekent dit dat het Hof onder ogen had te zien of redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het afzien van de oproeping van J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld als getuigen de verdachte niet in haar verdediging wordt geschaad. Het Hof heeft dus een onjuiste maatstaf gehanteerd.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 15 november 2011.
Conclusie 20‑09‑2011
Mr. Aben
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem heeft bij arrest van 26 april 2010 de verdachte ter zake van 1. ‘Medeplegen van: een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd’ en 2. ‘Medeplegen van: een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof een zwarte pony (merrie) en een zwart paard (merrie) verbeurd verklaard.
2.
Namens de verdachte heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuige [betrokkene 2] in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2.
De raadsman heeft op 25 september 2008 per fax — zodoende binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na het vonnis van de rechtbank op 11 september 2008 — een appelschriftuur met grieven ingediend waarin hij aangeeft voornemens te zijn een achttal getuigen te horen, te weten:
- —
[verbalisant 1], verbalisant;
- —
[verbalisant 2], verbalisant;
- —
[betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming/boa;
- —
J.B.A. Loomans, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht;
- —
J.P. Koeman, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht;
- —
J.M. Heijltjes, dierenarts;
- —
M.H. van Barneveld, dierenarts;
- —
[betrokkene 2], hoefsmid.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verzoek om het horen van deze getuigen gehandhaafd en dit verzoek als volgt nader toegelicht:
- ‘—
[verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden politieagent te Utrecht, kunnen verklaren over de situatie ter plaatse, gelet op de verklaring van verdachte dat de pony's naar een andere (goede) wei zijn gebracht.
- —
[betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, kan verklaren over de conditie waarin de dieren verkeerde.
- —
J.B.A. Loomans en drs. J.P. Koeman, beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, kunnen verklaren over het onderzoek dat zij naar c.q. op de dieren hebben verricht. Dit is van belang nu hun verklaringen zijn gebruikt voor het bewijs.
- —
drs. J.M. Heijltjes en drs. M.H. van Barneveld. beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, hebben de vier pony's en het paard onderzocht en kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen en de conclusies die zij daaraan hebben verbonden.
- —
[betrokkene 2], de hoefsmid, kan verklaren over het geconstateerde achterstallig onderhoud aan de hoeven van de dieren. Vooral nu verdachte aangeeft dat wat de hoefsmid beschrijft zich niet verhoudt met de constatering dat de hoeven brokkelig waren.’
3.3.
Het hof heeft naar aanleiding van het verzoek van de verdediging, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, het volgende overwogen:
- ‘—
voor wat betreft de getuigen-deskundigen, J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld is het noodzaakcriterium aan de orde. Het hof wijst het verzoek deze getuigen-deskundigen te horen af, nu de noodzaak daartoe niet gebleken is. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat de bevindingen van de getuigen-deskundigen zijn gebruikt voor het bewijs maakt dit niet anders.
- —
het hof wijst het verzoek de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad nu onduidelijk is welke vragen de verdediging wil stellen in relatie tot het onderhavige delict. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd.
(…)
- —
het hof wijst ook het verzoek de getuige [betrokkene 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. De getuige heeft verklaard dat de dieren hoefverzorging nodig hadden hetgeen door de verdediging niet wordt betwist.’
3.4.
Het verzoek van de raadsman betreft een bij appelschriftuur gedaan getuigenverzoek van getuigen die niet eerder ter terechtzitting in eerste aanleg of bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is ingevolge art. 288, eerste lid onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv — voor zover hier van belang — of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, het zogeheten verdedigingsbelang.
3.5.
Gelet op het voorgaande heeft het hof, nu het ten aanzien van de getuigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld heeft overwogen dat het noodzaakcriterium aan de orde is derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij de afwijzing van het verzoek tot horen van deze getuigen. Aldus is het eerste middel terecht voorgesteld.
3.6.
Ten aanzien van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft het hof overwogen dat de verdachte door het niet horen van de verzochte getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf (art. 288, lid 1 onder c, Sv) toegepast. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot het horen van deze getuigen ten grondslag heeft gelegd, is het oordeel van het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, niet onbegrijpelijk. De raadsman van de verdachte heeft immers op geen enkele wijze nader geconcretiseerd waarom het horen van de getuige van belang was voor de verdediging. Aldus faalt het tweede middel.
3.7.
Met betrekking tot de getuige [betrokkene 2] heeft het hof overwogen dat — omdat door de verdediging niet wordt betwist hetgeen door de getuige is verklaard, te weten dat de dieren hoefverzorging nodig hadden — redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege van het verhoor van deze getuige de verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gelet op de omstandigheid dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft aangevoerd dat ‘de noodzakelijke hoefverzorging altijd werd gedaan’, kan mijns inziens niet worden gesteld dat door de verdediging niet wordt betwist dat de dieren hoefverzorging nodig hadden. Nu het getuigenverzoek kennelijk uitsluitend op deze grond is afgewezen is de afwijzing van het verzoek om deze getuige te horen in het licht van het ruime criterium van het verdedigingsbelang niet toereikend gemotiveerd.
4.
Zowel het eerste als het derde middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden vonnis aanleiding behoort te geven.
5.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden