Zie daarover ook de memorie van toelichting op Wet seksuele misdrijven, Kamerstukken II, 2022/2023, 36 222, nr. 3, p. 7-9.
Hof Amsterdam, 07-05-2026, nr. 23-001624-24
ECLI:NL:GHAMS:2026:1239
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
23-001624-24
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2026:1239, Uitspraak, Hof Amsterdam, 07‑05‑2026; (Hoger beroep)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Onderzoek Zirkoon. Bewezenverklaring van twee verkrachtingen. Vrijspraak van twee aanrandingen, vanwege onvoldoende steunbewijs. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Partij(en)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001624-24
datum uitspraak: 7 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-017466-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
adres: [adres] .
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2025, 24, 26 en 30 maart 2026 en 7 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van wat de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de slachtoffers naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Gelet op de door de rechtbank toegelaten wijziging is (samengevat) aan de verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij op 14 augustus 2018 in Heiloo [slachtoffer 1] heeft aangerand;
2.hij op 14 augustus 2018 in Heiloo [slachtoffer 1] heeft verkracht;
3.
hij op 19 mei 2018 in Amsterdam [slachtoffer 2] heeft aangerand;
4. primair
hij in de periode van 24 april 2014 tot en met 1 mei 2014 in Marokko [slachtoffer 3] heeft verkracht;
4. subsidiair
hij in de periode van 24 april 2014 tot en met 1 mei 2014 in Marokko heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] te verkrachten.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.
3. Vonnis van de rechtbank
Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring en strafoplegging komt. Ook heeft het hof de bewijsmotivering afgestemd op de in hoger beroep gevoerde verweren en gebruikt het hof andere bewijsmiddelen dan de rechtbank, onder meer omdat in hoger beroep verschillende bij de politie afgelegde verklaringen woordelijk zijn uitgewerkt. Als het kan, neemt het hof wel delen uit het vonnis van de rechtbank over.
4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
4.1.
Inleiding
De verdachte wordt beschuldigd van aanranding en verkrachting van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), aanranding van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en verkrachting dan wel poging tot verkrachting van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). De start van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte viel nagenoeg samen met de BOOS-uitzending van [naam] van 20 januari 2022 (hierna: de BOOS-uitzending). Die uitzending ging over beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door verschillende personen, onder wie de verdachte. Een van die beschuldigingen betrof die van [slachtoffer 1] . Kort voor deze uitzending deed zij aangifte. De uitzending heeft vervolgens geleid tot de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaringen van [slachtoffer 3] . Daarnaast hebben zich ook andere vrouwen gemeld met beschuldigingen over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de verdachte, maar die zijn niet aan de verdachte ten laste gelegd.
4.2.
Feiten 1 en 2 (aanranding en verkrachting van [slachtoffer 1] )
4.2.1
De verklaringen van [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1.] heeft verklaard dat zij op 14 augustus 2018 op uitnodiging van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) naar een ‘schrijverskamp’ in een villa in Heiloo is gegaan. Ze dacht dat ze daar muziek ging maken en ook seks zou hebben met [getuige 1] . Ze arriveerde daar ’s nachts met een door [getuige 1] geregelde taxi. De verdachte was ook op het schrijverskamp aanwezig, net als [getuige 2] (beter bekend onder zijn artiestennaam rapper [getuige 2] , hierna: [getuige 2]). Over de beschuldigingen verklaarde [slachtoffer 1] dat zij op enig moment in de woonkamer/keuken door de verdachte werd gewenkt om naast hem te komen zitten op een bank. Terwijl zij met de verdachte praatte, stak hij ineens zijn hand in haar broek en raakte haar geslachtsdeel aan over haar onderbroek. Zij schrok en haalde zijn hand weg. Kort daarna deed de verdachte dit nogmaals. Ook toen heeft [slachtoffer 1] zijn hand weggehaald. Vervolgens is [slachtoffer 1] in dezelfde ruimte naast [getuige 2] gaan liggen, omdat zij hem kende en zich veilig bij hem voelde. Zij is later met hem naar boven gegaan om seks met hem te hebben. Daar heeft [slachtoffer 1] [getuige 2] gepijpt in zijn slaapkamer. [getuige 2] lag met zijn rug op het bed. Zij droeg alleen een T-shirt, geen ondergoed. Terwijl zij [getuige 2] aan het pijpen was, stak de verdachte zijn vingers in haar vagina. Hierop kregen zij een woordenwisseling. Later is [slachtoffer 1] vertrokken naar Almere met de trein. Ze is vanaf de villa gaan lopen omdat niemand haar weg wilde brengen en onderweg is ze naar het station gebracht door een oudere vrouw op een elektrische fiets.
4.2.2
De verklaringen van de verdachte
De verdachte ontkent zowel de aanranding als de verkrachting. De situatie op de bank in de woonkamer/keuken zegt hij zich verder niet te kunnen herinneren. Over het voorval in de slaapkamer zegt hij zich wel te herinneren dat een woordenwisseling met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden, maar dit had niets met penetratie te maken. Eerst heeft de verdachte verklaard dat de woordenwisseling werd veroorzaakt doordat [getuige 2] en [slachtoffer 1] in zijn slaapkamer seks hadden en hij daarvan niet was gediend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte echter verklaard dat hij niet uitsluit dat de woordenwisseling plaatsvond in de slaapkamer van [getuige 2] . De reden voor de woordenwisseling was dat hij daar binnen kwam lopen, terwijl [slachtoffer 1] en [getuige 2] seks hadden en [slachtoffer 1] hem begon uit te schelden.
4.2.3
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat zowel de aanranding in de woonkamer/keuken (feit 1) als de verkrachting in de slaapkamer (feit 2) kan worden bewezen. Zij achten de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar en zijn van mening dat die in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs. Wat de aanranding betreft, hebben zij aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over alle momenten tijdens het schrijverskamp worden ondersteund door verschillende bewijsmiddelen. Haar verklaringen over de aanranding staan niet op zichzelf, maar ze zijn ingebed in een concrete, bredere context, terwijl die context bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen die betrekking hebben op feit 2 (de verkrachting) dienen dus ook betrokken te worden bij feit 1 (de aanranding). Anders dan de rechtbank kan daarom ook de aanranding worden bewezen verklaard.
4.2.4
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van beide feiten bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat er geen (betrouwbaar) steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en dat haar verklaringen om verschillende redenen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Ter onderbouwing hiervan is ook verwezen naar een door de verdediging ingebracht rapport van prof. dr. P.J. van Koppen, deskundig rechtspsycholoog, van 18 februari 2026 en de aanvulling daarop van 19 maart 2026. Voor zover de verweren en de rapporten bespreking behoeven, wordt dit hierna weergegeven.
4.2.5
Het oordeel van het hof
Het hof zal eerst feit 2 bespreken en daarna pas feit 1, omdat de omstandigheden die worden betrokken bij de beoordeling van feit 2 ook van belang zijn voor het oordeel over feit 1.
De verkrachting van [slachtoffer 1] (feit 2)
Het hof komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die bij dit arrest zijn gevoegd tot een bewezenverklaring van de verkrachting van [slachtoffer 1] . Het hof motiveert dit als volgt.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1.] heeft in totaal vijf verklaringen afgelegd over wat er in de slaapkamer van [getuige 2] zou zijn gebeurd. De strekking van al die verklaringen is dat zij [getuige 2] heeft gepijpt terwijl hij op zijn rug op bed lag en zij op haar knieën aan het voeteneind van dat bed zat en dat de verdachte haar toen heeft gepenetreerd met zijn vingers, waarop zij hem (boos) heeft gezegd dat hij daarvoor ‘consent’ (toestemming) moest hebben en de verdachte haar vervolgens belachelijk maakte met woordgrapjes als ‘consent/content’. In zoverre heeft zij consistent verklaard over de aard van de verweten seksuele handeling, de plaats waar dit gebeurde en bepaalde omstandigheden waaronder dit plaatsvond. Dat zij – zoals door de deskundige rechtspsycholoog Van Koppen naar voren is gebracht – daarbij weinig heeft verklaard over wat zij precies voelde toen de verdachte haar met zijn vingers penetreerde doet hier niet aan af. Er is haar ook nooit duidelijk gevraagd naar dergelijke details en bovendien was er al een flinke tijd verstreken voordat zij heeft verklaard over het incident, zodat het de vraag is of ze hierop nog antwoord had kunnen geven. Bovendien heeft zij haar reactie op de penetratie wel duidelijk gemaakt, namelijk dat zij schrok en direct een woordenwisseling met de verdachte is aangegaan.
Terecht heeft de verdediging, ondersteund door Van Koppen, naar voren gebracht dat [slachtoffer 1] niet eenduidig heeft verklaard over bepaalde omstandigheden waaronder de penetratie plaatsvond. Het betreft met name verschillen in het moment waarop de verdachte haar zou hebben gepenetreerd met zijn vingers en over de precieze positie waarin zij en de verdachte zich bevonden toen de verdachte met zijn vingers bij haar binnendrong. Daarbij valt met name het verschil tussen haar eerste verklaring en haar latere verklaringen op. In haar eerste verklaring zegt zij dat de verdachte al een keer eerder de kamer was binnengekomen en (na een woordenwisseling met haar) weer was weggegaan en dat hij toen hij terugkwam op bed ging liggen en haar toen penetreerde met zijn vingers. De strekking van haar latere verklaringen is echter dat de verdachte haar al bij de eerste keer, dus direct toen hij de kamer binnenkwam, penetreerde en niet pas toen hij op bed lag.
Deze verschillen tussen haar eerste en latere verklaringen zijn naar het oordeel van het hof niet zonder betekenis, maar op zichzelf onvoldoende reden om die verklaringen daarom al zo onbetrouwbaar te achten dat die niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs van de verweten seksuele handeling. Want in al haar verklaringen is zij – zoals gezegd – wel consistent over waar en hoe zij is gepenetreerd. Onder deze omstandigheden komt het naar het oordeel van het hof verder aan op de kracht van het steunbewijs om een eindoordeel te kunnen geven over de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat het ten laste gelegde is begaan. Het hof merkt daarbij nog op dat bij dit bewijsoordeel slechts beperkte betekenis toekomt aan het rapport van Van Koppen omdat hij slechts de validiteit van de belastende verklaringen van [slachtoffer 1] (en van de getuige [getuige 3] ) heeft onderzocht en niet (bijvoorbeeld) die van de verdachte en de getuige [getuige 2] , terwijl het hof voor het bewijsoordeel onderzoek doet naar de inhoud van het hele strafdossier, waarbij verklaringen in onderling verband en samenhang worden beschouwd.
Steunbewijs
Als steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 1] geldt allereerst de verklaring van [getuige 2] afgelegd bij de politie. Hij verklaart daar dat toen hij werd gepijpt hij merkte dat sprake was van een woordenwisseling (‘een soort akkefietje of discussie’) en een ‘niet coole vibe’ tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. Deze verklaring vormt steunbewijs omdat het goed past bij de woordenwisseling die [slachtoffer 1] beschrijft nadat de verdachte haar zou hebben gepenetreerd. Later heeft [slachtoffer 1] hem daarover nog verteld, zo verklaart [getuige 2] . Zij vertelde hem dat ze een slechte ervaring op het schrijverskamp had met [verdachte] ‘op het gebied van seksualiteit’. In zijn verhoor komt hij terug op de woorden die ze daarbij zou hebben gebruikt. Hoewel hij niet meer precies weet welke woorden ze daadwerkelijk gebruikte, had het volgens [getuige 2] echter wel de strekking van ‘seksueel overschrijdend gedrag’. Dit latere verhaal van [slachtoffer 1] vormt naar het oordeel van het hof aanvullend steunbewijs, dat samenhangt met de negatieve sfeer tussen [slachtoffer 1] en de verdachte die [getuige 2] in de slaapkamer zelf al had waargenomen en die volgens [slachtoffer 1] werd veroorzaakt door de penetratie met vingers door de verdachte.
Het hof merkt op dat het bij de waardering van de verklaringen van [getuige 2] geen waarde hecht aan zijn (latere) verklaring bij de raadsheer-commissaris. Het hof acht het niet geloofwaardig wat hij daar heeft verklaard, namelijk dat hij vrij precies zou hebben gezien wat er is gebeurd in de slaapkamer en dat het niet kan dat de verdachte [slachtoffer 1] met zijn vingers heeft gepenetreerd omdat hij in de kamer op een bepaalde afstand van haar bleef. Deze verklaring verhoudt zich namelijk niet goed tot zijn meer dan drie jaar eerder afgelegde verklaring bij de politie dat hij eigenlijk pas heeft gemerkt dat de verdachte binnen was toen er een woordenwisseling plaatsvond en dat hij verder ‘niet alles heeft meegekregen’ en dat het ‘een blur’ (het hof begrijpt: ‘iets vaags’) was. Dat dit de mentale toestand was waaronder hij slechts een beperkt aantal waarnemingen kon doen, past ook beter bij het gegeven dat het zeer vroeg in de ochtend was, dat het donker was in de kamer, dat hij werd gepijpt en dat hij naar eigen zeggen drugs had gebruikt. Tot slot merkt het hof op dat [getuige 2] zijn aanvankelijk stellige verklaring bij de raadsheer-commissaris ook niet in alle opzichten heeft gehandhaafd toen daarop werd doorgevraagd. Op onderdelen antwoordt hij dan ‘wat ik verklaard heb bij de politie, dat klopt’.
Verder vormt de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 3] sterk steunbewijs. Zij verklaart dat zij in de zomer van 2018 vanuit Alkmaar naar huis fietste op haar elektrische fiets en in Heiloo bij een bushalte op de Kennemerstraatweg een wat in elkaar gezakt, huilend, erg overstuur meisje van een jaar of twintig aantrof. Dit was rond 14.00 à 14.30 uur. Het meisje zei dat zij in een huis was geweest ‘waar [verdachte] ook was’ en dat ze door hem aangerand en verkracht was. Het meisje zei dat ze naar haar woonplaats Almere moest en de getuige heeft haar toen achterop haar fiets naar station Heiloo gebracht.
Het is voor het hof zeker dat [getuige 3] [slachtoffer 1] heeft beschreven in haar verklaring en dat het niet over iemand anders gaat of dat het (deels) verzonnen is, zoals de verdediging – met verwijzing naar het rapport van Van Koppen – naar voren heeft gebracht. De plek waar zij [slachtoffer 1] zegt te hebben opgepikt sluit naadloos aan bij de plek waar de villa stond. De getuige zegt namelijk dat die bushalte zich op de Kennemerstraatweg bevond, maar dan ‘net na Alkmaar, hoewel dat al wel Heiloo is’. Dit spoort met de wijk waar de villa stond, dat is namelijk een plek die losstaat van de rest van de bebouwde kom van Heiloo tegen de ringweg aan die Heiloo scheidt van Alkmaar. Het in de verklaring van [getuige 3] geschetste tijdspad sluit ook goed aan bij de pintransactie van [slachtoffer 1] rond 14.50 uur op station Heiloo. [getuige 3] verklaart verder dat het ging om een meisje dat naar Almere moest, terwijl [slachtoffer 1] op dat moment in Almere woonde. Dit punt wordt door Van Koppen in het geheel niet genoemd, terwijl dit zeer onderscheidend is. Verder sluit de verklaring van [getuige 3] aan bij de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij door ‘een oudere vrouw’ (de getuige was toen 64 jaar oud) op een elektrische fiets is opgepikt en is afgezet bij het station van Heiloo.
Dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet in alle opzichten aansluit bij de getuige [getuige 3] doet hieraan niet af, omdat [slachtoffer 1] slechts in algemene termen heeft verklaard over de vrouw die haar met de elektrische fiets heeft meegenomen vanaf de bushalte. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van de getuige onbetrouwbaar zijn omdat ze innerlijk tegenstrijdig zijn en op belangrijke punten anders zijn dan de verklaringen van [slachtoffer 1] volgt het hof niet.
Op het punt dat de getuige – gevraagd naar het signalement van het meisje – heeft gezegd dat ze dacht dat het meisje ‘blond en blank’ was, terwijl [slachtoffer 1] een meer donkere huidskleur en zwart (kroes)haar heeft, sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. [getuige 3] heeft in het verhoor bij de politie op een vraag hoe het meisje eruit zag geantwoord: ‘Dat durf ik niet zo te zeggen. Volgens mij was ze blond. Maar ik durf niet te zeggen of zij heel lang haar had ofzo. Ze was blank. En ze zat achterop he.’ Op de zitting van 13 juni 2024 heeft de rechtbank [getuige 3] opnieuw gevraagd naar een beschrijving van het meisje. [getuige 3] heeft tegenover de rechtbank verklaard dat zij meer bezig was met ‘het gebeuren’ en ‘de omstandigheden’ dan met hoe het meisje eruit zag en dat zij zich niet kan herinneren dat het meisje ‘er zus of zo’ uitzag. Geconfronteerd met haar verklaring bij de politie over het uiterlijk van het meisje, heeft [getuige 3] verklaard: ‘Ik herinner het mij niet echt. Voor mijn gevoel was het zo, maar ik durf het niet te zeggen.’ [getuige 3] heeft verder verklaard dat ze het meisje niet goed heeft kunnen zien toen zij achterop de fiets zat.
Gelet op het tijdsverloop sinds de zomer van 2018 en de werking van het menselijk geheugen is naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk dat [getuige 3] zich het uiterlijk van het meisje, dat zij daarvoor nog nooit had ontmoet, niet meer goed voor de geest kan halen. Het hof ziet ook geen aanwijzingen dat [getuige 3] haar verklaring over het uiterlijk van het meisje op de zitting bij de rechtbank heeft aangepast naar aanleiding van berichtgeving daarover in de media, zoals de verdediging stelt.
Overige verweren
De verdediging heeft verder nog aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 4] en [getuige 5] ontlastend voor de verdachte hebben verklaard. Het hof volgt dit niet. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verschillende versies van het verhaal van [slachtoffer 1] heeft gehoord, maar wat hij van [slachtoffer 1] heeft vernomen, is niet tegenstrijdig met de bewezenverklaring en de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen. Voor de getuige [getuige 4] geldt dat hij korte tijd na het schrijverskamp telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer 1] en dat zij hem een ‘heel heftig verhaal’ heeft verteld en dat het ging over ‘verkrachting’. Hij heeft naar eigen zeggen wel herinneringen aan dat telefoongesprek maar sluit niet uit dat hij de volgorde van haar verhaal niet goed meer weet. Naar het oordeel van het hof sluit ook zijn verklaring een bewezenverklaring niet uit. Ten slotte is ook de verklaring van [getuige 5] niet ontlastend voor de verdachte. Zij heeft in de kern niet meer verklaard dan dat zij niet van [slachtoffer 1] heeft gehoord dat zij op het schrijverskamp is verkracht. Dit betekent echter niet dat het niet is gebeurd. Dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij dit wel tegen deze getuige heeft gezegd, maakt dit ook niet anders. Ook de verklaring van [getuige 5] sluit dus een bewezenverklaring niet uit.
De verdediging heeft zich in verband met de verklaringen van [slachtoffer 1] nog aangesloten bij de kritiek die Van Koppen in zijn rapport heeft geuit over de omstandigheden waaronder de politieverhoren hebben plaatsgevonden. Van Koppen noemt de politieverhoren ‘van matige tot slechte kwaliteit’. Hij merkt hierover bij [slachtoffer 1] onder meer op dat de verhorende politieambtenaren van meet af aan uitstraalden dat zij bij voorbaat zou worden geloofd, dat de ondervraging kritiekloos was en er onvoldoende werd doorgevraagd. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding om aan de verklaringen minder geloof te hechten. Misschien dat er door de wijze van verhoren informatie is misgelopen, maar het is niet goed mogelijk om vast te stellen welke precieze uitwerking dit heeft gehad op de inhoud van de concrete verklaringen die zijn afgelegd. Ook Van Koppen sluit bovendien niet uit dat ook in een slecht uitgevoerd verhoor een valide verhaal wordt verteld.
Voor zover de bewijsverweren van de verdediging nog niet zijn besproken, worden deze verder als verworpen beschouwd door de bewijsmiddelen in combinatie met de uitleg daarvan in de bewijsmotivering.
Conclusie
Als het hof de balans van het bewijs opmaakt, staat – tegenover de tegenstrijdigheden in de eerste en latere verklaringen van [slachtoffer 1] over een aantal omstandigheden rondom de penetratie – sterk steunbewijs voor dat deel van haar verklaring waarin zij wel consistent is en dat de kern van de beschuldiging betreft. Het hof is van oordeel dat er voldoende steun is voor de verklaringen van [slachtoffer 1] om een bewezenverklaring te rechtvaardigen en komt daarom tot de eindconclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van verkrachting van [slachtoffer 1] .
De aanranding van [slachtoffer 1] (feit 1)
De verdachte zal worden vrijgesproken van de aanranding van [slachtoffer 1] omdat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 1] hierover. Het hof volgt de advocaten-generaal niet in hun standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over het hele schrijverskamp worden ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen en dat haar verklaringen over de aanranding daarom niet op zichzelf staan, maar zijn ingebed in een concrete context en om die reden ook tot een bewezenverklaring van feit 1 kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat de beschuldiging van aanranding een andere gebeurtenis in een andere ruimte (woonkamer/keuken) eerder in de nacht betreft en daarom ondersteund moet worden door andere bewijsmiddelen dan die betrekking hebben op de verkrachting in de slaapkamer. Nu dit niet het geval is, spreekt het hof de verdachte van dit feit vrij. Het hof merkt daarbij nog op dat de eerder genoemde verklaring van [getuige 3] dat de jonge vrouw die zij bij de bushalte oppikte en die haar vertelde over aanranding/verkrachting door de verdachte onvoldoende specifiek is over de aanranding om als (enig) steunbewijs te gelden.
4.3.
Feit 3 (aanranding van [slachtoffer 2] )
4.3.1
De verklaringen van [slachtoffer 2]
[slachtoffer 2.] heeft verklaard dat zij op 19 mei 2018 optrad op een feest waar de verdachte ook optrad. [slachtoffer 2] wilde hem graag een nieuw liedje van zichzelf laten horen. Toen zij na haar optreden in de auto zat, belde de verdachte haar. Hij zei waar zij van de weg moest gaan om op hem te wachten. Toen hij bij haar aankwam, stapte zij bij hem in de auto om het liedje te laten horen. Ineens reed de verdachte weg naar een voor [slachtoffer 2] onbekende, afgelegen plek en zij schrok daarvan. Nadat hij de auto had geparkeerd, betastte hij haar direct tussen haar benen en zoende hij haar. [slachtoffer 2] gaf aan dat ze geen seks met hem wilde. De verdachte stopte echter niet met betasten en toen is zij uitgestapt. Daar begon hij haar opnieuw te zoenen en te betasten, waarbij hij haar ook tegen de auto drukte. [slachtoffer 2] is vervolgens weer in de auto gestapt. In de auto begon de verdachte zich toen af te trekken. Daarbij pakte hij steeds de hand van [slachtoffer 2] . Uiteindelijk heeft [slachtoffer 2] hem geholpen met aftrekken, omdat ze dacht anders nooit weg te kunnen komen. Nadat hij was klaargekomen en een handdoek had gebruikt die op de achterbank lag, is de verdachte teruggereden en heeft hij [slachtoffer 2] bij haar auto afgezet.
4.3.2
De verklaringen van de verdachte
De verdachte ontkent de aanranding van [slachtoffer 2] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij die dag met [slachtoffer 2] naar een park is gereden, waar zij in de auto hebben gezoend en aan elkaar hebben gezeten, omdat het een liefdevolle ontmoeting was. Volgens de verdachte is alles met wederzijdse toestemming gebeurd. Zij zijn ook niet de auto uitgegaan en zij heeft hem ook niet afgetrokken.
4.3.3
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de aanranding van [slachtoffer 2] niet kan worden bewezen verklaard. Hoewel zij de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar en geloofwaardig vinden, is er volgens hen onvoldoende steunbewijs voor haar verklaringen en kan geen gebruik worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie door de verklaringen van andere vrouwen in het dossier erbij te betrekken.
4.3.5
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 2] en dat haar verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn. Daarnaast is aangevoerd dat geen sprake was van dwang en dat geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs.
4.3.5
Het oordeel van het hof
Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] . Voor haar verklaringen over de aanranding in en bij de auto is echter onvoldoende steun te vinden in andere bewijsmiddelen. Daartoe overweegt het hof nog als volgt.
Getuige [getuige 6] , de moeder van [slachtoffer 2] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] haar begin 2020 op een emotionele manier vertelde wat er was gebeurd op 19 mei 2018. Het hof constateert dat dus ongeveer twee jaar zijn verstreken tussen het ten laste gelegde feit en het moment dat [getuige 6] dit waarnam. Mede gelet op dit tijdsverloop, is het hof van oordeel dat deze waarneming onvoldoende zelfstandig steunbewijs oplevert voor de verklaringen van [slachtoffer 2] . Daarbij komt dat uit de verklaring van [getuige 6] volgt dat er mogelijk andere redenen waren voor bepaalde gevoelens en emoties dan enkel wat [slachtoffer 2] haar over het gebeuren op 19 mei 2018 heeft verteld. De door [getuige 6] waargenomen emotionele toestand kan daarom naar het oordeel van het hof niet uitsluitend worden gezien als een bevestiging van de verklaringen van [slachtoffer 2] over het ten laste gelegde.
Met de rechtbank en in lijn met het standpunt van de advocaten-generaal en de verdediging, is het hof daarnaast van oordeel dat de verklaringen van de andere vrouwen in het dossier niet als schakelbewijs voor dit feit kunnen worden gebruikt. Met schakelbewijs wordt bedoeld een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Dit kan alleen als de manier waarop en de omstandigheden waaronder de verschillende feiten zijn begaan (ook wel modus operandi genoemd), op essentiële punten overeenkomen.
Het hof is van oordeel dat het dwingende en onverhoedse handelen van de verdachte, waarover in het dossier wordt verklaard, niet als een kenmerkende en onderscheidende modus operandi kan worden aangemerkt. Net als de rechtbank, ziet het hof ook juist verschillen in de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en de verklaringen of meldingen van andere vrouwen in het dossier. Zo verschillen de verklaringen/meldingen wat betreft de aard van de (seksuele) handelingen, de manier waarop en de omstandigheden waaronder die zouden zijn begaan, maar ook wat betreft de locaties waar deze zouden hebben plaatsgevonden.
Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij van de onder 3 ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer 2] .
4.4.
Feit 4 ((poging tot) verkrachting van [slachtoffer 3] )
4.4.1
De verklaringen van [slachtoffer 3]
[slachtoffer 3.] heeft verklaard dat zij eind april 2014 in Marokko was om in het kader van het programma [televisieprogramma] met hem een liedje op te nemen. Ze verbleef in een riad (een Marokkaanse villa met een binnenplaats) met de verdachte en medewerkers van het programma. Haar toenmalige partner en manager [getuige 7] verbleef elders in de stad in een hotel. Op de dag dat zij aankwam, werkten zij en de verdachte tot laat door. De verdachte wilde nog iets met [slachtoffer 3] bespreken en kwam naar haar kamer, waar zij al was. Toen hij de kamer binnenkwam, stormde hij direct op haar af met zijn broek naar beneden en een stijve penis. Hij duwde haar op het bed en deed haar pyjama opzij. Hij wilde met zijn penis binnendringen in haar vagina en dit lukte volgens [slachtoffer 3] in haar verklaring bij de politie ‘een beetje’. Zij probeerde hem met kracht van zich af te duwen. Toen dat lukte, achtervolgde de verdachte haar in de kamer en drukte hij haar tegen de muur. Hij wilde daarbij opnieuw bij haar binnendringen met zijn penis. Uiteindelijk is het haar gelukt om de verdachte de kamer uit te krijgen.
4.4.2
De verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft erkend dat hij die nacht op haar kamer was, maar hij ontkent de (poging tot) verkrachting. Er was volgens hem alleen een ‘flirterige sfeer’ en hij sluit niet uit dat hij [slachtoffer 3] heeft gekust, maar daar is het bij gebleven.
4.4.3
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat verkrachting kan worden bewezen. Zij achten de verklaringen van [slachtoffer 3] betrouwbaar en zijn van mening dat die in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij op de kamer van [slachtoffer 3] is geweest en de getuige [getuige 7] heeft na het incident een verandering in de emotionele toestand van [slachtoffer 3] waargenomen die past bij haar verklaringen. De advocaten-generaal komen tot een bewezenverklaring van een voltooide verkrachting, omdat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat het binnendringen ‘een beetje’ was gelukt. Het binnendringen tussen de schaamlippen, ook als dat kortstondig is, wordt in de jurisprudentie als seksueel binnendringen aangemerkt.
4.4.4
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat er geen (betrouwbaar) steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 3] en dat haar verklaringen niet betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Bij de verweren is het (aanvullend) rapport van Van Koppen van 18 februari 2026 en 29 maart 2026 betrokken. Voor zover de verweren en het rapport bespreking behoeven, wordt dit hierna weergegeven.
4.4.5
Het oordeel van het hof
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3]
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] is consistent in haar verklaringen over wat er in de kamer zou zijn gebeurd. Het hof deelt niet het standpunt van de verdediging dat de verklaringen te summier en ‘niet altijd begrijpelijk’ en daarom onbetrouwbaar zijn. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [slachtoffer 3] helder over de kern van de beschuldiging en de omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden. Ook in het door de verdediging ingebrachte rapport van Van Koppen wordt daar weinig op afgedongen. Op het punt van de penetratie – op dit punt heeft Van Koppen wel commentaar op de validiteit van de verklaringen van [slachtoffer 3] – komt het hof hierna terug.
Dat [slachtoffer 3] haar visie op de gebeurtenis anders zou zijn gaan ‘inkleuren’ door de BOOS-uitzending zoals de verdachte zelf naar voren heeft gebracht, acht het hof geenszins aannemelijk. Er is naar het oordeel van het hof een te groot contrast tussen de versie van de verdachte (flirten met hoogstens zoenen) en de versie van [slachtoffer 3] (een overrompelende verkrachting waarbij de verdachte haar vijf keer heeft benaderd en zij hem van haar moest afduwen) om nog sprake te kunnen zijn van ‘inkleuren’. Ook Van Koppen heeft in zijn rapport geconcludeerd dat er geen invloed van de BOOS-uitzending op de inhoud van haar verklaringen is waar te nemen. Verder zette [slachtoffer 3] veel op het spel door belastende verklaringen af te leggen en heeft zij – zo volgt uit haar verklaringen – daarmee dan ook sterk geworsteld. Ze zag erg op tegen de persaandacht die het zou veroorzaken en de mogelijke represailles die haar te wachten stonden. Ze vermoedde dat zij om haar verklaringen zou worden bespot en het haar zelfs een aangifte van smaad zou opleveren met alle advocaatkosten van dien. Ook vond ze het zwaar dat ze het leven van de verdachte kapot zou kunnen maken door te verklaren. Dit alles terwijl daar verder voor haar zelf weinig tegenover zou staan. Deze persoonlijke worsteling maakt dat het naar het oordeel van het hof ook niet voor de hand ligt dat zij haar zienswijze naderhand is gaan ‘inkleuren’. Het wijst er eerder op dat zij zich steeds zeer goed bewust is geweest van wat er is gebeurd en wat zij daarover wilde verklaren.
De verdediging heeft zowel ter terechtzitting bij de rechtbank als in hoger beroep met behulp van camerabeelden van het tv-programma willen aantonen dat wat [slachtoffer 3] zegt te hebben ervaren na de (poging tot) verkrachting met die beelden niet spoort. Het betreft een door de verdachte samengestelde compilatie van beelden die tijdens het genoemde programma zijn gemaakt van momenten ná de ontmoeting op de slaapkamer van [slachtoffer 3] . Op die beelden is niets te zien van het in zichzelf gekeerde en timide gedrag dat [slachtoffer 3] van zichzelf in haar verklaringen beschrijft, eerder het tegenovergestelde, aldus de verdediging.
Het hof is van oordeel dat wat er op de beelden te zien is niet tot de conclusie kan leiden dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over wat er die nacht op de slaapkamer is gebeurd, niet betrouwbaar zijn. Het hof overweegt daarover het volgende.
[slachtoffer 3] is over de beelden aanvullend gehoord. Zij heeft naar het oordeel van het hof op geloofwaardige wijze verklaard dat sprake was van (wat het hof omschrijft als) ‘overleefgedrag’ en dat het niet betekent dat de door haar beschreven gevoelens er niet zijn geweest. Het is goed denkbaar dat er een contrast was tussen wat [slachtoffer 3] uiterlijk liet zien en haar innerlijke belevingswereld, zeker in een situatie dat zij – naar eigen zeggen – de keuze had gemaakt haar werk met de verdachte nog af te maken en zij daar in de riad helemaal alleen voor stond, nu ook het aanwezige personeel allemaal door de verdachte was ingehuurd. Om een en ander soepel te laten verlopen, acht het hof het opzetten van ‘een masker’ onder die omstandigheden aannemelijk. Dit sluit ook goed aan bij wat de advocaten-generaal naar voren hebben gebracht over het verschillende gedrag dat slachtoffers na seksueel grensoverschrijdend gedrag kunnen laten zien. Het is algemeen bekend dat slachtoffers verschillen in hun reacties op seksueel overschrijdend gedrag.1.
Verder merkt het hof op dat [slachtoffer 3] in haar aanvullende verklaring erop heeft gewezen dat er niet gefilmde momenten zijn geweest waarop ze ook ander gedrag heeft laten zien (zoals bij het ontbijt, waar zij het contact met de verdachte meed) en zitten er volgens haar ‘stille hints’ in de beelden die erop duiden dat ze wel degelijk van slag was. Ook dit kan het hof volgen. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep twee van die momenten laten zien in de beelden die de verdachte bij de rechtbank heeft getoond en die in de in hoger beroep door de verdachte geproduceerde compilatie zijn weggelaten.
Ook heeft [slachtoffer 3] verklaard over het gedrag in de jaren ná [televisieprogramma] , waar ze nog contact heeft gezocht met de verdachte en waarvan de verdediging heeft betoogd dat dit ook niet past bij haar beschuldiging. Volgens [slachtoffer 3] was in de tijd na het programma sprake van het ‘wegdrukken van emoties’. Ook dit is naar het oordeel van het hof voorstelbaar in een wereld waarin artiesten elkaar blijven tegenkomen vanwege zangcarrières en waarin de verdachte als geslaagde artiest ook macht had.
Wat betreft de betrouwbaarheid van haar verklaringen heeft de verdediging verder nog aangevoerd dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat haar slaapkamer geen ramen had, terwijl dat volgens de getuige [getuige 8] wel het geval was. Nu de verdachte zelf heeft erkend dat hij in ieder geval in de slaapkamer van [slachtoffer 3] is geweest, is de vraag of de kamer wel of geen ramen had in feite een onbelangrijk detail. Het hof ziet hierin in elk geval geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] .
Net als bij [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich in verband met de verklaringen van [slachtoffer 3] aangesloten bij de kritiek die de rechtspsycholoog Van Koppen in zijn rapport heeft op de politieverhoren, die volgens hem ‘van matige tot slechte kwaliteit’ waren. De verdediging stelt in dat verband onder meer dat de politie [slachtoffer 3] heeft bewogen tot het afleggen van haar verklaringen met als doel tot schakelbewijs te komen en concludeert dat haar verklaringen daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof merkt op dat Van Koppen deze conclusie zelf in zijn rapport niet trekt. Behalve ten aanzien van de vraag of penetratie heeft plaatsgevonden, ziet Van Koppen namelijk verder geen aanleiding om te concluderen dat de verklaringen van [slachtoffer 3] niet valide zouden zijn. Hoewel de politieambtenaren de suggestie over schakelbewijs beter achterwege hadden kunnen laten, ziet ook het hof die aanleiding niet.
Tot slot is door de verdediging nog aangevoerd dat ook de verklaring van de getuige [getuige 9] afdoet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] , omdat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij tijdens het programma tegen hem heeft verteld dat de verdachte ‘niet spoorde en dat hij daar iets aan moest doen’, terwijl [getuige 9] heeft ontkend dat [slachtoffer 3] dit tegen hem zou hebben gezegd. Het hof acht dit onvoldoende reden om alsnog aan haar betrouwbaarheid te twijfelen. Het is niet mogelijk om nog vast te stellen of [slachtoffer 3] dan wel [getuige 9] hierin gelijk heeft. Verder doet het niet af aan alle hiervoor genoemde redenen om de verklaringen van [slachtoffer 3] wel degelijk als betrouwbaar te kwalificeren.
Steunbewijs
Nu sprake is van betrouwbare verklaringen van [slachtoffer 3] is enig steunbewijs voldoende om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. Dit steunbewijs kan worden gevonden in de verklaringen van [getuige 7] , de toenmalige vriend en manager van [slachtoffer 3] . Hij heeft verklaard dat zij op de dag van haar vertrek bij het programma [televisieprogramma] tegen hem heeft gezegd dat ‘ [verdachte] enorm over een grens was gegaan’. Daarbij oogde zij die dag ‘wezenloos en leeg’. Ze zei dat er ‘iets was gebeurd’. Zij liep als een ‘zombie’ achter hem aan op de markt in de Marokkaanse stad Fez waar ze nog verbleven. Zij zat in een ‘cocon’. In de avond zijn ze vroeg naar het hotel gegaan, ze was ‘timide’, aldus [getuige 7] . De volgende dag bij hun vertrek uit Fez moesten ze nog een rit van vier uur maken. Dat was ‘een zwijgende rit’. Ze was ‘totaal in zichzelf en afgekeerd, helemaal naar binnen’. Toen ze het vliegtuig waren ingegaan, maakte ze een opmerking dat ‘ [verdachte] over haar grenzen was gegaan’ en ‘te ver was gegaan’. Tussen die vlucht met het vliegtuig en de uitzending bij Pauw en Witteman op 15 mei 2014 – waar [slachtoffer 3] een optreden had - heeft zij nog tegen de getuige gezegd dat de verdachte ‘bovenop haar was gesprongen’.
Het hof is van oordeel dat er een voldoende duidelijk verband is tussen de woorden en het gedrag dat [getuige 7] van [slachtoffer 3] vlak na het incident heeft gehoord en waargenomen en het seksueel grensoverschrijdende gedrag dat [slachtoffer 3] in haar verklaringen beschrijft. In de verklaringen van [getuige 7] wordt méér beschreven dan alleen een ‘gedragsverandering’. Het gaat om een intense emotionele toestand die vlak na het delict duidelijk zichtbaar was.2.Verder sluiten de waarnemingen van [getuige 7] ook goed aan bij het gedrag dat [slachtoffer 3] van zichzelf beschrijft als reactie op wat er volgens haar in de slaapkamer is gebeurd (timide, in zichzelf gekeerd).
De verdediging heeft er in dit verband nog op gewezen dat het door [getuige 7] beschreven gedrag ook zou kunnen worden verklaard doordat [slachtoffer 3] is ‘vreemdgegaan’ met de verdachte en zij zich daarvoor tegenover [getuige 7] mogelijk schaamde en zij daarom in zichzelf gekeerd gedrag vertoonde. Het hof acht dit echter geen overtuigende verklaring voor het beschreven gedrag van [slachtoffer 3] . Want als dit aan de orde zou zijn geweest, kan niet goed worden verklaard waarom zij tegen [getuige 7] heeft gezegd dat ‘ [verdachte] ver over een grens is gegaan’. Dergelijke woorden passen beter bij een verkrachting dan bij vreemdgaan, omdat ze duiden op een handelen dat eenzijdig vanuit de verdachte is ondernomen en niet iets dat duidelijk wederkerig is bedoeld (vreemdgaan). Ook het ‘bespringen’ dat [getuige 7] in het vliegtuig van [slachtoffer 3] hoorde, past duidelijk beter bij het verhaal van [slachtoffer 3] over verkrachting dan bij vreemdgaan. Het is dan ook niet aannemelijk dat de door [getuige 7] waargenomen emoties het gevolg zijn van vreemdgaan door [slachtoffer 3] met de verdachte.
Het hof acht het voor het bewijs gebruikte deel van de verklaringen van [getuige 7] betrouwbaar nu hij daarin consistent is en het gaat over een beperkt moment, namelijk het moment vlak na de verkrachting. Om die reden acht het hof ook de door [getuige 7] in hoger beroep afgelegde verklaring bruikbaar voor het bewijs. Wat [getuige 7] nog heeft verklaard over de weken na het verblijf in Marokko, te weten de ‘nazit’ bij Pauw en Witteman op 15 mei 2014 en de app-contacten en het telefoongesprek met de projectleider [getuige 8] op 18 mei 2014 gebruikt het hof niet voor het bewijs. Hoewel het hof op voorhand geen reden heeft om te twijfelen aan wat [getuige 7] daarover heeft verklaard, zou het kunnen zijn dat hij zich daarin gedeeltelijk heeft vergist of dat hij zaken is vergeten. Dit alles kan met tijdsverloop te maken hebben.
Voltooide verkrachting
Over de vraag of sprake is van een voltooide verkrachting of een poging daartoe overweegt het hof dat het anders dan de rechtbank en met de advocaten-generaal van oordeel is dat [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris niet is teruggekomen van haar eerdere verklaring dat de verdachte met zijn stijve penis ‘een beetje’ is binnengedrongen. Het geheel van haar verklaringen kan naar het oordeel van het hof zo worden opgevat dat het incident in haar slaapkamer voor haar voelde als een poging tot verkrachting die niet is gelukt (omdat zij hem heeft weggeduwd en uiteindelijk de kamer uit heeft gekregen). Daaraan doet echter niet af dat ‘een beetje’ binnendringen juridisch kan worden beschouwd als een reeds voltooide verkrachting. Het hof zal de bewezenverklaring dan ook als zodanig kwalificeren.
5. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op 14 augustus 2018 in de slaapkamer van een woning gelegen aan De Blinkenlaan 9 te Heiloo, door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
- door vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen,
en bestaande die feitelijkheid hierin dat
- verdachte genoemd seksueel binnendringen op een onverhoedse wijze heeft verricht zonder dat die [slachtoffer 1] dit kon verhinderen en hier tegen (direct) verzet kon bieden;
4.
primair hij in de periode van 24 april 2014 tot en met 1 mei 2014 in Marokko, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] ,
- door meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] te brengen,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte onverhoeds die handeling heeft uitgevoerd en terwijl die [slachtoffer 3] verbaal en non-verbaal had aangegeven dit gedrag niet te willen en hiervan niet gediend te zijn,
- de slaapkamer van die [slachtoffer 3] is binnen gegaan en de deur dicht heeft gedaan en
- die [slachtoffer 3] op het bed heeft geduwd en
- op die [slachtoffer 3] is gaan liggen en haar heeft vast gehouden en
- die [slachtoffer 3] tegen een muur heeft geduwd en
- de pyjama van die [slachtoffer 3] opzij heeft getrokken en
- onverhoeds zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd,
waardoor een bedreigende situatie is ontstaan waartegen zij zich niet kon verzetten en/of waaraan zij zich niet kon onttrekken.
Hetgeen onder 2 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage 2 van dit arrest zijn vervat.
6. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 en 4 primair bewezen verklaarde levert op:
telkens: verkrachting.
7. Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit.
8. Oplegging van straf
Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor de verkrachting van [slachtoffer 1] (feit 2) en de poging tot verkrachting van [slachtoffer 3] (feit 4 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte voor de aanranding (feit 1) en verkrachting van [slachtoffer 1] (feit 2) en de verkrachting van [slachtoffer 3] (feit 4 primair) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.
De verdediging heeft, indien het hof tot een strafoplegging komt, verzocht rekening te houden met de buitensporige media-aandacht en -invloed en de pogingen van de verdachte om met de slachtoffers in contact te komen in het kader van mediation.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten en persoon van de verdachte
De verdachte heeft twee vrouwen verkracht. Bij de eerste vrouw, [slachtoffer 1] , is hij een slaapkamer binnengegaan en heeft hij plotseling, tegen haar wil, zijn vingers in haar vagina gestoken, terwijl zij op dat moment intiem was met een andere man. De tweede vrouw, [slachtoffer 3] , was een collega-artieste. Zij verbleef in een hotel in het buitenland voor de opnames van een tv-programma van de verdachte. De verdachte is [slachtoffer 3] hotelkamer binnengekomen en hij heeft haar daar op bed overrompeld. Hij is met zijn stijve penis bij haar binnengedrongen. Toen [slachtoffer 3] zich van hem af wist te duwen, liet de verdachte het daar niet bij en heeft hij haar tegen een muur geduwd om toch zijn zin te krijgen. Zij heeft hem uiteindelijk met veel moeite de kamer uit weten te krijgen.
Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele grenzen van beide vrouwen ernstig geschonden. Hij heeft uitsluitend gehandeld vanuit zijn eigen seksuele behoeften en geen moment rekening gehouden met de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting nog lange tijd psychische klachten kunnen ervaren. Uit de verklaringen die door en namens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn afgelegd, blijkt ook dat de gebeurtenissen grote impact op hen hebben gehad.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de beschuldigingen ontkend en daarmee geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte in de loop der jaren achteloos misbruik is gaan maken van zijn positie en imago als bekende rapper en artiest waarmee hij zichzelf gelegenheid heeft verschaft om seksuele handelingen bij vrouwen af te dwingen. Daarbij overrompelde hij de vrouwen ‘gewoon’. De zaken van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zijn daar voorbeelden van, maar ook de verklaringen van andere vrouwen in het dossier wijzen hier op. Dit alles is volkomen onaanvaardbaar.
Media-aandacht en pogingen tot mediation
De verdediging heeft naar voren gebracht dat deze zaak door de aandacht in de media veel impact heeft (gehad) op het leven van de verdachte, in het bijzonder ook op zijn gezin. De verdachte komt verder nergens meer aan het werk door de zaak, omdat opdrachtgevers niet meer met hem geassocieerd willen worden. De verdachte heeft bovendien aangegeven het gevoel te hebben dat hij door alle aandacht al publiekelijk is veroordeeld.
De zaak is uitvoerig in de media besproken. Het hof begrijpt dat de verdachte deze aandacht als (zeer) zwaar heeft ervaren en dat deze nadelig is geweest voor zijn professionele carrière en impact heeft gehad op zijn privéleven. Daar staat tegenover dat de verdachte had kunnen verwachten dat het plegen van zedendelicten op de wijze zoals bewezen verklaard – als bekende Nederlander met status en aanzien in de muziek- en televisiewereld – tot grote verontwaardiging in de samenleving zou leiden en dat dit de nodige (negatieve) media-aandacht zou opleveren. In die zin heeft de verdachte de media-aandacht aan zichzelf te wijten. Hij heeft bovendien tijdens de behandeling van de zaak bij de rechtbank zelf de publiciteit opgezocht. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen.
Dat de verdachte heeft geprobeerd met de slachtoffers in gesprek te gaan door middel van mediation, is voor het hof evenmin reden voor strafmatiging. Deze pogingen hebben niet daadwerkelijk geleid tot mediation. Strafvermindering vanwege mediation is in zijn algemeenheid alleen op zijn plaats als dit tot een slotovereenkomst met het slachtoffer heeft geleid. Dat is hier niet het geval.
Straf
Gezien de ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof kijkt bij het bepalen van de hoogte van die straf naar straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen zoals die ook zijn opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang (in die categorie passen de bewezen verklaarde feiten) geldt volgens de oriëntatiepunten als vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden (twee jaar). In dit geval gaat het om twee verkrachtingen en dus is het uitgangspunt 48 maanden (vier jaar).
Het hof kijkt echter ook naar de specifieke mate van dwang die de verdachte bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft toegepast. Bij [slachtoffer 1] is sprake geweest van een heftig maar kort moment van penetratie door vingers in haar vagina. Bij [slachtoffer 3] ging het om een langer durende aanval, waarbij zij zich stevig heeft verzet, maar de verdachte toch met zijn penis bij haar is binnengedrongen. Die verschillen weegt het hof mee bij het bepalen van de hoogte van de straf, zonder dat het hof in die afweging afbreuk wil doen aan de impact die het feit op elk slachtoffer afzonderlijk heeft gehad.
Gelet op de genoemde factoren acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
10. BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. R.A.E. van Noort en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.
Bijlage 1 – tenlastelegging
1.hij op of omstreeks 14 augustus 2018 (in de keuken van een woning gelegen aan de Blinkenlaan 9) te Heiloo, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
- door over de onderbroek heen de vagina van die [slachtoffer 1] te betasten,
en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat
- verdachte genoemde handeling op een onverhoedse wijze heeft verricht zonder dat die [slachtoffer 1] die kon verhinderen en/of hier tegen (direct) verzet kon bieden en/of
- nadat die [slachtoffer 1] zijn hand had weggetrokken en/of aangegeven dat het gedrag ongewenst was, is doorgegaan met de hiervoor genoemde handeling;
2.hij op of omstreeks 14 augustus 2018 (in de slaapkamer van een woning gelegen aan de Blinkenlaan 9) te Heiloo, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
- door een of meer vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen,
en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat
- die [slachtoffer 1] eerder aan hem te kennen had gegeven dat zij niet gediend was van zijn seksuele avances en/of
- verdachte onverwachts die kamer is binnen gelopen en/of
- verdachte genoemd seksueel binnendringen op een onverhoedse wijze heeft verricht zonder dat die [slachtoffer 1] dit kon verhinderen en/of hier tegen (direct) verzet kon bieden;
3.hij op of omstreeks 19 mei 2018 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het zoenen van die [slachtoffer 2] en/of
- het wrijven over en/of voelen tussen de benen van die [slachtoffer 2] en/of
- het betasten van het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of
- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 2] ,
en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte onverhoeds die ontuchtige handelingen heeft uitgevoerd en/of terwijl die [slachtoffer 2] meermalen verbaal en/of non verbaal had aangegeven dit gedrag niet te willen en/of hiervan niet gediend te zijn,
- in zijn auto met die [slachtoffer 2] naar een voor die [slachtoffer 2] onbekend en/of afgelegen bospad, althans een voor die [slachtoffer 2] onbekende locatie, is gereden en/of
- die [slachtoffer 2] tegen zijn auto heeft aangeduwd en/of
- de hand van die [slachtoffer 2] heeft gepakt en/of naar zijn penis heeft getrokken en/of op zijn penis heeft gelegd
waardoor een bedreigende situatie is ontstaan waartegen zij zich niet kon verzetten en/of waaraan zij zich niet kon onttrekken;
4.
primair hij in of omstreeks de periode van 24 april 2014 tot en met 1 mei 2014 te Meknes en/of Fez, althans in Marokko, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] ,
- door meermalen, althans eenmaal, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] te brengen,
en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte onverhoeds die handelingen heeft uitgevoerd en/of terwijl die [slachtoffer 3] meermalen verbaal en/of non-verbaal had aangegeven dit gedrag niet te willen en/of hiervan niet gediend te zijn,
- onverwachts/onaangekondigd de slaapkamer van die [slachtoffer 3] is binnen gegaan en/of de deur dicht heeft gedaan en/of
- die [slachtoffer 3] op het bed heeft geduwd en/of
- op die [slachtoffer 3] is gaan liggen en/of haar heeft vast gehouden en/of
- die [slachtoffer 3] tegen een muur heeft geduwd en/of
- de onderbroek en/of pyjamabroek van die [slachtoffer 3] opzij en/of naar beneden heeft getrokken en/of
- onverhoeds zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd,
waardoor een bedreigende situatie is ontstaan waartegen zij zich niet kon verzetten en/of waaraan zij zich niet kon onttrekken;
subsidiair hij in of omstreeks de periode van 24 april 2014 tot en met 1 mei 2014 te Meknes en/of Fez, althans in Marokko, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het, seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , onverhoeds en/of terwijl die [slachtoffer 3] verbaal en/of non-verbaal had aangegeven dit gedrag niet te willen en/of hier niet van gediend te zijn
- onverwachts/onaangekondigd de slaapkamer van die [slachtoffer 3] is binnen gegaan en/of de deur heeft dicht gedaan en/of
- zijn broek heeft laten zakken en/of
- die [slachtoffer 3] op het bed heeft geduwd en/of
- op die [slachtoffer 3] is gaan liggen en/of haar heeft vastgehouden en/of
- die [slachtoffer 3] tegen een muur heeft geduwd en/of
- de onderbroek en/of pyjamabroek van die [slachtoffer 3] opzij en/of naar beneden heeft getrokken en/of
- zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd,
waardoor een bedreigende situatie is ontstaan waartegen zij zich niet kon verzetten en/of waaraan zij zich niet kon onttrekken, terwijl de uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026
Vergelijk de categorie ‘bewijsmiddelen over de emotie bij het slachtoffer na het delict’ zoals die door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad wordt beschreven in PHR:2024:356.