HR 1 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7122. Zie ook HR 28 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6420, NJ 1979/190 en HR 17 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7985, NJ 1984/25.
HR, 13-05-2025, nr. 24/00620
ECLI:NL:HR:2025:722
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-2025
- Zaaknummer
24/00620
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:722, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑05‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:314
Nationale procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHARL:2025:4133
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:336
ECLI:NL:PHR:2025:336, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:722
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑08‑2024
- Vindplaatsen
NJ 2025/315 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen (poging tot) moord door in 2019 op parkeerterrein bij sportcentrum in Amstelveen meermalen met vuurwapen op slachtoffer te schieten in bijzijn van zijn 5-jarige zoontje, art. 289 Sr jo. 45 Sr. Kon hof art. 63 Sr buiten toepassing laten na andere veroordeling van verdachte t.z.v. medeplegen moord, op de grond dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk was? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BX9407 en HR:2013:BZ9992 m.b.t. situatie waarin hof de verdachte veroordeelt voor feit waarop als zodanig (ter vrije keuze van rechter) levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren is gesteld en rechter tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden acht. HR betrekt dat daarbij niet van belang is of veroordeling voor de door andere rechter al beoordeelde feiten al dan niet onherroepelijk is (vgl. HR:1983:AC7985). Hof heeft vastgesteld dat verdachte in andere strafzaak voor medeplegen moord is veroordeeld tot gevangenisstraf van 20 jaren en dat die veroordeling niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft hof overwogen dat het “alles afwegende gevangenisstraf voor tijdelijke duur van 28 jaar (...) passend en geboden” acht. In het licht van deze overweging heeft hof geoordeeld dat het “geen toepassing [zal] geven aan art. 63 Sr”. Tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van onjuiste rechtsopvatting. HR merkt op dat thans wetsvoorstel “herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken” aanhangig is. Dit wetsvoorstel strekt o.m. ertoe dat toepassing van art. 63 Sr wordt beperkt tot geval waarin verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld (vgl. HR:2018:2248). Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en verwijzing. Samenhang met 24/00522 en 24/00523 en met HR:2024:169.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00620
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2024, nummer 23-002096-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.D. Rijnsburger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat O.F. Qane een schriftuur ingediend. Die is echter pas bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen. De Hoge Raad zal daarom op deze schriftuur geen acht slaan.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot, indien aangewezen, verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) buiten toepassing heeft gelaten.
2.2
Het hof heeft de verdachte voor de op 12 december 2019 gepleegde feiten “medeplegen van moord” en “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaren. Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“8.3 Overwegingen van het hof
8.3.1.
Artikel 63 Sr
(...)
Kort samengevat komt de wettelijk regeling in beginsel erop neer dat:
a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter reeds beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit. (Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.)
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2023 op naam van de verdachte volgt dat hij op 20 december 2022 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Gelderland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar wegens het medeplegen van moord. Dit vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2022:7407. Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze zaak nog aanhangig is bij het Hof Arnhem-Leeuwarden en dat nog niet op korte termijn een uitspraak valt te verwachten; blijkens mededeling van de verdediging bevindt de zaak zich in de regiefase.
Het hof overweegt dat de regeling van artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 Sr in beginsel tot de conclusie leidt – nu rekening gehouden moet worden met de niet-onherroepelijke veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf – dat in de voorliggende zaak maximaal een tijdelijke gevangenisstraf van 10 jaar kan worden opgelegd.
Zoals hierna zal worden overwogen acht het hof gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 10 jaar geen passende straf.
Het hof heeft nadrukkelijk de vraag onder ogen gezien, of de verdachte door het opleggen van een 10 jaar te boven gaande tijdelijke gevangenisstraf enig nadeel ondervindt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de mogelijkheid, indien en voor zover het komt tot een bewezenverklaring en de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf, om met toepassing van artikel 63 Sr recht te doen en daarbij rekening te houden met het onderhavige arrest. In het geval de verdachte door het Hof Arnhem-Leeuwarden wordt vrijgesproken, is er vanzelfsprekend evenmin een probleem met artikel 63 Sr. Het laatste kan ook worden geconcludeerd als het Hof Arnhem-Leeuwarden zou komen tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Alles overziend, heeft de verdachte in geen enkel opzicht nadeel van het nu niet toepassen van artikel 63 Sr en kan – in ieder geval in de toekomst – ten aanzien van de verdachte worden voldaan aan de rol en betekenis van de samenloopregeling zoals neergelegd in de artikelen 63 en 57 Sr. Dit is ook het geval als in het onderhavige arrest een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 10 jaar wordt opgelegd.
Dat dit alles anders was geweest in het geval het vonnis van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022 onherroepelijk zou zijn geweest op het moment van het wijzen van het onderhavige arrest, is evident. In dat geval zou de samenloopregeling ertoe hebben genoopt om bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf deze te beperken tot maximaal 10 jaar.
8.3.2
De op te leggen straf
(...)
Zoals hiervoor overwogen zal het hof geen toepassing geven aan artikel 63 Sr.
(...)
Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 10 Sr:
“1. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.
2. De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijfentwintig jaren.
3. Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop van misdrijven, terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijfentwintig jaren wordt overschreden.
4. Zij kan in geen geval de tijd van dertig jaren te boven gaan.”
- Artikel 57 Sr:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- Artikel 63 Sr:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
- Artikel 289 Sr:
“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
Dit geval wordt hierdoor gekenmerkt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor onder meer een feit – moord – waarop als zodanig (ter vrije keuze van de rechter) levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren is gesteld. Als de rechter in zo’n geval een tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden acht, dan moet hij:a) nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter al beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijlb) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen enc) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.(Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 en HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992.)Daarbij is niet van belang of de veroordeling voor de door de andere rechter al beoordeelde feiten al dan niet onherroepelijk is (vgl. HR 17 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7985).
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in een andere strafzaak voor medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren en dat die veroordeling niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het “alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar (...) passend en geboden” acht. In het licht van deze overweging heeft het hof geoordeeld dat het “geen toepassing [zal] geven aan artikel 63 Sr”. Tegen de achtergrond van wat onder 2.4 is vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
2.7
Opmerking verdient dat bij het parlement momenteel het wetsvoorstel “herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken” aanhangig is (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34126, A). Dit wetsvoorstel strekt er onder meer toe dat de toepassing van artikel 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld. (Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2248.)
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Medeplegen poging moord op parkeerterrein bij sportcentrum in Amstelveen door meermalen op slachtoffer te schieten in bijzijn van vijfjarige zoontje (art. 45, 47 en 289 Sr). Kon het hof art. 63 Sr buiten toepassing laten na een nog niet-onherroepelijke veroordeling van de rechtbank voor een andere moord? Het middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging wat betreft de strafoplegging en, indien aangewezen, tot verwijzing naar het hof waar het beroep in de andere zaak aanhangig is.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00620
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is - nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde - bij arrest van 15 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam, in zaak A, wegens "medeplegen van moord" en, in zaak B, wegens “medeplegen van poging tot moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het gerechtshof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft het hof toegewezen – en daarbij schadevergoedingsmaatregelen opgelegd – zoals in het arrest vermeld.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00522 en 24/00523. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Eveneens bestaat samenhang met de zaak 22/04940, waarin de Hoge Raad arrest heeft gewezen op 5 maart 2024.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.D. Rijnsburger, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. O.F. Qane, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie ingediend.
De zaak in het kort
2. De vaststellingen van het hof houden in dat op 12 december 2019 [slachtoffer] op het parkeerterrein van sportcentrum [A] in Amstelveen door twee personen is benaderd en onder vuur genomen. Daarbij zijn tenminste twaalf schoten gelost. [slachtoffer] is als gevolg daarvan overleden. Zijn vijfjarige zoontje [betrokkene] , die hij op dat moment zijn BMW hielp in te stappen, bleef ongedeerd. De schutters zijn door het hof geïdentificeerd als de verdachte en [medeverdachte 1] (zaak 24/00522). Op de BMW van [slachtoffer] was een peilbaken bevestigd. Volgens het hof is dit baken geplaatst – en op de dag van het incident verwijderd – door [medeverdachte 2] (zaak 24/00523). [medeverdachte 3] (zaak 22/04940) is veroordeeld voor zijn rol als chauffeur van de vluchtauto.
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
3.
3.1
Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 63 Sr.
3.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De verdachte is bij (ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest) niet onherroepelijk vonnis van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022 ter zake van het medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. In de onderhavige zaak is de verdachte vervolgd ter zake van het medeplegen van moord en het medeplegen van poging tot moord, welke feiten zijn begaan vóór voornoemd vonnis (op 12 december 2019). De verdachte is bij het bestreden arrest aan deze misdrijven schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren.
3.3
Het hof heeft in dat verband het volgende overwogen:
“8.3 Overwegingen van het hof
8.3.1.
Artikel 63 Sr
Art. 63 Sr luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:
"Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting van toepassing.
Artikel 57 Sr luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:
"1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen pp de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenis straf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
Kort samengevat komt de wettelijk regeling in beginsel erop neer dat:
a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter reeds beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het doof hem te berechten feit. (Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407)
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2023 op naam van de verdachte volgt dat hij op 20 december 2022 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Gelderland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar wegens het medeplegen van moord. Dit vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2022:7407. Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze zaak nog aanhangig is bij het Hof ArnhemLeeuwarden en dat nog niet op korte termijn een uitspraak valt te verwachten; blijkens mededeling van de verdediging bevindt de zaak zich in de regiefase.
Het hof overweegt dat de regeling van artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 Sr in beginsel tot de conclusie leidt – nu rekening gehouden moet worden met de nietonherroepelijke veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf – dat in de voorliggende zaak maximaal een tijdelijke gevangenisstraf van 10 jaar kan worden opgelegd.
Zoals hierna zal worden overwogen acht het hof gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 10 jaar geen passende straf.
Het hof heeft nadrukkelijk de vraag onder ogen gezien, of de verdachte door het opleggen van een 10 jaar te boven gaande tijdelijke gevangenisstraf enig nadeel ondervindt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de mogelijkheid, indien en voor zover het komt tot een bewezenverklaring en de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf, om met toepassing van artikel 63 Sr recht te doen en daarbij rekening te houden met het onderhavige arrest. In het geval de verdachte door het Hof ArnhemLeeuwarden wordt vrijgesproken, is er vanzelfsprekend evenmin een probleem met artikel 63 Sr. Het laatste kan ook worden geconcludeerd als het Hof Arnhem-Leeuwarden zou komen tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Alles overziend, heeft de verdachte in geen enkel opzicht nadeel van het nu niet toepassen van artikel 63 Sr en kan – in ieder geval in de toekomst – ten aanzien van de verdachte worden voldaan aan de rol en betekenis van de samenloopregeling zoals neergelegd in de artikelen 63 en 57 Sr. Dit is ook het geval als in het onderhavige arrest een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 10 jaar wordt opgelegd.
Dat dit alles anders was geweest in het geval het vonnis van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022 onherroepelijk zou zijn geweest op het moment van het wijzen van het onderhavige arrest, is evident. In dat geval zou de samenloopregeling ertoe hebben genoopt om bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf deze te beperken tot maximaal 10 jaar.”
3.4
Art. 63 Sr luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
3.5
Reeds in 1977 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van art. 63 Sr niet van belang is of de uitspraak waarbij de ‘eerdere straf’ is opgelegd in kracht van gewijsde is gegaan.1.Desalniettemin kan ik enige sympathie opbrengen voor de redenering van het hof, omdat het een onzekerheid wegneemt die in het huidige recht besloten ligt. Het gaat dan om de situatie dat rechters door de werking van art. 63 Sr een lagere straf opleggen dan zij gepast achten, terwijl daarna in de zaak waarmee zij rekening houden een vrijspraak volgt of om een andere reden geen straf mag worden opgelegd.
3.6
Voor zover ik kan nagaan, is niet eerder een geval aan de Hoge Raad voorgelegd waarin dit probleem zo scherp naar voren komt als in de onderhavige zaak. Het gaat hier om twee veroordelingen voor moord, een van de zwaarste delicten die ons strafrecht kent.2.Hier zou zich volgens de overwegingen van het hof de situatie kunnen voordoen dat het een gevangenisstraf oplegt van tien jaar, de maximale ruimte die art. 63 jo. 57 Sr zou bieden3., terwijl het een gevangenisstraf van 28 jaar op zijn plaats vindt, en dat vervolgens het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onherroepelijk komt tot een vrijspraak van de moord waarvoor de rechtbank Gelderland de verdachte heeft veroordeeld. In dat geval zou de verdachte die zich, in cassatie onbestreden, schuldig heeft gemaakt aan een liquidatie van een man en aan een poging tot moord op een vijfjarig jongetje, ‘wegkomen’ met slechts een derde van de straf die volgens het hof voor deze feiten aangewezen is.
3.7
Volgens het voorstel van Wet herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken wordt art. 63 Sr onder andere in die zin gewijzigd dat het nog slechts toepassing vindt in het geval dat een verdachte eerder “onherroepelijk tot straf is veroordeeld”.4.Aan dit onderdeel van het wetsvoorstel wordt in de toelichting van de regering relatief weinig aandacht besteed. Wel blijkt daaruit dat onder andere is beoogd het hier beschreven risico weg te nemen: “De keuze voor een onherroepelijke veroordeling hangt samen met de gedachte dat moet worden voorkomen dat de rechter een (herroepelijke) straf bij de strafoplegging voor het vroegere feit moet betrekken die later vernietigd blijkt te zijn omdat die straf in hoger beroep wordt bijgesteld”.5.De wetgever is dus op weg naar een wijziging van het thans geldende recht, maar het voorstel is nog geen wet.6.
3.8
Het hof Amsterdam constateert terecht dat als het hof Arnhem-Leeuwarden wel tot een veroordeling komt, art. 63 Sr wederom van toepassing is. Het hof Arnhem-Leeuwarden zou dan immers rekening moeten houden met de door het hof Amsterdam in de onderhavige zaak bepaalde 28 jaar gevangenisstraf, aangezien het hof Arnhem-Leeuwarden dan een straf oplegt voor een feit dat voor de oplegging door het hof Amsterdam is gepleegd, terwijl de schuldigverklaring door het hof Arnhem-Leeuwarden dateert van na die oplegging. Het lijkt erop dat deze verschuiving van de toepassing van art 63 Sr ook ten grondslag ligt aan het genoemde wetsvoorstel. Wanneer twee strafzaken naast elkaar lopen, zal normaliter een van beide op enig moment onherroepelijk worden, zodat in de andere zaak daarmee rekening kan worden gehouden.7.
3.9
Deze door het hof voorgestane wijze om te voldoen “aan de rol en betekenis van de samenloopregeling” haalt de onzekerheid weg dat de ruimte om straf op te leggen achteraf hoger blijkt zijn; een onzekerheid die enkel in het voordeel van de verdachte is. Echter ligt in deze, onder 3.3 geciteerde overwegingen van het hof als zijn oordeel besloten, dat art. 63 Sr de rechter niet verplicht toepassing te geven aan de samenloopregeling van art. 57 Sr in het geval de verdachte, nadat hem een straf is opgelegd maar de desbetreffende uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, schuldig wordt verklaard aan misdrijven vóór die strafoplegging begaan. Dit standpunt is niet te verenigen met de al genoemde, constante rechtspraak van de Hoge Raad.
3.10
In 2018 heeft de Hoge Raad zijn uitgangspunt nog eens herhaald in een geval waarin het hof had overwogen een gevangenisstraf van twee jaar passend te achten, maar voor oplegging daarvan geen ruimte te zien omdat de rechtbank in een andere zaak inmiddels, nog niet-onherroepelijk een levenslange gevangenisstraf had opgelegd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het openbaar ministerie met de overweging:
“Het middel berust in de kern op de opvatting dat art. 63 Sr de rechter niet verplicht toepassing te geven aan de samenloopregeling van art. 57 Sr in het geval dat de verdachte, nadat hem een levenslange gevangenisstraf is opgelegd maar de desbetreffende uitspraak (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging begaan. Die opvatting is onjuist, omdat voor de toepassing van art. 63 Sr niet van belang is of de eerdere veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. HR 1 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7122). Evenmin is de toepassing van art. 63 Sr daarvan afhankelijk of bij de eerdere veroordeling een tijdelijke dan wel een levenslange gevangenisstraf is opgelegd.”,8.
3.11
De Hoge Raad voegde daaraan toe dat “opmerking verdient” dat het thans aanhangige wetsvoorstel ‘Herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken’ er onder meer toe strekt dat de toepassing van de regeling van art. 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld. Naar huidig recht – zo begrijp ik de uitspraak van de Hoge Raad – geldt die beperking dus niet, terwijl er kennelijk geen reden is vooruit te lopen op deze wet.
3.12
Ik zie geen aanknopingspunten voor een opvatting dat deze rechtspraak op dit geval niet van toepassing is. Het oordeel van het hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.
3.13
Het middel slaagt.
Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
4. Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien Uw Raad daarover echter anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5. Namens de benadeelde [benadeelde 1] is op 10 januari 2025 via het portaal van de Hoge Raad een cassatieschriftuur ingediend door mr. O.F. Qane. Uit de stukken van het geding blijkt dat de kennisgeving als bedoeld in art. 435 lid 2 Sv op 4 december 2024 aan de benadeelde partij is verzonden. Het derde lid van artikel 437 Sv bepaalt dat de benadeelde partij bevoegd is binnen een maand nadat genoemde kennisgeving is verzonden door een advocaat een schriftuur te doen indienen. Een op 9 januari 2025 ingediend verzoek tot verlenging van deze termijn is op 10 januari 2025 afgewezen door de rolraadsheer. Gelet op vorenstaande is de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur niet binnen de in art. 437 lid 3 Sv bedoelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat deze onbesproken moet blijven.9.Ingeval Uw Raad anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Afronding
6.
6.1
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel slaagt; het tweede behoeft geen bespreking. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel behoeft evenmin bespreking. Wat het vervolg op een eventuele gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het hof Amsterdam betreft, geef ik in overweging de zaak niet terug te wijzen naar dat gerechtshof, maar om de zaak te verwijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zodat beide zaken gelijktijdig dan wel gevoegd kunnen worden afgedaan.10.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot, indien aangewezen, verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
AG Vegter heeft in zijn conclusie van 30 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1168, randnr. 10 en 11, het probleem besproken, maar toen ging het om een straf van twee jaar waarvoor geen plaats meer was naast een niet-onherroepelijke levenslange gevangenisstraf. Vegter hield bij zijn bespreking geen rekening met de mogelijkheid van een vrijspraak. Wel ging hij in op de mogelijkheid dat een lagere dan een levenslange gevangenisstraf zou worden opgelegd, waarbij de rechter in die zaak dan bij het bepalen van een tijdelijke straf rekening kon houden met de twee jaar die het hof in de andere zaak had willen opleggen, maar niet mogelijk achtte (zie hierna 3.10).
Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen in 2018, maar is daarna verbonden geraakt met een WODC-onderzoek naar de toepassing van het draagkrachtbeginsel bij geldboetes (brieven van de minister van Justitie en Veiligheid van 20 augustus 2020, Kamerstukken I 2019/20, 34 126, E en 29 maart 2021, Kamerstukken I 2020/21, 34 126, G). Sindsdien lijkt men in afwachting van een nadere standpuntbepaling van Raad voor de rechtspraak (https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34126_herziening_regeling; geraadpleegd 11 maart 2025)
Dit is slechts anders als beide zaken na het instellen van cassatie onherroepelijk worden. In de toelichting op het wetsvoorstel worden de consequenties van dat geval niet besproken. (Wel is in de nota naar aanleiding van het verslag ingegaan op de situatie dat opzettelijk steeds rechtsmiddelen worden aangewend om te voorkomen dat in een van beide zaken een onherroepelijk beslissing van de rechter volgt, Kamerstukken II 2015/16, 34 126, nr. 6, p. 21.). Uit de toelichting haal ik niet dat de wetgever beoogt dat in een dergelijk geval een straf ten uitvoer wordt gelegd die in totaal hoger is dan bij toepassing van art. 57 Sr (nieuw) dan wel 10 lid 4 Sr zou zijn toegestaan.
HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2248, rov. 2.4.
Vgl. bijvoorbeeld HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:516.
In openbare bronnen heb ik niet kunnen achterhalen dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inmiddels uitspraak heeft gedaan in het beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Beroepschrift 27‑08‑2024
SCHRIFTUUR HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (hierna: ‘verzoeker’), te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn te dezen (met het recht van substitutie) uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, kantoorhoudende aan het Valeriusplein 20 te (1075 BH) Amsterdam, verzoeker tot cassatie van het door het Gerechtshof Amsterdam gewezen arrest van 15 februari 2024, waarbij verzoeker is veroordeeld, met welke beslissing en motivering verzoeker zich niet kan verenigen en daartoe de volgende twee middelen van cassatie aanvoert:
Middel I
I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen; in het bijzonder de artikelen 63 Sr en de artikelen 350 Sv, immers heeft het gerechtshof ten onrechte Artikel 63 Sr buiten toepassing gelaten, althans rust het oordeel dat geen toepassing behoorde te worden gegeven aan Artikel 63 Sr op gronden die deze niet kunnen dragen, althans is de hiertoe aangedragen motivering onbegrijpelijk.
1.
Het hof heeft in het arrest van 15 februari 2024 onder ogen gezien dat artikel 63 Sr van toepassing is, maar heeft daarbij ook geoordeeld dat dit in beginsel het geval is en heeft vervolgens overwogen dat in deze specifieke zaak toch geen toepassing aan hoeft te worden gegeven aangezien het hof tot de slotsom komt dat verzoeker hiervan geen nadeel ondervindt.
2.
Verzoeker meent dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 63 Sr. In HR 4 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2248, NJ 2019/12) oordeelde de Hoge Raad dat artikel 63 Sr ook van toepassing is indien nog geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling:
‘2.4.
Het middel berust in de kern op de opvatting dat art. 63 Sr de rechter niet verplicht toepassing te geven aan de samenloopregeling van art. 57 Sr in het geval dat de verdachte, nadat hem een levenslange gevangenisstraf is opgelegd maar de desbetreffende uitspraak (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging begaan. Die opvatting is onjuist, omdat voor de toepassing van art. 63 Sr niet van belang is of de eerdere veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. HR 1 november 1977, ECLI:NL:HR:1977: AB7122). Evenmin is de toepassing van art. 63 Sr daarvan afhankelijk of bij de eerdere veroordeling een tijdelijke dan wel een levenslange gevangenisstraf is opgelegd.’
3.
In de vigerende rechtspraak wordt, zonder voorbehoud, het bepaalde in artikel 63 Sr van toepassing geacht en zijn geen uitzonderingen gemaakt (vgl. r.o. 12 t/m 15 van de conclusie van Advocaat-Generaal mr. P.C. Vegter in diens conclusie van 30 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1168).
4.
Het stond het hof dan ook niet vrij om artikel 63 Sr buiten toepassing te laten.
5.
In dat licht bezien is HR 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436, m.nt. N. Keijzer) relevant, nu in dat arrest ook geoordeeld is over de keuze van de rechter om artikel 63 Sr buiten toepassing te laten, ondanks dat deze bepaling naar de letter van de wet van toepassing was. De Hoge Raad casseerde en heeft daarin geoordeeld dat de wetgever aan zet is en dat het (dus) niet aan de rechter is om een wijziging van rechtspraak te bewerkstelligen. Deze stand van zaken doet zich nog altijd voor, waardoor op basis van r.o. 4.4.1 ook in deze zaak artikel 63 Sr niet buiten toepassing had kunnen worden gelaten.
6.
Wellicht ten overvloede merkt verzoeker nog het volgende op. Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen verzoeker apart te vervolgen, terwijl de mogelijkheid bestond de beide zaken aan één rechter voor te leggen. Uit het arrest volgt verder dat verzoeker op 20 december 2022 door de rechtbank Gelderland is veroordeeld. Het hoger beroep tegen dat vonnis is dus, noodzakelijkerwijs, ingesteld voordat de behandeling ter terechtzitting in de onderhavige zaak zijn aanvang nam. De mogelijkheid om de beide zaken tegelijk (en gevoegd) te laten behandelen heeft ook in hoger beroep bestaan. Tegen deze achtergrond bestaat er geen noodzaak om een dergelijke juridisch verstrekkende keuze te maken en een wettelijke bepaling buiten toepassing te laten, dit gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.
7.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel dat artikel 63 Sr in de onderhavige zaak buiten toepassing behoort te worden gelaten blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel rust op gronden die deze niet kunnen dragen, althans de motivering hiertoe is onvoldoende. Tegen deze achtergrond kan het arrest, voor wat betreft de straftoemeting, niet in stand blijven.
Middel II
II. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen; in het bijzonder zijn de artikelen 77c Sr en de artikelen 350, 359 en 415 Sv geschonden en/of verkeerd toegepast aangezien het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat Artikel 77c Sr toegepast diende te worden, althans rust de verwerping op gronden die deze niet kunnen dragen, althans is de hiertoe aangedragen motivering ter verwerping van dat standpunt onbegrijpelijk.
8.
Namens verzoeker is expliciet verzocht om op grond van het bepaalde in artikel 77c Sr het jeugdsanctierecht toe te passen (pleitnota, p. 42, randnummer 134). Dit verzoek is onderbouwd aan de hand van wetsgeschiedenis, jurisprudentie en het over verzoeker opgemaakte reclasserings- en NIFP-rapport (pleitnota, p. 40 t/m 42, randnummers 129 t/m 133). Dit heeft geleid tot de conclusie dat artikel 77c Sr toepassing behoefde en er is expliciet aan het hof verzocht hiertoe over te gaan.
9.
Het hof heeft overwogen dat het de op te leggen straf heeft bepaald op grond van de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder die zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte (arrest, p. 25). Voorts is overwogen dat verzoeker op het moment van het plegen 19 jaar oud was en er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte bekend zijn waar het hof in zijn voordeel rekening mee zou moeten houden bij de strafoplegging (arrest, p. 26). Vervolgens wordt het volgende opgemerkt over verzoeker:
‘Uit het dossier komt een beeld naar voren van een verdachte die zich beweegt in een scene waar vuurwapens en het plegen van (zware) strafbare feiten onderdeel van het leven zijn. Opvallend — en zeer zorgelijk — is dat twee medeverdachten vrienden/kennissen zijn van de verdachte. Dit is een bevestiging dat het plegen van zware strafbare feiten voor de verdachte en zijn omgeving kan worden gekenmerkt als een ‘way of live’.
(…)
De bewezenverklaarde feiten zijn dermate ernstig en schokkend dat alleen een zeer langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte heeft zich aan twee uitzonderlijk zware misdrijven schuldig gemaakt en heeft zodanig grensoverschrijdend gehandeld dat daarmee de maximale duur van een tijdelijke gevangenisstraf in beeld komt. Het hof neemt bij de strafoplegging ook in aanmerking dat de uitvoering van de moord en de poging moord worden gekenmerkt door een grote mate van angstaanjagende koelbloedigheid, die niet anders kan worden geduid dan als volstrekt gewetenloos. De samenleving dient te worden beschermd tegen de verdachte.
Het hof acht alles af wegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Dit uit oogpunt van vergelding en in het belang van generale en speciale preventie.’
10.
Op grond van artikel 359, vijfde lid, Sv dient het hof in zijn uitspraak aandacht te besteden aan de afwijzende beslissing om een jeugdsanctie op te leggen, waarbij een uitdrukkelijke beslissing in beginsel niet nodig is. Dit kan gedaan worden door, bijvoorbeeld, in de beslissing blijk te geven van de indruk die de verdachte heeft gemaakt en op het over de verzoeker opgemaakte rapporten ontstane beeld (Vlg. HR 12 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8552, NJ 1990/835 m.nt. Th.W. van Veen, r.o. 5.3.1)
11.
In de onderhavige zaak is overwogen dat de straf (onder meer) is bepaald ‘gelet op de persoon van verdachte’, waarbij (kort gezegd) wordt gesteld dat verzoeker ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud was, het plegen van zware strafbare feiten onderdeel is van zijn leven en er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn waarmee het hof in zijn voordeel rekening zou moeten houden bij de strafoplegging.
12.
Met deze motivering is echter niet, althans onvoldoende (begrijpelijk), gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verzoeker dat artikel 77c Sr toegepast diende te worden, hetgeen op grond van artikel 359, tweede lid, Sv op straffe van nietigheid, voorgeschreven is.
13.
Verzoeker meent dat hetgeen naar voren is gebracht omtrent het verzoek om artikel 77c Sr toe te passen aan te merken is als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma). Er is een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt naar voren gebracht dat voorzien is van een ondubbelzinnige conclusie (‘Gelet op al deze omstandigheden concluderen wij dat het jeugdsanctierecht voor cliënt in deze zaak het meest geëigend is en verzoek ik uw Hof om artikel 77c Sr. toe te passen’). Dit maakt dat een (voldoende) weerlegging door het hof noodzakelijk is.
14.
In voornoemd standaardarrest heeft de Hoge Raad benoemd dat (onder meer) het aan de orde gestelde onderwerp van belang is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In de onderhavige zaak betreft het onderwerp geen louter feitelijke omstandigheid, maar wordt een beroep gedaan op een wettelijke bepaling (artikel 77c Sr) waarover gericht is gerapporteerd door deskundigen. Dat maakt dat het onderwerp eerder tot een uitdrukkelijke weerlegging noopt, zeker nu het verzoek niet gehonoreerd is en de uitkomst dus diametraal anders is.
15.
De uitspraak zelf bevat bovendien onvoldoende gegevens om te oordelen dat daarin de weerlegging besloten ligt. Een eerste duidelijke indicatie daartoe is dat in het arrest niet eens benoemd wordt dat door de verdediging een beroep op artikel 77c Sr is gedaan (p. 23 onder 8.2). In het vervolg wordt op geen enkele wijze besproken dat het beroep op deze bepaling wordt gepasseerd, wordt niet stilgestaan bij het reclasseringsadvies en/of het deskundigenrapport van het NIFP en wordt niet ingegaan op de specifieke factoren op grond waarvan namens verzoeker naar voren is gebracht dat artikel 77c Sr toepassing zou moeten hebben.
16.
In het licht van hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht, is de overweging van het hof dat er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte bekend zijn waarmee het hof in zijn voordeel rekening zou moeten houden bij de strafoplegging — zonder verdere motivering — niet begrijpelijk. Is daarbij, bijvoorbeeld, wel rekening gehouden met hetgeen namens hem naar voren is gebracht over zijn licht verstandelijke beperking (en vindt het hof dat hiermee niet in het voordeel van de verdachte rekening mee moet worden gehouden) of is dit over het hoofd gezien? Het ontbreken van een (expliciete) motivering doet dan ook afbreuk aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering.
17.
Ten slotte kan niet gesteld worden dat een beslissing op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van ondergeschikte betekenis is. Het verzoek tot het toepassen van artikel 77c Sr ziet op de mogelijkheid voor de rechter om in afwijking van de algemene regel dat op personen van achttien tot eenentwintig jaar het volwassenstrafrecht van toepassing is, het minderjarigenstrafrecht toe te passen wanneer hij daar grond toe vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De toepassing van het minderjarigenstrafrecht betekent een geheel andere afdoening en bejegening van de verdachte, waardoor de beslissing op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet van ondergeschikte betekenis kan worden geacht.
18.
Hoewel de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de straftoemeting in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt en niet verlangd wordt dat alle bij de straftoemeting betrokken argumenten op schrift worden gesteld, moet in elk geval voldoende duidelijk zijn dat er door de feitenrechter acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en zou minst genomen op basis van de motivering in zijn geheel voldoende inzichtelijk moeten zijn waarom de door de verdediging aangevoerde gronden ten faveure van de toepassing van artikel 77c Sr niet opwogen tegen het oordeel van het hof om hier geen toepassing aan te geven. Dat is hier niet het geval.
19.
Verzoeker meent dat het hof heeft verzuimd om — met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging — inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf (Vgl. r.o. 3.5.2. HR 5 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129)).
20.
Nu niet vastgesteld kan worden of het hof acht heeft geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en er evenmin gesproken kan worden van een voldoende weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, is sprake van een schending van artikel 359, tweede lid, Sv, hetgeen nietigheid met zich brengt. Gelet hierop kan het arrest, ten aanzien van de strafoplegging, niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.D. Rijnsburger, kantoorhoudende aan het Valeriusplein 20 te (1075 BH) Amsterdam, die bij dezen verklaart (met het recht van substitutie) tot ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Amsterdam, 27 augustus 2024
Mark Rijnsburger,
Advocaat