HR, 12-04-2013, nr. 12/05438
ECLI:NL:HR:2013:BZ6959
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2013
- Zaaknummer
12/05438
- LJN
BZ6959
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BZ6959, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6959
ECLI:NL:HR:2013:BZ6959, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑04‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6959
- Vindplaatsen
Conclusie 12‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Zekerheidsstelling voor proceskosten; vaststelling woon- of gewone verblijfplaats dan wel domicilie, art. 224 lid 2 onder a en b Rv in verbinding met art. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.
Zaak 12/05438
Mr. P. Vlas
Zitting, 22 februari 2013
Conclusie inzake art. 80a RO:
[Eiser],
tegen
1. [Verweerster 1],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerder 4]
(hierna [verweerder] c.s.)
1. Bij arrest van 18 september 2012 heeft het hof Arnhem geoordeeld in het hoger beroep dat door [eiser] is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 21 december 2011, gewezen in het incident op de voet van art. 224 Rv. De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten voor een bedrag van € 10.634. De rechtbank heeft het verweer van [eiser] dat hij zowel in Italië als in Zwitserland woonplaats heeft en derhalve niet gehouden is tot zekerheidsstelling verworpen. [Eiser] heeft kopieën overgelegd van een Italiaanse identiteitskaart voorzien van een adres in Italië en van een Zwitserse verblijfsvergunning voorzien van een adres in Zwitserland. Dat [eiser] op die adressen woonplaats heeft, is volgens de rechtbank voor het overige niet toelicht en uittreksels uit het bevolkingsregister zijn niet overgelegd. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat vaststaat dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat de vraag resteert of hij woonplaats of gewone verblijfplaats (art. 224 lid 2 sub b Rv) dan wel in domicilie (art. 224 lid 2 sub a Rv jo. art. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954) in Zwitserland heeft. Deze vraag is door het hof aan de hand van de mede in hoger beroep overgelegde stukken en aan de hand van de proceshouding van [eiser] ontkennend beantwoord. Tegen dit arrest heeft [eiser] heeft tijdig cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde motiveringsklacht rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daartoe geldt het volgende. Het hof heeft overwogen dat vaststaat dat op zichzelf de door [eiser] overgelegde Zwitserse 'Wohnsitzbestätigung' van de Zwitserse Gemeinde Krens voldoende zou zijn om domicilie in de zin van art. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 aan te nemen, maar dat door [eiser] niet is gereageerd op de door [verweerder] aangevoerde stellingen dat [eiser] niet op dat adres kan wonen en daarom nog steeds gerede twijfel bestaat of [eiser] daadwerkelijk op het opgegeven adres in Zwitserland woont. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Uitspraak 12‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Zekerheidsstelling voor proceskosten; vaststelling woon- of gewone verblijfplaats dan wel domicilie, art. 224 lid 2 onder a en b Rv in verbinding met art. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.
12 april 2013
Eerste Kamer
12/05438
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
in dit geding woonplaats kiezende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen en mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Verweerder 2],
gevestigd te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats]
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 219241/HA ZA 11-1193 van de rechtbank Arnhem van 9 november 2011 en 21 december 2011;
b. het arrest in de zaak 200.102.945 van het gerechtshof te Arnhem van 18 september 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 7 maart 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.