De rechter kan de normering van het toezicht op de naleving van (een) bijzondere voorwaarde(n) door controle van de gegevensdragers van de verdachte op verschillende manieren inrichten. Hij kan op grond van art. 14c lid 2 aanhef en onder 14° Sr een voorwaarde stellen waarin de verplichting tot medewerking van de verdachte aan het toezicht wordt vormgegeven. Daarnaast kan de rechter rechtstreeks het op grond van artikel 14c lid 6 Sr aan de reclassering op te dragen toezicht nader invullen en normeren. In bijna alle tot nu toe aan de Hoge Raad voorgelegde gevallen had de rechter, net als in de onderhavige zaak, voor de eerste werkwijze gekozen. De tweede werkwijze ligt gelet op het systeem van de wet echter meer voor de hand. Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vegter van 11 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:915, onder 19 en de conclusies waarnaar hij in dat verband verwijst, waarin steeds hetzelfde standpunt wordt ingenomen. Zie voor een bespreking van de definitie van ‘digitale-gegevensdrager en geautomatiseerde werken’ S.J. de Vries & J.W. van den Hurk, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, h. 1.1.
HR, 04-02-2025, nr. 22/03000
ECLI:NL:HR:2025:119
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
22/03000
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:119, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Cassatie)
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2025:2502
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2741
ECLI:NL:PHR:2024:1239, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0040
NJ 2025/106 met annotatie van P.C. Vegter
NTS 2025/20
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Bezit en vervaardigen van kinderporno (meermalen gepleegd), art. 240b.1 (oud) Sr. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde m.b.t. het verlenen van medewerking aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers, art. 14c.2.14 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:807 m.b.t. uitleg van gedragsvoorwaarde en vereisten voor het stellen daarvan en uit HR:2021:1403, inhoudende dat regelingen van art. 14c.3.b Sr en art. 6:3:14 Sv er niet aan in de weg staan dat bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2.14 Sr wordt gesteld die ertoe strekt toezicht op andere door rechter o.g.v. art. 14c.2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat toezicht niet leidt tot meer dan beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan vraag met welke frequentie en hoe controles van gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn (vgl. HR:2021:248). Hof heeft gedragsvoorwaarden gesteld die inhouden dat verdachte zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen of waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd. Daarnaast heeft hof, om toezicht op naleving van deze bijzondere voorwaarde mogelijk te maken, bijzondere voorwaarde gesteld dat verdachte meewerkt aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers, waarbij aan reclassering onder meer is overgelaten “op welke manier en door wie” deze controles worden uitgevoerd. Deze voorwaarde voldoet niet aan hiervoor genoemde eisen en is daarom in strijd met art. 14c.2.14 (oud) Sr, omdat daaruit niet blijkt op welke manier controles van gegevensdragers mogen worden uitgevoerd, welke functionarissen daarbij betrokken mogen zijn en hoe is gewaarborgd dat persoonlijke levenssfeer van verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor beoogd toezicht en dat toezicht niet leidt tot meer dan beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dat hof (kennelijk naar aanleiding van het “nee knikken” van verdachte tijdens tz. in hoger beroep) heeft overwogen dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan “alle hem te stellen bijzondere voorwaarden”, leidt niet tot ander oordeel. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03000
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2022, nummer 20-003307-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is “zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers”.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor 1. het in de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 juni 2018 in bezit hebben en 2. het in de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 juni 2017 vervaardigen van – kort gezegd – beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik (kinderporno), telkens meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met onder meer de bijzondere voorwaarde dat de verdachte:
“verplicht is om zich te onthouden van: (a) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en (b) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze laatstgenoemde verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
• de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
• de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasseringswerkers;
• de verdachte moet de reclassering de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt de verdachte mede dat hij als reden van het hoger beroep kan opgeven dat hij de straf te zwaar te acht en/of dat hij meent ten onrechte te zijn veroordeeld.
De verdachte verklaart daarop als volgt.
Geen van de door u genoemde redenen zijn eigenlijk van toepassing. De eerste insteek van het hoger beroep was dat ik net met therapie was begonnen en dat wilde afmaken. Het belangrijkste voor mij was die therapie. Ik wilde die behandeling hebben maar door de strafzaak zou die opgeschoven worden. De hoofdreden van het hoger beroep was het starten van mijn behandeling. Het tweede punt was uiteindelijk dat ik de straf te hoog vond, maar de eerste reden was om erachter te komen wat er met mij aan de hand was.
De voorzitter vraagt de raadsman of de verdachte het hoger beroep dan liever had willen intrekken.
De raadsman verklaart daarop als volgt.
Nee, cliënt wil het hoger beroep wel doorzetten. Zijn persoonlijke belang bij het hoger beroep was het afmaken of starten van zijn behandeling, maar voor juristen is het belangrijk om het in hoger beroep te hebben over de straf en de strafmotivering. Dat hangt wel samen met het belang van cliënt.
(...)
Op vragen van de voorzitter omtrent de persoon van de verdachte verklaart deze als volgt.
Ik sta open voor een ambulante behandeling zoals geadviseerd wordt door de reclassering.
Ik ben nog steeds in behandeling en ik wil daaraan meewerken.
(...)
Als mij een gevangenisstraf wordt opgelegd dan kom ik in de clinch. Stel dat ik op een normale afdeling van de P.I. terecht zou komen, zou ik in de problemen komen op het gebied van veiligheid en de psychische druk die erbij ontstaat. Ook als ik bij lotgenoten terecht zou komen, zou ik mijzelf in problemen brengen omdat ik mij daar niet in kan vinden. Een ander aspect is dat er inmiddels tijd is verstreken en dat ik nog steeds in behandeling ben. Ik ben afgebroken en ben mezelf weer opnieuw aan het opbouwen. Ik heb ook weer een baan. Ik ben verder gegaan met mijn leven. Het is niet zo dat ik me niet besef dat bepaalde keuzes consequenties moeten hebben, maar een gevangenisstraf kost mij dan alles.
(...)
Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
Ik had nooit verwacht dat het zo lang zou duren voordat het hoger beroep zou worden behandeld. Ik zat zo in de clinch met mezelf en mijn therapie was echt belangrijk omdat ik het anders ook niet kon begrijpen. Ik vind het een moeilijke vraag welke straf ik passend zou vinden. Ik zat met mensen in de P.I. die ergere dingen hebben gedaan. Voor mijzelf zijn er zoveel maatregelen waarin ik mee wil gaan. Ik weet niet wat vastzitten met mij gaat doen, hoe dat verder uitpakt en of dat het maatschappelijke doel is. Ik weet niet of in de deskundigenrapporten staat wat een gevangenisstraf voor mij zou betekenen. Het is mij wel duidelijk geworden dat het niet bevorderlijk zou zijn voor het verdere verloop van de zaak en voor de afhandeling daarvan en voor mijzelf. Een gevangenisstraf kan mij psychisch/mentaal weer naar beneden brengen. Ik vul dat niet zelf in, maar dat kwam uit de gesprekken met de deskundigen. Zij zijn er bang voor dat een gevangenisstraf voor mij niet ten goede zou uitpakken.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
(...)
Ik heb de verdachte geen vragen gesteld over aan hem op te leggen bijzondere voorwaarden. Ik denk dat daartegen geen bezwaar bestaat en ik zie de verdachte nu ook nee knikken. Ik vraag dus om die bijzondere voorwaarden van de rechtbank weer aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden.
(...)
De verdachte bevestigt desgevraagd dat hij de eis van de advocaat-generaal heeft begrepen.
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
(...)
Cliënt heeft te kennen gegeven, ook naar de moeder toe, dat hij veel spijt heeft en dat er geen excuus is voor hetgeen hij heeft gedaan. Hij heeft inmiddels werk en een stabiele relatie. Waarom zou hij nog naar de gevangenis moeten? Dat zou dan puur om de vergelding zijn. Vergelding kan best een oplossing zijn, maar in zedenzaken is het belangrijker dat verdachten een behandeling ondergaan. Gevangenisstraf kan destructief zijn voor een verdachte en denk ook dat het in dit geval zo is. Cliënt valt daardoor terug en verliest zijn netwerk, zijn werk en relatie. Hij is dan terug bij af.
De ernst van de feiten kan voldoende tot uitdrukking worden gebracht met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en een maximale taakstraf.
We moeten niet vergeten dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met een langere proeftijd van 2-3 jaar geen lichte sanctie mag worden genoemd. Mijn voorstel is de juiste uitkomst voor alle betrokkenen.”
2.2.3
Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“Op te leggen straf en motivering
(...)
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan alle aan hem te stellen bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Naar het oordeel van het hof doet een gevangenisstraf met een aanzienlijk korter onvoorwaardelijk deel in combinatie met een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit, geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
Voorts acht het hof reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het rapport van 7 oktober 2019 - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en (het continueren van) een behandeling bij FPP [A] - geïndiceerd. Daarnaast acht het hof het, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, van belang dat er controle wordt uitgeoefend op het internetgedrag en de gegevensdragers van de verdachte. Het hof leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat controle van gegevensdragers als bijzondere voorwaarde in de zin van artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 14°, van het Wetboek van Strafrecht onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien sprake is van een bijzondere voorwaarde die (a) een voldoende duidelijk gedragsvoorschrift bevat en (b) geen te veelomvattend en te ingrijpend dwangmiddel is. Het hof acht controle van de gegevensdragers van de verdachte nodig, gelet op de ernst van de feiten en ter ondersteuning van het behandeltraject. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij ten behoeve van het behandeltraject was afgekickt, toch weer cannabis is gaan gebruiken. Dit baart het hof zorgen, nu uit voornoemd psychodiagnostisch onderzoeksrapport van Leckebusch volgt dat frequent cannabisgebruik een instandhoudende factor in de problematiek van de verdachte is.
Teneinde binnen de vereiste kaders te blijven, neemt het hof de in eerste aanleg door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarden over in hoger beroep. De verdachte wordt verplicht om zich te onthouden van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over het plegen van seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
- de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
- de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasseringswerkers;
- de verdachte moet de reclassering de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Met betrekking tot het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan deze bijzondere voorwaarden. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte een dergelijke controle niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren.”
2.3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 14c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.”
“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
(...)
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
(...)
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
“1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden die zijn gesteld bij:
(...)
4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd (...).
3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht. Bij het houden van toezicht stelt de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.”
2.3.2
Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr moet het gedrag van de veroordeelde betreffen (hierna ook: gedragsvoorwaarde). Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Onder ‘voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde’ moeten daarbij worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde. Bij ‘voorwaarden die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht’ gaat het om voorwaarden die een gedraging van de veroordeelde betreffen waartoe hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is, bijvoorbeeld jegens slachtoffers van het bewezenverklaarde feit. De gedragsvoorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de veroordeelde omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. (Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807.)
2.3.3
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403). Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat het toezicht niet leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan de vraag met welke frequentie en hoe de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn. (Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248).
2.4
Het hof heeft gedragsvoorwaarden gesteld die inhouden dat de verdachte zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen of waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd. Daarnaast heeft het hof, om het toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarde mogelijk te maken, de bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte meewerkt aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers, waarbij aan de reclassering onder meer is overgelaten ‘op welke manier en door wie’ deze controles worden uitgevoerd. Deze voorwaarde voldoet niet aan de onder 2.3 genoemde eisen en is daarom in strijd met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, (oud) Sr, omdat daaruit niet blijkt op welke manier de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd, welke functionarissen daarbij betrokken mogen zijn en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht en dat het toezicht niet leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat het hof – kennelijk naar aanleiding van het ‘nee knikken’ van de verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep – heeft overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan ‘alle hem te stellen bijzondere voorwaarden’, leidt niet tot een ander oordeel.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Bezit en vervaardigen kinderporno, meermalen gepleegd, art. 240b Sr. Toezicht op de naleving van een bijzondere voorwaarde die ziet op het voorkomen van (strafbaar) gedrag dat verband houdt met kinderporno. Middel over bijzondere voorwaarde ex art. 14c lid 2 sub 14 Sr die inhoudt dat de verdachte verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. Middel klaagt terecht over het kennelijke oordeel van het hof dat verdachte afstand heeft gedaan van het recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer en dat de bijzondere voorwaarde in strijd is met art. 14c lid 2 sub 14 Sr. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03000
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 augustus 2022 het vonnis van de rechtbank Limburg van 28 oktober 2019 bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de motivering daarvan. Het hof heeft de verdachte wegens feit 1 “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd” en feit 2 “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf heeft het hof een aantal bijzondere voorwaarden verbonden.
1.2
Namens de verdachte heeft E. Maessen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over de oplegging van de bijzondere voorwaarde die inhoudt dat de verdachte verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. Voordat ik overga tot de beoordeling van het middel, geef ik de relevante delen van de processtukken weer en maak ik een aantal algemene opmerkingen.
De relevante delen van de processtukken
2.2
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2022 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt de verdachte mede dat hij als reden van het hoger beroep kan opgeven dat hij de straf te zwaar te acht en/of dat hij meent ten onrechte te zijn veroordeeld.
De verdachte verklaart daarop als volgt.
Geen van de door u genoemde redenen zijn eigenlijk van toepassing. De eerste insteek van het hoger beroep was dat ik net met therapie was begonnen en dat wilde afmaken. Het belangrijkste voor mij was die therapie. Ik wilde die behandeling hebben maar door de strafzaak zou die opgeschoven worden. De hoofdreden van het hoger beroep was het starten van mijn behandeling. Het tweede punt was uiteindelijk dat ik de straf te hoog vond, maar de eerste reden was om erachter te komen wat er met mij aan de hand was.
De voorzitter vraagt de raadsman of de verdachte het hoger beroep dan liever had willen intrekken.
De raadsman verklaart daarop als volgt.
Nee, cliënt wil het hoger beroep wel doorzetten. Zijn persoonlijke belang bij het hoger beroep was het afmaken of starten van zijn behandeling, maar voor juristen is het belangrijk om het in hoger beroep te hebben over de straf en de strafmotivering. Dat hangt wel samen met het belang van cliënt.
[…]
Op vragen van de voorzitter omtrent de persoon van de verdachte verklaart deze als volgt.
Ik sta open voor een ambulante behandeling zoals geadviseerd wordt door de reclassering.
Ik ben nog steeds in behandeling en ik wil daaraan meewerken.
[…]
Als mij een gevangenisstraf wordt opgelegd dan kom ik in de clinch. Stel dat ik op een normale afdeling van de P.I. terecht zou komen, zou ik in de problemen komen op het gebied van veiligheid en de psychische druk die erbij ontstaat. Ook als ik bij lotgenoten terecht zou komen, zou ik mijzelf in problemen brengen omdat ik mij daar niet in kan vinden. Een ander aspect is dat er inmiddels tijd is verstreken en dat ik nog steeds in behandeling ben. Ik ben afgebroken en ben mezelf weer opnieuw aan het opbouwen. Ik heb ook weer een baan. Ik ben verder gegaan met mijn leven. Het is niet zo dat ik me niet besef dat bepaalde keuzes consequenties moeten hebben, maar een gevangenisstraf kost mij dan alles.
[…]
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt.
Ik had nooit verwacht dat het zo lang zou duren voordat het hoger beroep zou worden behandeld. Ik zat zo in de clinch met mezelf en mijn therapie was echt belangrijk omdat ik het anders ook niet kon begrijpen. Ik vind het een moeilijke vraag welke straf ik passend zou vinden. Ik zat met mensen in de P.I. die ergere dingen hebben gedaan. Voor mijzelf zijn er zoveel maatregelen waarin ik mee wil gaan. Ik weet niet wat vastzitten met mij gaat doen, hoe dat verder uitpakt en of dat het maatschappelijke doel is. Ik weet niet of in de deskundigenrapporten staat wat een gevangenisstraf voor mij zou betekenen. Het is mij wel duidelijk geworden dat het niet bevorderlijk zou zijn voor het verdere verloop van de zaak en voor de afhandeling daarvan en voor mijzelf. Een gevangenisstraf kan mij psychisch/mentaal weer naar beneden brengen. Ik vul dat niet zelf in, maar dat kwam uit de gesprekken met de deskundigen. Zij zijn er bang voor dat een gevangenisstraf voor mij niet ten goede zou uitpakken.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
[…]
Ik heb de verdachte geen vragen gesteld over aan hem op te leggen bijzondere voorwaarden. Ik denk dat daartegen geen bezwaar bestaat en ik zie de verdachte nu ook nee knikken. Ik vraag dus om die bijzondere voorwaarden van de rechtbank weer aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
[…]
Cliënt heeft te kennen gegeven, ook naar de moeder toe, dat hij veel spijt heeft en dat er geen excuus is voor hetgeen hij heeft gedaan. Hij heeft inmiddels werk en een stabiele relatie. Waarom zou hij nog naar de gevangenis moeten? Dat zou dan puur om de vergelding zijn. Vergelding kan best een oplossing zijn, maar in zedenzaken is het belangrijker dat verdachten een behandeling ondergaan. Gevangenisstraf kan destructief zijn voor een verdachte en denk ook dat het in dit geval zo is. Cliënt valt daardoor terug en verliest zijn netwerk, zijn werk en relatie. Hij is dan terug bij af.
De ernst van de feiten kan voldoende tot uitdrukking worden gebracht met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en een maximale taakstraf.
We moeten niet vergeten dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met een langere proeftijd van 2-3 jaar geen lichte sanctie mag worden genoemd. Mijn voorstel is de juiste uitkomst voor alle betrokkenen.”
2.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (de voetnoot laat ik weg):
“Op te leggen straf en motivering
[…]
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan alle aan hem te stellen bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Naar het oordeel van het hof doet een gevangenisstraf met een aanzienlijk korter onvoorwaardelijk deel in combinatie met een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit, geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
Voorts acht het hof reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het rapport van 7 oktober 2019 - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en (het continueren van) een behandeling bij FPP [A] - geïndiceerd. Daarnaast acht het hof het, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, van belang dat er controle wordt uitgeoefend op het internetgedrag en de gegevensdragers van de verdachte. Het hof leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat controle van gegevensdragers als bijzondere voorwaarde in de zin van artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 14°, van het Wetboek van Strafrecht onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien sprake is van een bijzondere voorwaarde die (a) een voldoende duidelijk gedragsvoorschrift bevat en (b) geen te veelomvattend en te ingrijpend dwangmiddel is. Het hof acht controle van de gegevensdragers van de verdachte nodig, gelet op de ernst van de feiten en ter ondersteuning van het behandeltraject. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij ten behoeve van het behandeltraject was afgekickt, toch weer cannabis is gaan gebruiken. Dit baart het hof zorgen, nu uit voornoemd psychodiagnostisch onderzoeksrapport van Leckebusch volgt dat frequent cannabisgebruik een instandhoudende factor in de problematiek van de verdachte is.
Teneinde binnen de vereiste kaders te blijven, neemt het hof de in eerste aanleg door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarden over in hoger beroep. De verdachte wordt verplicht om zich te onthouden van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over het plegen van seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
- de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
- de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasseringswerkers;
- de verdachte moet de reclassering de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Met betrekking tot het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan deze bijzondere voorwaarden. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte een dergelijke controle niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren.
[…]
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
[…]
- verplicht is om zich te onthouden van: (a) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en (b) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze laatstgenoemde verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
o de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
o de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasseringswerkers;
o de verdachte moet de reclassering toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.”
Algemene opmerkingen voorafgaand aan de beoordeling van het middel
2.4
Het gaat in deze zaak om het toezicht op de naleving van een bijzondere voorwaarde die ziet op het voorkomen van (strafbaar) gedrag dat verband houdt met kinderporno. Het toezicht bestaat uit steekproefsgewijze controles van digitale gegevensdragers en geautomatiseerde werken van de verdachte.1.Dit thema is de afgelopen jaren een aantal keren eerder aan de orde gekomen in de rechtspraak van de Hoge Raad. In die zaken ging de Hoge Raad nagenoeg elke keer over tot cassatie.2.Deze zaak onderscheidt zich van die vorige zaken, doordat het hof in de strafmotivering met betrekking tot het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft overwogen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan de bijzondere voorwaarden die door het hof worden opgelegd en dat het hof hieruit afleidt dat de verdachte de controles van zijn digitale gegevensdragers niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren. Hierin kan als oordeel van het hof worden gelezen dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met het oog op de controle van zijn gegevensdragers in het kader van het toezicht op de naleving van een aan de verdachte opgelegde verplichting.
2.5
In een recente uitspraak over dit onderwerp heeft de Hoge Raad als volgt overwogen en geoordeeld:
“2.4.1 Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in voorheen artikel 14c lid 2, aanhef en onder 5° (oud), Sr en momenteel artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr moet het gedrag van de veroordeelde betreffen (hierna ook: gedragsvoorwaarde). Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Zo’n voorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de verdachte omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215.) Een bijzondere voorwaarde waarvan de naleving niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde, kan niet worden gesteld (vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981).
[…]
2.5
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403).
Beoordeling van de cassatieklachten
2.6
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde
“- veroordeelde moet maximaal tweemaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot zijn woning;
- veroordeelde moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers;
- veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden”
voldoet niet aan de onder 2.5 genoemde eisen en is daarom in strijd met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 5°, (oud) Sr. Hoewel het hof voldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat deze bijzondere voorwaarde het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden onder a en b beoogt te regelen, blijkt uit de voorwaarde immers niet op welke wijze de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht.”3.
2.6
Bij de normering van het toezicht op de naleving van een bijzondere voorwaarde door controle van de digitale gegevensdragers van de verdachte moet de rechter dus duidelijk maken (i.) met welke frequentie en (ii.) hoe de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en (iii.) welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn. Uit het hierboven weergegeven arrest blijkt dat de rechter in die zaak wel duidelijk had gemaakt met welke frequentie de controles mochten plaatsvinden en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mochten zijn, maar had nagelaten te omschrijven op welke wijze het onderzoek aan de digitale gegevensdragers mocht plaatsvinden. Onder die omstandigheden kon de door het hof gestelde gedragsvoorwaarde de toets in cassatie niet doorstaan.
2.7
Daarnaast merk ik in verband met de overwegingen van het hof over de instemming van de verdachte met de bijzondere voorwaarden op dat uit de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad volgt dat een persoon onder bepaalde voorwaarden afstand kan doen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.4.Die rechtspraak ziet op het geven van toestemming aan een opsporingsambtenaar voor een onderzoekshandeling die normaal gesproken inbreuk zou (kunnen) maken op dat recht.5.In het algemeen wordt aangenomen dat de door de betrokkene gedane afstand van recht betekent dat binnen het bestek van die afstand geen sprake meer zal zijn van een inbreuk op het betreffende recht.6.
2.8
De jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad over dit onderwerp houdt in dat voor de rechtsgeldigheid van een waiver een drietal voorwaarden gelden: vrijwilligheid, ondubbelzinnigheid en geïnformeerdheid.7.De vereiste ondubbelzinnigheid betekent daarbij dat uit de gedragingen van de betrokken persoon in voldoende mate moet blijken dat hij afstand doet van het betreffende recht.8.Naarmate de gevolgen van het prijsgeven van het recht voor de betrokkene groter worden – bijvoorbeeld als sprake is van toestemming voor een doorzoeking niet van een auto, maar van een woning – moeten bovendien strengere eisen worden gesteld aan de totstandkoming van de waiver.9.Het EHRM overweegt in dat verband dat “a waiver must […] be attended by minimum safeguards commensurate to its importance.”10.Deze (minimum) safeguards houden verband met de geïnformeerdheid van de betrokkene en de wijze waarop hij blijk geeft van de waiver, dus de ondubbelzinnigheid daarvan, zo blijkt uit de rechtspraak van het EHRM.11.
3. De beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt over de oplegging van een bijzondere voorwaarde omdat uit de door het hof gestelde gedragsvoorwaarde niet blijkt op welke wijze de controles van de gegevensdragers van de verdachte mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht door de reclassering op de naleving van een andere bijzondere voorwaarde. Verder betoogt de steller van het middel dat de overweging van het hof dat de verdachte heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan de bijzondere voorwaarde en dat het hof daaruit afleidt dat de verdachte een dergelijke controle niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren, niet zonder meer begrijpelijk is. Volgens de steller van het middel zou het met het hoofd nee schudden namelijk een te onbestemd gebaar zijn om daarop de genoemde gevolgtrekkingen te baseren. Deze overweging van het hof ziet er volgens de steller van het middel daarnaast aan voorbij dat – ook al zou de verdachte de controle door of namens de reclassering niet als een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer ervaren, althans de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer accepteren – deze omstandigheid niet de oplegging van een bijzondere voorwaarde kan rechtvaardigen die in strijd met art. 14c lid 2 aanhef en onder 14° Sr is te achten.
3.2
Het hof heeft als gedragsvoorwaarde gesteld dat de verdachte verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs controleren van zijn digitale gegevensdragers, waarbij de reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Het van de verdachte vereiste gedrag heeft het hof als volgt nader omschreven:
de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen een de reclasseringswerkers;
de verdachte moet de reclassering de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
3.3
Het hof heeft verder overwogen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de verdachte de controle van zijn digitale gegevensdragers niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren. Dat heeft het hof kennelijk gebaseerd op de eerder weergegeven opmerkingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, die ik hier voor de duidelijkheid opnieuw citeer:
“Ik heb de verdachte geen vragen gesteld over aan hem op te leggen bijzondere voorwaarden. Ik denk dat daartegen geen bezwaar bestaat en ik zie de verdachte nu ook nee knikken. Ik vraag dus om die bijzondere voorwaarden van de rechtbank weer aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden.”
3.4
Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voor wat betreft de gedragsvoorwaarde die strekt tot steekproefsgewijze controle van de digitale gegevensdragers van verdachte.
3.5
In cassatie wordt onder meer aangevoerd dat de overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn omdat het nee knikken met het hoofd een te onbestemd gebaar is. In dat verband is van belang dat het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand van recht heeft gedaan, moet worden getoetst aan de hiervoor genoemde maatstaven.
3.6
Vastgesteld moet worden dat een afstand van recht voor de verdachte in deze situatie ingrijpende gevolgen mee zou brengen, nu de gedragsvoorwaarde het voor een periode van drie jaren mogelijk maakt dat reclasseringsmedewerkers viermaal per jaar bij een huisbezoek alle digitale gegevensdragers van de verdachte zonder beperkingen kunnen doorzoeken. Dit zou telkens een grote inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte (kunnen) betekenen. Gelet daarop moeten in dit geval strenge eisen worden gesteld aan de totstandkoming van de afstand van recht en in het bijzonder aan de ondubbelzinnigheid daarvan. Dat betekent in mijn ogen dat de uiting van de verdachte, het nee knikken met het hoofd als reactie op de algemene vraag van de advocaat-generaal of hij bezwaar heeft tegen de bijzondere voorwaarden, zonder enige nadere motivering onvoldoende is om uit te kunnen gaan van een vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in relatie tot de op te leggen verplichte medewerking aan de controle van de digitale gegevensdragers van de verdachte. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voor wat betreft de in het middel bedoelde gedragsvoorwaarde is daarom niet zonder meer begrijpelijk. Hierover klaagt de steller van het middel terecht.
3.7
Met de steller van het middel meen ik echter ook dat de door het hof gestelde gedragsvoorwaarde hoe dan ook in strijd met art. 14c lid 2 aanhef en onder 14° Sr is. Dat komt doordat het hof niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze het onderzoek aan de gegevensdragers mag worden uitgevoerd. Op grond van de door het hof gestelde voorwaarde mag de toezichthouder de digitale gegevensdragers van de verdachte bij elk huisbezoek zonder enige beperkingen doorzoeken, terwijl in een digitale gegevensdrager tegenwoordig enorme hoeveelheden informatie over het privéleven van de gebruiker en anderen opgeslagen kunnen liggen.12.Als gevolg hiervan voldoet de gedragsvoorwaarde niet aan de onder 2.5 aan de orde gekomen eis dat een gedragsvoorschrift als bedoeld in art. 14c lid 2 aanhef en onder 14° Sr dat het (reclasserings)toezicht normeert “niet verder [mag] strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is”.13.Die voor de strafoplegging geldende beperking wordt niet anders als zou moeten worden aangenomen dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met het oog op de uiteindelijk door het hof op te leggen gedragsvoorwaarde. Het middel slaagt daarmee.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Zie HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302, HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 m.nt. N. Jörg, HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250 m.nt. J. ten Voorde en HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, NJ 2023/364 m.nt. P.A.M. Mevis. Alleen in deze laatste zaak, waarin het openbaar ministerie beroep in cassatie had ingesteld, werd niet gecasseerd.
HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250.
Niet van alle rechten kan afstand worden gedaan. Onder meer het recht op fysieke vrijheid en het recht niet te worden gediscrimineerd, zijn volgens het EHRM zo fundamenteel van aard dat een waiver zou ingaan tegen het algemeen belang. Zie EHRM 18 juni 1971, nrs. 2832/66, 2835/66 en 2899/77 (De Wilde, Ooms en Versyp/België). Zie ook HR 9 september 1998, NJ 1999/63. Zie EHRM 13 november 2007, nr. 57325/00 (D.H. en anderen/ Tsjechië), par. 204. Andere rechten die zich naar hun aard niet lenen voor afstand zijn de in art. 2 en art. 3 EVRM gewaarborgde rechten. Over de vraag of afstand kan worden gedaan van het recht op vrijheid van meningsuiting heeft het EHRM zich voor zover ik kan overzien vooralsnog niet uitgelaten. Zie ook D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates en C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2023, p. 670.
Zie HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825, NJ 2022/294 m.nt. N. Jörg en EHRM 8 maart 2022, nr. 53069/15 (Sabani/België).
Het EHRM gaat er bijvoorbeeld van uit dat geen sprake is van een inbreuk op art. 8 EVRM als er een rechtsgeldige waiver is. De vraag of sprake is van toestemming wordt namelijk beantwoord in het kader van de vraag of er een interference is met art. 8 EVRM. Zie bijv. EHRM 8 maart 2022, nr. 53069/15 (Sabani/België). Zie in gelijke zin HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825, NJ 2022/294 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.3. Vgl. verder de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 23 april 2013, ECLI:NLPHR:2013:BZ8163, onder 18-19 (HR: art. 81.1 RO). Zo ook M.J. Borgers in zijn noot bij HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5315 in NJ 2013/255, onder 6. Voor een andere opvatting zie H.K. ter Brake, ‘Toestemming en dwangmiddelen, een verenigbaar stel?’ in M.J. Borgers e.a. (red.), Politie in beeld. Liber amicorum Jan Naeyé, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p. 65-76.
Het EHRM heeft zijn rechtspraak over de rechtsgeldigheid van een waiver voornamelijk ontwikkeld in zaken waarin geklaagd werd over schending van art. 6 EVRM. Deze rechtspraak heeft het de laatste jaren ook toegepast in twee zaken waarin werd geoordeeld over een waiver van het in art. 8 EVRM neergelegde recht. Zie EHRM 18 mei 2017, nr. 40927/05 (Bože/Letland) en EHRM 8 maart 2022, nr. 53069/15 (Sabani/België). Zie over dit onderwerp ook J.H.B. Bemelmans & F.C.W. de Graaf, ‘“Mogen wij even binnen kijken?” Over toestemming als grondslag voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden’, DD 2023/8.
Zie EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00, par. 87 (Sejdovic/Italië) en EHRM 11 december 2008, nr. 4268/04, par. 68 (Panovits/Cyprus).
Zie over de verschillende eisen het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825, NJ 2022/294 m.nt. N. Jörg, waarin de Hoge Raad voor het eerst een algemeen kader gaf voor de beoordeling van de rechtmatigheid van opsporingshandelingen op grond van de toestemming van de betrokken persoon.
Zie bijv. EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, par. 73 (Hermi/Italië).
Vgl. EHRM 7 juli 2007, nr. 48666/99, par. 122 (Kučera/Slowakije).
Vgl. mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie van 9 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1079, onder 25. Zie ook J.W. van den Hurk en S. de Vries, ‘Controle van zedendelinquenten, toezicht of opsporing?’, NJB 2020/571, onder 6.
Zie ook F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde (diss. Nijmegen), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 85.
Beroepschrift 25‑04‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake: [verdachte]/O.M.
[verdachte], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 09 augustus 2022 (parketnummer: 20-003307-19).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, het navolgende:
Middel van cassatie
I
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 14c lid 2 (onder 14o) Sr en art. 359 lid 5 jo. art. 415 lid 1 Sv en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordat het Hof de oplegging van een bijzondere voorwaarde ontoereikend heeft gemotiveerd. Uit de voorwaarde blijkt immers niet op welke wijze de controles van requirant's gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van requirant daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht door de reclassering op de naleving van de bijzondere voorwaarde.
Toelichting:
1.
Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank, behoudens ten aanzien van de strafoplegging en -motivering, bevestigd. De Rechtbank heeft requirant veroordeeld ter zake van, kort gesteld, het bezitten en vervaardigen van kinderporno.
2.
De beslissing van het Hof luidt — voor zover hier van belang — (arrest, p. 6–7):
‘Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet po de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- —
(…);
- —
(…);
- —
verplicht is om zich te onthouden van: (a) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en (b) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze laatstgenoemde verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
- ○
de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
- ○
de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasseringswerkers;
- ○
de verdachte moet de reclassering toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.’
3.
De strafmotivering houdt — voor zover hier van belang — het volgende in (arrest, p. 4–5):
‘De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn medewerking wil verlenen aan alle aan hem te stellen bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Naar het oordeel van het hof doet een gevangenisstraf met een aanzienlijk korter onvoorwaardelijk deel in combinatie met een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit, geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
Voorts acht het hof reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het rapport van 7 oktober 2019 — kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en (het continueren van) een behandeling bij FPP De Horst — geïndiceerd. Daarnaast acht het hof het, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, van belang dat er controle wordt uitgeoefend op het internetgedrag en de gegevensdragers van de verdachte. Het hof leidt uit de jurisprudentie1. van de Hoge Raad af dat controle van gegevensdragers als bijzondere voorwaarde in de zin van artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 14o, van het Wetboek van Strafrecht onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien sprake is van een bijzondere voorwaarde die (a) een voldoende duidelijk gedragsvoorschrift bevat en (b) geen te veelomvattend en te ingrijpend dwangmiddel is. Het hof acht controle van de gegevensdragers van de verdachte nodig, gelet op de ernst van de feiten en ter ondersteuning van het behandeltraject. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij ten behoeve van het behandeltraject was afgekickt, toch weer cannabis is gaan gebruiken. Dit baart het hof zorgen, nu uit voornoemd psychodiagnostisch onderzoeksrapport van Leckebusch volgt dat frequent cannabisgebruik een instandhoudende factor in de problematiek van de verdachte is.
Teneinde binnen de vereiste kaders te blijven, neemt het hof de in eerste aanleg door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarden over in hoger beroep. De verdachte wordt verplicht om zich te onthouden van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over het plegen van seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Ten behoeve van de naleving van deze verplichting is de verdachte verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
- —
de verdachte moet maximaal viermaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering de toegang verschaffen tot zijn woning;
- —
de verdachte moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen een de reclasseringswerkers;
- —
de verdachte moet de reclassering de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Met betrekking tot het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan deze bijzondere voorwaarden. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte een dergelijke controle niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.’
4.
De door het Hof in de zaak van requirant geformuleerde bijzondere voorwaarde lijkt veel op de bijzondere voorwaarde die het Hof Arnhem-Leeuwarden had gesteld in de zaak die leidde tot het arrest van uw Raad d.d. 31 mei 2022, ECLl:NL:HR:2022:807. In die zaak had dat Hof een en ander als volgt geformuleerd:
‘Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- —
wordt verplicht om zich te onthouden van:
- a)
gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en
- b)
gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd.
Ten behoeve van de naleving van deze verplichtingen is veroordeelde verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:
- —
veroordeelde moet maximaal tweemaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot zijn woning;
- —
veroordeelde moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers;
- —
veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.’
5.
Uw Raad overwoog naar aanleiding hiervan:
‘2.5
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat — voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is — een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403).
Beoordeling van de cassatieklachten
2.6
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde
- ‘—
veroordeelde moet maximaal tweemaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot zijn woning;
- —
veroordeelde moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers;
- —
veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden’
voldoet niet aan de onder 2.5 genoemde eisen en is daarom in strijd met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 5o, (oud) Sr. Hoewel het hof voldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat deze bijzondere voorwaarde het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden onder a en b beoogt te regelen, blijkt uit de voorwaarde immers niet op welke wijze de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht.’
6.
Het meest in het oog springende verschil tussen de door het Hof in de zaak van requirant geformuleerde bijzondere voorwaarden en de door het Hof Arnhem-Leeuwarden gestelde bijzondere voorwaarde is de afwezigheid van de politie-component. In de zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden was immers in de bijzondere voorwaarde opgenomen dat de verdachte de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers toegang tot zijn woning diende te verschaffen, aan deze personen al zijn digitale gegevensdragers diende te overhandigen, alsmede aan deze personen toegang te verschaffen tot al zijn digitale gegevensdragers. In de bijzondere voorwaarde van het Hof in de zaak van requirant is enkel ‘de reclassering’ vermeld aan wie requirant toegang tot de woning en tot zijn digitale gegevensdragers moet verschaffen.
7.
Dit geringe verschil in de inhoud van de betreffende bijzondere voorwaarde zou evenwel niet tot een andere beoordeling door uw Raad moeten leiden. De bijzondere voorwaarde, zoals die door het Hof in de zaak van requirant is gesteld, houdt immers ook in dat de reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Er is niet gespecificeerd welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn (vgl. HR 09 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248). In de zaak van requirant is dus ook te onduidelijk op welke wijze de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht.
8.
De door het Hof in de zaak van requirant gestelde bijzondere voorwaarde is niet zo gedetailleerd en geconcretiseerd als de bijzondere voorwaarde die door het Gerechtshof Den Haag werd opgelegd in de zaak die leidde tot het arrest van uw Raad d.d. 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763. In die zaak had dat Hof nader bepaald op welke manier het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarde kon plaatsvinden:
‘Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Het toezicht op de onder 4 vermelde voorwaarde kan onder andere bestaan uit controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers; de verdachte werkt daaraan mee tijdens een huisbezoek; deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 3 keer worden uitgevoerd en mogen — voor zover het gedrag bedoeld onder het tweede en derde gedachtestreepje van de onder 4 gestelde voorwaarde betreft — slechts op zodanige wijze worden uitgevoerd dat niet door een persoon kennis wordt genomen van de inhoud van afbeeldingen (geautomatiseerde controle is derhalve wel toegestaan). Ten behoeve van deze controle mag een deskundige (niet zijnde een opsporingsambtenaar) de reclassering (technische) ondersteuning bieden.’
9.
Dergelijke verduidelijkingen van de wijze waarop het toezicht op de naleving van de aan requirant opgelegde bijzondere voorwaarde ontbreken grotendeels in de beslissing van het Hof in de zaak van requirant.
10.
Voor wat betreft het (door uw Raad in dit kader geëiste) waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van requirant niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht, heeft het Hof overwogen dat requirant ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard zijn medewerking te willen verlenen aan de bijzondere voorwaarde en dat het Hof daaruit afleidt dat requirant een dergelijke controle niet als een inbreuk op zijn privacy ervaart, althans die inbreuk zal accepteren (arrest, p. 5). Deze overweging is om twee redenen niet zonder meer begrijpelijk te achten.
11.
Allereerst blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 juli 2022 niet dat requirant iets dergelijks heeft verklaard. Op p. 6 van dit proces-verbaal is het requisitoir van de Advocaat-Generaal bij het Hof opgenomen, dat — voor zover hier van belang — het volgende inhoudt:
‘Ik heb de verdachte geen vragen gesteld over aan hem op te leggen bijzondere voorwaarden. Ik denk dat daartegen geen bezwaar bestaat en ik zie de verdachte nu ook nee knikken. Ik vraag dus om die bijzondere voorwaarden van de rechtbank weer aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden. (…) De verdachte bevestigt desgevraagd dat hij de eis van de advocaat-generaal heeft begrepen.’
Voor het overige houdt het proces-verbaal geen verklaring in van requirant dat hij zijn medewerking wil verlenen aan de bijzondere voorwaarde, zoals die door het Hof is geformuleerd.
12.
Het met het hoofd nee schudden kan bezwaarlijk worden opgevat als een verklaring dat requirant instemt met een bijzondere voorwaarde dan wel dat hij de bijzondere voorwaarde niet als een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer ervaart, althans die inbreuk zal accepteren. Daarvoor is het met het hoofd nee schudden een veel te onbestemd gebaar.
13.
In de tweede plaats ziet deze overweging van het Hof eraan voorbij dat — ook al zou requirant de controle door of namens de reclassering niet als een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer ervaren, althans de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer accepteren — deze omstandigheid niet de oplegging van een bijzondere voorwaarde kan rechtvaardigen die in strijd met art. 14a lid 2 onder 14o Sr is te achten. Het opleggen van een ‘buitenwettelijke’ bijzondere voorwaarde zal niet zijn toegestaan, ook al zou een verdachte deze accepteren of daartegen geen bezwaar kenbaar maken.
14.
Het bestreden arrest kan ten aanzien van de strafoplegging niet in stand blijven.
Maastricht, 25 april 2023
E. Maessen
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑04‑2023
Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 2016, ECLl:NL:HR:2016:302.