Prg. 2024/228
540 huurders van woonruimte vorderen tevergeefs schorsing van inning huurverhoging omdat die op een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding zou zijn gebaseerd, aangezien het spoedeisend belang én de vordering onvoldoende concreet zijn.
Rb. Rotterdam 05-07-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6176
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
5 juli 2024
- Magistraten
Mr. V.F. Milders
- Zaaknummer
11161206 VV EXPL 24-314
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Huurbeleid
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Huurrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Europees verbintenissenrecht
Huurrecht / Huurprijzen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBROT:2024:6176, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 05‑07‑2024
- Wetingang
Art. 6:231, 6:233 onder a, 7:201 BW; art. 2Richtlijn 93/13/EEG; art. 237, 254, 256 Rv
Essentie
Huurrecht. Dienen verhuurders van woonruimte innen van huurverhoging te schorsen tot Hoge Raad prejudiciële vragen over huurprijswijzigingsbepalingen heeft beantwoord?
Nee. De 540 huurders hebben onvoldoende concreet gemaakt welk spoedeisend belang iedere individuele huurder heeft en ook overigens zijn vorderingen onvoldoende concreet.
Samenvatting
540 woninghuurders vorderen aan verhuurders te gebieden om per 1 juli het innen of opeisen van huurverhoging te schorsen op straffe van een dwangsom. En terugbetaling of verrekening van reeds betaalde huurverhoging. Hieraan leggen zij ten grondslag dat hun huurovereenkomst een oneerlijke huurprijswijzigingsbepaling bevat. De verhuurders moeten daarom wachten tot de Hoge Raad prejudiciële vragen daarover ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.