Procestaal: Grieks.
HvJ EU, 06-12-2017, nr. C-565/16
ECLI:EU:C:2018:265
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-12-2017
- Magistraten
C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, E. Regan
- Zaaknummer
C-565/16
- Conclusie
E. Tanchev
- Roepnaam
Saponaro en Xylina
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:265, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑04‑2018
ECLI:EU:C:2017:942, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 06‑12‑2017
Uitspraak 19‑04‑2018
C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-565/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Eirinodikeio Lerou (vrederechter Leros, Griekenland) bij beslissing van 25 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 9 november 2016, in de procedure ingeleid door
Alessandro Saponaro,
Kalliopi-Chloi Xylina,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. G. Fernlund (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door T. Papadopoulou, G. Papadaki en E. Tsaousi als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en A. Katsimerou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 december 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Alessandro Saponaro en Kalliopi-Chloi Xylina namens hun minderjarig kind ingediend verzoekschrift om rechterlijke machtiging te verkrijgen om een voor dit kind bestemde nalatenschap te verwerpen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 12 van verordening nr. 2201/2003 luidt als volgt:
‘De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.’
4
Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
[…]
- b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
- 2.
De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:
[…]
- e)
de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.
- 3.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- f)
trusts en erfopvolging;
[…]’
5
Artikel 8 van die verordening, met als opschrift ‘Algemene bevoegdheid’, bepaalt:
- ‘1.
Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
- 2.
Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.’
6
Artikel 12 van diezelfde verordening, met als opschrift ‘Prorogatie van rechtsmacht’, bepaalt in de leden 1 tot en met 3 ervan:
- ‘1.
De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:
[…]
- b)
de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
- 2.
De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:
- a)
de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij
- b)
ingeval op het onder a) bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij
- c)
de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.
- 3.
De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:
- a)
het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;
en
- b)
hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.’
Grieks recht
7
Artikel 797 van de Kodikas Politikis Dikonomias (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt dat wanneer namens een minderjarig kind om machtiging wordt verzocht door de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, de vrederechter van de plaats van de gewone verblijfplaats van de minderjarige bevoegd is en uitspraak doet volgens de regels van niet-contentieuze procedures.
8
Volgens artikel 748, lid 2, juncto artikel 750 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering moet een kopie van het verzoekschrift met een mededeling van de datum van de terechtzitting worden toegezonden aan het eisangeleas protodikon (openbaar ministerie van het gerecht van eerste aanleg; hierna: ‘openbaar ministerie’), dat het recht heeft om deel te nemen aan de terechtzitting voor de vrederechter.
9
Het openbaar ministerie heeft de hoedanigheid van ‘partij’ bij de niet-contentieuze procedures en heeft het recht om procedurehandelingen te verrichten, zoals hoger beroep instellen, ongeacht of het openbaar ministerie wordt opgeroepen voor of aanwezig is tijdens de terechtzitting.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Saponaro en Xylina, die optreden namens hun minderjarig kind dat de Griekse nationaliteit heeft, verzoeken de Eirinodikeio Lerou (vrederechter Leros, Griekenland) om machtiging om de nalatenschap van de grootvader van dat kind van moederszijde (hierna: ‘erflater’) te verwerpen.
11
De erflater is op 10 mei 2015 zonder testament overleden. Hij verbleef op het tijdstip van zijn overlijden in Griekenland. Zijn nalatenschap bestond uit een auto en een boot die zich in die lidstaat bevonden en in totaal 900 EUR waard waren. Voorts was de erflater strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot fraude en liepen zijn erfgenamen het risico dat het slachtoffer daarvan een civielrechtelijke schadevordering tegen hen zou instellen.
12
Om die reden hebben de echtgenote en de dochters van de erflater — respectievelijk de grootmoeder, de moeder en de tante van het minderjarige kind — de nalatenschap reeds verworpen en hebben de vader en de moeder van dat kind, dat tot de nalatenschap is geroepen, namens dit laatste om machtiging verzocht om die nalatenschap te verwerpen.
13
Saponaro en Xylina alsook hun minderjarig kind hebben hun gewone verblijfplaats in Rome (Italië).
14
De Eirinodikeio Lerou vraagt zich of de Griekse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van het verzoek van de ouders en inzonderheid of een prorogatie van rechtsmacht op grond van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 mogelijk is.
15
In die omstandigheden heeft de Eirinodikeio Lerou de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Ingeval een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij een Grieks gerecht is ingediend door de ouders van een minderjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft, zijn de voorwaarden voor een geldige prorogatie van rechtsmacht in de zin artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 dan vervuld, en is er meer bepaald sprake van:
- a)
ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie door de ouders, als gevolg van het loutere feit dat zij het verzoek bij het Griekse gerecht hebben ingediend,
- b)
aanvaarding van de prorogatie op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien [het openbaar ministerie] als één van de partijen wordt beschouwd, gelet op het feit dat het openbaar ministerie naar Grieks recht partij is bij de betrokken procedure,
- c)
rechtvaardiging van de prorogatie van rechtsmacht door het belang van het kind, gelet op het feit dat het kind en de verzoekende partijen — de ouders van het kind — hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, terwijl de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden in Griekenland was, waar zich ook de nalatenschap bevindt?’
Opmerkingen vooraf
16
Allereerst moet worden onderzocht of verordening nr. 2201/2003 van toepassing is ter bepaling van het bevoegde gerecht in een situatie zoals die in het hoofdgeding. Deze situatie betreft immers een erfopvolging. Zoals in artikel 1, lid 3, onder f), van verordening nr. 2201/2003 wordt gepreciseerd, is deze verordening echter niet van toepassing op erfopvolgingen.
17
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld, in het arrest van 6 oktober 2015, Matoušková (C-404/14, EU:C:2015:653, punt 31), dat het feit dat om een maatregel zoals de goedkeuring door de rechter voor bewind- en voogdijzaken van een namens minderjarige kinderen gesloten overeenkomst tot verdeling van de nalatenschap wordt verzocht in het kader van een erfrechtprocedure, niet als bepalend kan worden beschouwd om deze maatregel onder het erfrecht te doen vallen. Het vereiste van goedkeuring door de rechter voor bewind- en voogdijzaken is een rechtstreeks gevolg van de toestand en de bekwaamheid van de minderjarige kinderen en vormt een maatregel ter bescherming van het kind betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over zijn vermogen in het kader van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder e), van verordening nr. 2201/2003.
18
Evenzo moet worden geoordeeld dat een door ouders namens hun minderjarig kind ingediend verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen betrekking heeft op de toestand en de bekwaamheid van de persoon en dit verzoek niet onder het erfrecht valt.
19
Daaruit volgt dat een dergelijk verzoek niet onder het erfrecht valt maar verband houdt met de ouderlijke verantwoordelijkheid en dat de voorgelegde vraag dus moet worden onderzocht aan de hand van verordening nr. 2201/2003.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit kind hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de prorogatie van rechtsmacht ten gunste van een gerecht van die andere lidstaat voldoet aan de voorwaarden van die bepaling en, in het bijzonder, het belang van het kind dient, wanneer de ouders van dat kind het verzoek gezamenlijk bij het betrokken gerecht hebben ingediend, wanneer het openbaar ministerie, dat volgens het toepasselijke nationale recht van rechtswege partij is bij de betrokken procedure, geen bezwaar heeft gemaakt tegen die prorogatie van rechtsmacht en wanneer de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden alsook diens nalatenschap in die andere lidstaat is gelegen.
21
Die vraag heeft derhalve betrekking op de begrippen en de bewoordingen die worden gebruikt in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003, te weten, ten eerste, het begrip ‘uitdrukkelijke aanvaarding of aanvaarding op enige andere ondubbelzinnige wijze van de prorogatie van rechtsmacht’, ten tweede, de termen ‘alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt’ en, ten derde, het begrip ‘belang van het kind’.
Over het begrip ‘uitdrukkelijke aanvaarding of aanvaarding op enige andere ondubbelzinnige wijze’
22
Volgens artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 moet de bevoegdheid van een gerecht uit hoofde van deze bepaling uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze zijn aanvaard.
23
Zoals het Hof in het arrest van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:C:2014:2364, punt 56), heeft geoordeeld moet volgens de voormelde bepaling zijn aangetoond dat er tussen alle partijen bij de procedure een uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord over de prorogatie van rechtsmacht bestaat.
24
Van een dergelijk akkoord is geen sprake wanneer een enkele partij zich tot een rechter wendt en een andere partij op een later tijdstip voor diezelfde rechter intervenieert om evenwel diens bevoegdheid te betwisten (zie in die zin arrest van 12 november 2014, L, C-656/13, EU:C:2014:2364, punt 57).
25
Daarentegen moet worden geconstateerd dat wanneer de twee ouders van een minderjarig kind bij eenzelfde gerecht een gezamenlijk verzoek indienen, zij blijk geven van de gemeenschappelijke wil om zich tot dat gerecht te wenden en, zodoende, van hun akkoord met de keuze voor het bevoegde gerecht. Bij gebreke van andere gegevens die deze vaststelling weerspreken, moet die aanvaarding als ‘ondubbelzinnig’ worden beschouwd in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003.
Over de termen ‘alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt’
26
Wat de bewoordingen ‘alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt’ betreft, moet worden onderzocht of het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de procedure, ook een ‘partij’ is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. De verwijzende rechter preciseert dat het openbaar ministerie als vertegenwoordiger van de staat en in het algemeen belang optreedt, en dat bij een verzoek om machtiging om namens een minderjarig kind een nalatenschap te verwerpen het algemeen belang overeenstemt met dat van het kind.
27
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de in artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 vastgestelde bevoegdheidsgrond, gelet op overweging 12 van deze verordening, een uitzondering vormt op het in artikel 8, lid 1, van die verordening neergelegde criterium van de nauwe verbondenheid op grond waarvan het in de eerste plaats aan de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind staat om kennis te nemen van procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over dit kind. Deze uitzondering heeft tot doel op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid een bepaalde autonomie aan partijen toe te kennen, doordat daarmee wordt benadrukt dat de voorwaarde volgens welke de bevoegdheid van de gerechten die door de partijen gezamenlijk zijn aangezocht, eenduidig moet worden aanvaard, strikt dient te worden uitgelegd (arrest van 21 oktober 2015, Gogova, C-215/15, EU:C:2015:710, punt 41).
28
Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet worden onderstreept dat in de uitdrukking ‘alle partijen bij de procedure’ de term ‘alle’ is gebruikt, en moet die term worden bezien tegenover de meer specifieke termen ‘echtgenoten’ of ‘personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen’ die in artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zijn gebruikt. De Uniewetgever heeft aldus een term willen gebruiken die op alle partijen bij de procedure in de zin van het nationale recht ziet.
29
Geoordeeld moet dan ook worden dat het openbaar ministerie dat volgens het nationale recht de hoedanigheid van partij bij de procedure heeft bij vorderingen zoals die in het hoofdgeding en dat het belang van het kind vertegenwoordigt, een partij bij de procedure in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 is. Bijgevolg kan niet worden voorbijgegaan aan het verzet van deze partij tegen een prorogatie van rechtsmacht.
30
Wat het tijdstip betreft waarop de partijen in de procedure hun aanvaarding kenbaar moeten maken, te weten het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, blijkt uit artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 dat dit tijdstip in beginsel overeenstemt met het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend (arresten van 1 oktober 2014, E., C-436/13, EU:C:2014:2246, punt 38, en 12 november 2014, L, C-656/13, EU:C:2014:2364, punt 55).
31
Na het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt kunnen zich echter bepaalde feiten voordoen waaruit blijkt dat de aanvaarding als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 op dat tijdstip ontbrak. Zo heeft het Hof in het arrest van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:C:2014:2364, punten 56 en 57) geoordeeld dat kennelijk niet is aangetoond dat er een uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord in de zin van die bepaling bestaat wanneer de zaak op initiatief van slechts één partij in de procedure bij de betrokken rechter aanhangig is gemaakt en wanneer, op een later tijdstip, een andere partij in die procedure al bij de eerste door haar te stellen handeling in die procedure de bevoegdheid betwist van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt.
32
Mutatis mutandis kan er, in een situatie waarin het openbaar ministerie volgens het toepasselijke nationale recht van rechtswege als partij bij een procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beschouwd, geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien het openbaar ministerie zich na die datum als partij verzet tegen de keuze die door de ouders van het betrokken kind is gemaakt inzake het volgens hen bevoegde gerecht. Indien het openbaar ministerie evenwel geen verzet aantekent, kan het akkoord van die partij geacht worden impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld.
Over het begrip ‘belang van het kind’
33
Uit artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 blijkt dat hoe dan ook nooit in strijd met het belang van het kind gebruik van prorogatie van rechtsmacht mag worden gemaakt en dat de eerbiediging van deze voorwaarde in elk individueel geval moet worden nagegaan (zie in die zin arrest van 12 november 2014, L, C-656/13, EU:C:2014:2364, punten 49 en 58).
34
In het arrest van 27 oktober 2016, D. (C-428/15, EU:C:2016:819, punt 58), betreffende de uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, waarin de verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen aan de orde was, heeft het Hof geoordeeld dat het vereiste dat de verwijzing in het belang van het kind is, impliceert dat het bevoegde gerecht zich er in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak van vergewist dat de voorgenomen verwijzing ervan naar een gerecht van een andere lidstaat geen negatieve gevolgen kan hebben voor de situatie van het kind.
35
In dit verband moet worden beklemtoond dat overweging 12 van verordening nr. 2201/2003, die preciseert dat de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, uitdrukkelijk de mogelijkheid vermeldt dat de gerechten van een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd zijn indien daarover een overeenkomst is gesloten tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.
36
In casu is tussen de ouders van het kind een dergelijke overeenkomst gesloten. De verwijzende rechter geeft voort ook aan dat, bovenop het feit dat het kind de nationaliteit van de lidstaat van het gekozen gerecht heeft, de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden alsook diens nalatenschap in die lidstaat waren gelegen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat hetzelfde gold voor de passiva van de nalatenschap.
37
Deze elementen versterken de band tussen het kind en de lidstaat van het gekozen gerecht en zorgen ervoor dat dit gerecht, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, goed in staat is om de context van de verwerping van de nalatenschap namens het kind te beoordelen.
38
Bovendien heeft de verwijzende rechter geen enkele inlichting verstrekt waaruit zou volgen dat het aanhangig maken van de zaak door de ouders bij het gekozen gerecht het belang van het kind op enigerlei wijze zou schaden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt in het bijzonder dat het openbaar ministerie, dat het belang van het kind dient te beschermen, zelf geen bezwaar tegen die keuze heeft gemaakt.
39
In een dergelijke context mag op basis van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, waaruit duidelijk blijkt dat er een band bestaat tussen het kind en de lidstaat van het betrokken gerecht, worden aangenomen dat de voorwaarde inzake het in aanmerking nemen van het belang van het kind vervuld is.
40
Gelet op een en ander dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat:
- —
uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;
- —
het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan het akkoord van die partij worden geacht impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en
- —
uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke van gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.
Kosten
41
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, moet artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, aldus worden uitgelegd dat:
- —
uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;
- —
het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan het akkoord van die partij worden geacht impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en
- —
uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke aan gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑04‑2018
Conclusie 06‑12‑2017
E. Tanchev
Partij(en)
Zaak C-565/161.
Alessandro Saponaro
Kalliopi-Chloi Xylina
[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Eirinodikeio Lerou Leros (vrederechter Leros, Griekenland)]
1.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing van de Eirinodikeío Lerou (vrederechter Leros, Griekenland; hierna: ‘verwijzende rechter’) betreft de internationale bevoegdheid op het gebied van familierecht.
2.
In de onderhavige zaak is een kind erfgenaam van de nalatenschap van haar overleden grootvader, waarop een zware schuldenlast rust. Haar ouders zijn de verzoekende partijen in het hoofdgeding en verzoeken om machtiging om de nalatenschap namens hun dochter te verwerpen. Hiertoe hebben zij de zaak aanhangig gemaakt bij een gerecht in Griekenland, waar de grootvader van het kind heeft gewoond en diens goederen zich bevinden. Het Griekse gerecht vraagt zich af of het internationaal bevoegd is, gelet op het feit dat de ouders en hun dochter hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, en verzoekt om uitlegging van artikel 12, lid 3, van verordening (EG) nr. 2201/20032. (hierna: ‘Brussel II bis-verordening’) dat de prorogatie van internationale rechtsmacht regelt.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Artikel 12, ‘Prorogatie van rechtsmacht’, lid 3, van de Brussel II bis-verordening bepaalt:
‘De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:
- (a)
het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is; en;
- (b)
hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.’
B. Nationaal recht
4. Volgens de verwijzingsbeslissing bepaalt artikel 748, lid 2, juncto artikel 750 van het Griekse wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: ‘WBR’) dat, in sommige niet-contentieuze procedures, een kopie van het verzoekschrift met een mededeling van de datum van de terechtzitting moet worden toegezonden aan het openbaar ministerie van het gerecht van eerste aanleg (hierna: ‘openbaar ministerie’) dat het recht heeft om te verschijnen voor het plaatselijke gerecht en deel te nemen aan de terechtzitting. Volgens de vaste uitlegging van deze bepalingen is het openbaar ministerie volgens de wet partij bij de niet-contentieuze procedures en heeft het het recht om procedurehandelingen te verrichten, zoals hoger beroep instellen, ongeacht of het openbaar ministerie wordt opgeroepen voor of aanwezig is tijdens de terechtzitting. Het openbaar ministerie treedt op als vertegenwoordiger van het algemeen belang van de Staat. Bij het verwerpen van een nalatenschap namens een minderjarig kind stemt het algemeen belang overeen met het belang van het kind, op grond van het in artikel 21, lid 1, van de Griekse grondwet geformuleerde beginsel van bescherming van het belang van het kind.3.
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
5.
De verzoekende partijen, Alessandro Saponaro en Kalliopi-Chloi Xylina, dragen de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hun minderjarig kind Clio Margot Saponaro. Alle drie hebben hun gewone verblijfplaats in Rome, Italië. Het kind is staatsburger van Griekenland.4.
6.
Michaïl Xylina, de grootvader van het kind van moederszijde, woonde in Griekenland, waar hij op 10 mei 2015 zonder testament is overleden. Aangezien zijn vrouw en zijn kinderen de nalatenschap hebben verworpen, valt zijn nalatenschap toe aan zijn kleinkind Clio Margot.
7.
De nalatenschap van Michaïl Xylina omvat in wezen twee goederen, een auto en een boot, die zich in Griekenland bevinden en in totaal 900 EUR waard zijn. Nadat Michaïl Xylina door een strafgerecht was veroordeeld wegens ernstige poging tot fraude, verklaarde het slachtoffer van het misdrijf in april 2015 dat hij een civielrechtelijke schadevordering zou instellen. Aangezien Michaïl Xylina zonder testament is overleden, gaat de aansprakelijkheid voor de schadevergoeding over op zijn erfgenamen.
8.
Daarom hebben de verzoekende partijen een procedure ingeleid om machtiging te krijgen om de nalatenschap namens hun dochter te verwerpen en hebben zij de zaak aanhangig gemaakt bij de verwijzende rechter.
9.
Deze rechter vraagt zich af of hij internationaal bevoegd is.
10.
De verwijzende rechter formuleert hierbij de volgende overwegingen: verordening (EU) nr. 650/20125. is ratione temporisniet van toepassing op het hoofdgeding. De Brussel II bis-verordening is wel van toepassing. Volgens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening zijn in beginsel de gerechten van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (in casu Italië en niet Griekenland), bevoegd. De Griekse rechter zou dus alleen bevoegd kunnen zijn op basis van artikel 12, lid 3, dat de prorogatie van bevoegdheid toestaat, met andere woorden dat toestaat dat een gerecht van een andere lidstaat dan die waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, zich bevoegd verklaart.
11.
De verwijzende rechter verzoekt het Hof om uitlegging van artikel 12, lid 3, en meer bepaald van het tweede deel van deze bepaling, te weten artikel 12, lid 3, onder b).
12.
In deze context heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Ingeval een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij een Grieks gerecht is ingediend door de ouders van een minderjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft, zijn de voorwaarden voor een geldige prorogatie van rechtsmacht in de zin artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 dan vervuld, en is er meer bepaald sprake van:
- (a)
ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie door de ouders, als gevolg van het loutere feit dat zij het verzoek bij het Griekse gerecht hebben ingediend,
- (b)
aanvaarding van de prorogatie op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien het openbaar ministerie voor het gerecht van eerste aanleg als één van de partijen wordt beschouwd, gelet op het feit dat het openbaar ministerie naar Grieks recht partij is bij de betrokken procedure,
- (c)
rechtvaardiging van de prorogatie van rechtsmacht door het belang van het kind, gelet op het feit dat het kind en de verzoekende partijen — de ouders van het kind — hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, terwijl de verblijfplaats van de erflater bij diens overlijden in Griekenland was, waar zich ook de nalatenschap bevindt.’
13.
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Helleense Republiek en de Europese Commissie. Op een verzoek van het Hof om verduidelijking heeft de verwijzende rechter aanvullende informatie verstrekt over de rol van het openbaar ministerie in de procedure in het hoofdgeding. Er is niet om een mondelinge behandeling verzocht en deze heeft ook niet plaatsgevonden.
III. Bespreking
14.
Ik ben tot de slotsom gekomen dat de verwijzende nationale rechter internationaal bevoegd is op grond van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening. In het bijzonder zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 12, lid 3, onder b), vervuld aangezien alle partijen bij de procedure de bevoegdheid van het Griekse gerecht hebben aanvaard en Griekenland een lidstaat is waarmee het kind een nauwe band heeft.
A. Voorafgaande opmerkingen
15.
De Brussel II bis-verordening regelt de internationale bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en is van toepassing op de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid6., daaronder begrepen de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.7. Door de nalatenschap met een zware schuldenlast te verwerpen, oefenen de verzoekende partijen hun gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid over Clio Margot uit, aangezien zij hun kind beschermen tegen het verwerven van goederen waaraan schulden uit aansprakelijkheid verbonden kunnen zijn.
16.
Ik geef toe dat erfopvolging buiten het toepassingsgebied van de Brussel II bis-verordening valt.8. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een louter verzoek om een nalatenschap te verwerpen echter geen zaak van erfopvolging in de zin van artikel 1, lid 3, onder f), van de Brussel II bis-verordening.
17.
In het arrest Matoušková oordeelde het Hof dat het feit dat in het kader van een erfrechtprocedure om goedkeuring van een overeenkomst was verzocht, niet als bepalend kon worden beschouwd om deze maatregel onder het erfrecht te doen vallen. Het Hof zag het vereiste van goedkeuring door de rechter voor bewind- en voogdijzaken als een rechtstreeks gevolg van de status en de bekwaamheid van de minderjarige kinderen. Het verzoek tot goedkeuring vormde volgens het Hof een maatregel ter bescherming van het kind betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over diens vermogen in het kader van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, leden 1, onder b), en 2, onder e), van de Brussel II bis-verordening.9.
18.
De bevoegdheid van de verwijzende rechter moet dus uitsluitend op basis van de Brussel II bis-verordening worden bepaald.
19.
Zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, is de erfrechtverordening ratione temporis nietvan toepassing. Michaïl Xylina overleed op 10 mei 2015, terwijl artikel 83, lid 1, van de verordening inzake erfopvolging de werkingssfeer ervan beperkt tot personen die zijn overleden op of na 17 augustus 2015. Ik wil hier evenwel aan toevoegen dat de verordening inzake erfopvolging ratione materiae evenmin van toepassing is op toekomstige zaken als de onderhavige, aangezien artikel 1, lid 2, onder b), van die verordening de bekwaamheid van natuurlijke personen van de werkingssfeer van de verordening uitsluit. Zoals het Hof in het arrest Matouškováheeft verklaard, betreft een verzoek tot machtiging om namens een minderjarige op te treden de handelingsbekwaamheid van deze laatste.10.
20.
Nu ik aldus aannemelijk heb gemaakt dat de bevoegdheid in deze zaak door de Brussel II bis-verordening wordt geregeld, wil ik een kort overzicht geven van de verschillende bevoegdheidsgronden inzake ouderlijke verantwoordelijkheid waarin deze verordening voorziet.
21.
Volgens artikel 8, lid 1, van de Brussel II bis-verordening zijn in beginsel de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, in casu Italië, bevoegd. Naast enkele uitzonderingen voor welbepaalde situaties11. en een forum-non-conveniens-clausule12. voorziet de Brussel II bis-verordening ook in een meer algemene uitzondering13. op artikel 8, lid 1, met name artikel 12, lid 3. Volgens artikel 12, lid 3, is prorogatie van rechtsmacht van de gerechten van een lidstaat toegestaan wanneer het kind een nauwe band met die lidstaat heeft.
22.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van deze bijzondere bevoegdheidsgrond. Voor deze bevoegdheidsgrond zijn er twee voorafgaande voorwaarden: een nauwe band en de prorogatie. De vraag van de verwijzende rechter betreft echter slechts de tweede voorwaarde, te weten de prorogatie. Alvorens hier verder op in te gaan, zal ik niettemin kort de eerste voorwaarde bespreken, te weten de nauwe band. De reden voor deze uitweiding is dat de twee voorafgaande voorwaarden van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening met elkaar vervlochten zijn en de tweede voorwaarde niet kan worden uitgelegd zonder uitlegging van de eerste voorwaarde.
23.
Na (in deel B) de nauwe band te hebben behandeld die het kind volgens artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening met de lidstaat van het forum moet hebben, zal ik artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening onderzoeken en meer bepaald nagaan of is voldaan aan de drie voorwaarden voor prorogatie die de verwijzende rechter heeft vermeld, namelijk of de bevoegdheid van het aangezochte gerecht op ondubbelzinnige wijze is aanvaard door de ouders van Clio Margot (deel C) en door het openbaar ministerie (deel D) en of de prorogatie in het belang van het kind is (deel E).
24.
De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of deze drie voorwaarden vervuld zijn, en naar mijn mening is dit het geval.
B. Het kind heeft de nationaliteit van de lidstaat van het forum
25.
Artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening bevat de eerste voorwaarde voor prorogatie van de rechtsmacht van een gerecht van een lidstaat, namelijk dat het kind ‘een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat […] het kind onderdaan van die lidstaat is’.
26.
Aangezien Clio Margot de Griekse nationaliteit heeft, is duidelijk voldaan aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening dat het kind een nauwe band heeft met de lidstaat van het forum.
27.
De verwijzende rechter heeft in zijn verwijzingsbeslissing niet vermeld of Clio Margot alleen de Griekse nationaliteit heeft dan wel een dubbele nationaliteit heeft, namelijk via haar vader ook de Italiaanse nationaliteit bezit. Aangezien het best mogelijk is dat zij een dubbele nationaliteit heeft14., wil ik enkele opmerkingen maken over de gevolgen die dat zou hebben. In dat geval zou de vraag rijzen of elk van haar nationaliteiten als een aanknopingsfactor kan worden beschouwd, dan wel of moet worden gekozen welke nationaliteit voorrang heeft.
28.
De relevante nationaliteit van Clio Margot zou dan ongetwijfeld de Italiaanse nationaliteit zijn, aangezien zij haar gewone verblijfplaats in Italië heeft, wat een hechtere band met een plaats creëert dan de Griekse nationaliteit. Niettemin wordt nationaliteit in artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud vermeld als een voldoende aanknopingsfactor om een ‘nauwe band’ vast te stellen. Deze factor volstaat dus op zichzelf en er zijn geen extra banden met de lidstaat van het forum vereist. Aangezien de wetgever bij het begrip ‘nauwe band’ een voorbeeld van een vastgestelde factor zoals de nationaliteit heeft gegeven, kan een gerecht niet onderzoeken of die band in een concreet geval voldoende sterk is.15.
29.
In het arrest Hadadi oordeelde het Hof dat voor toepassing van de Brussel II bis-verordening alle nationaliteiten van de lidstaten gelijk moeten worden behandeld en dat de nationale rechter bijgevolg niet kan voorbijgaan aan de nationaliteit van de lidstaat van het forum.16.
C. Aanvaarding van de bevoegdheid door de ouders voortvloeiend uit het feit dat zij een verzoek hebben ingediend
30.
De verwijzende rechter wenst met het eerste deel van zijn vraag te vernemen of het loutere feit van een zaak aanhangig te maken bij een gerecht van een lidstaat wijst op een ondubbelzinnige aanvaarding van de bevoegdheid van de gerechten van die lidstaat in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening.
31.
De Griekse regering en de Commissie hebben deze vraag bevestigend beantwoord. Ik ben het daar om de volgende redenen mee eens.
32.
De verzoekende partijen in het hoofdgeding hebben bij de verwijzende rechter een procedure ingeleid omdat zij wensten dat deze rechter de zaak ook effectief zou behandelen. Het loutere indienen van een verzoek geeft dus aan het gerecht en aan de andere partijen in de procedure de boodschap dat de verzoekende partijen wensen dat het aangezochte gerecht de zaak beslecht. Een gerecht kan echter geen zaak beslechten zonder daartoe bevoegd te zijn.
33.
Hoewel de loutere wens om van een bepaald gerecht van een lidstaat een beslissing te krijgen in een bepaalde zaak dan ook geenszins een uitdrukkelijke aanvaarding van de bevoegdheid van die lidstaat vormt, impliceert het een dergelijke aanvaarding wel op ondubbelzinnige wijze.
34.
Het opschrift van artikel 12 van de Brussel II bis-verordening — de bepaling die in deze zaak moet worden uitgelegd — zou evenwel twijfel kunnen doen rijzen doordat daarin niet de term ‘aanvaarding’ maar ‘prorogatie’ wordt gebruikt.
35.
Prorogatie betekent doorgaans dat bevoegdheid met instemming van de partijen wordt toegekend aan een gerecht.17. De wilsovereenstemming van de betrokken partijen is dus een kernelement van prorogatie van rechtsmacht.18. Een dergelijke opvatting kan de indruk wekken dat werkelijk een keuze moet worden gemaakt, met andere woorden, dat er meer dan één optie is waaruit de partijen kunnen kiezen, en bovendien dat degenen die kiezen, de opties kennen.
36.
Zoals hierboven vermeld, zijn de Italiaanse gerechten in onderhavige zaak bevoegd op grond van artikel 8, lid 1, van de Brussel II bis-verordening. De ouders van Clio Margot hadden dus daadwerkelijk een keuze. De vraag is echter of zij zich hiervan bewust waren, maar het dossier bevat hierover geen informatie. Indien prorogatie van rechtsmacht in de zin van artikel 12 van de Brussel II bis-verordening een werkelijke keuze zou vooronderstellen, is het de vraag of het vereiste subjectieve element in casu aanwezig was.
37.
In plaats van de term ‘prorogatie’ uit het opschrift van artikel 12 van de Brussel II bis-verordening te herhalen in de leden van het artikel, gebruikt de wetgever daar de term ‘aanvaarding’. Aanvaarding heeft echter een passiever karakter. Het vereist geen intentie om de bevoegdheid te beïnvloeden en een nieuwe bevoegdheid te creëren, dat wil zeggen om bevoegdheid toe te kennen aan de gerechten van een lidstaat die normalerwijze niet bevoegd zouden zijn.
38.
De drempel is laag indien aanvaarding volstaat en geen prorogatie in de enge zin — namelijk de intentie om de bevoegdheid toe te wijzen — is vereist. De reden daarvoor is dat niet alleen aanvaarding vereist is om die bevoegdheid te creëren, maar eveneens een nauwe band van het kind met de lidstaat van het forum, hetgeen een objectief element is dat een objectieve band tussen de procedure en die staat garandeert: alleen de gerechten van lidstaten waarmee het kind een nauwe band heeft, zoals bepaald in artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening, komen in aanmerking voor aanvaarding in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening. Het kan dus maar over een beperkt aantal lidstaten gaan, namelijk die waarmee een hechte band bestaat.
39.
Gelet op een en ander stel ik voor dat, wanneer een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, een verzoek indient bij een gerecht van een dergelijke lidstaat, het loutere feit van een verzoek in te dienen, ondubbelzinnig aantoont dat die partij de bevoegdheid van de gerechten van dat land aanvaardt in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening.
40.
De aanvaarding dient echter in de betrokken procedure te gebeuren. Zoals het Hof in het arrest L heeft geoordeeld, volstaat het niet dat een van de partijen bij de procedure een procedure bij een gerecht aanhangig maakt en de andere partij een andere procedure bij datzelfde gerecht instelt, maar in de eerste procedure aanvoert dat het gerecht onbevoegd is.19. Het Hof verklaarde dat een prorogatie in de zin van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening alleen geldt voor één specifieke procedure20., hetgeen betekent dat voor elke procedure afzonderlijk moet worden nagegaan of aan de voorwaarden voor prorogatie is voldaan.
41.
Aangezien beide ouders van Clio Margot het verzoek gezamenlijk in één enkele procedure bij de verwijzende rechter hebben ingediend, dient dit als een ondubbelzinnige aanvaarding van de bevoegdheid te worden beschouwd.
D. Aanvaarding van de bevoegdheid door het openbaar ministerie voortvloeiend uit diens gedogen
42.
Het tweede deel van de vraag van de verwijzende rechter betreft het openbaar ministerie. Indien het openbaar ministerie als één van de partijen bij de procedure in de zin van artikel 12, lid 3, onder b) van de Brussel II bis-verordening wordt beschouwd, moet het voor geldigheid van de prorogatie de bevoegdheid van het Griekse gerecht aanvaarden ‘op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt’.
43.
Deze vraag bestaat uit drie onderdelen.
1. Partij
44.
Is het openbaar ministerie een ‘partij bij de procedure’ in de zin van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening? De Commissie is van mening dat dit niet het geval is, omdat het openbaar ministerie geen eigen belang heeft bij de zaak en optreedt in het algemeen belang.
45.
Zoals de Griekse regering terecht opmerkt, dient het antwoord op de vraag wie partij is bij de procedure, te worden beantwoord volgens het nationale recht van de lidstaat van het forum. De Brussel II bis-verordening harmoniseert de internationale bevoegdheidsregels inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Het regelt geen de preliminaire kwesties op dat gebied en heeft in het algemeen geen gevolgen voor de procedureregels van de lidstaat.
46.
Dit blijkt duidelijk wanneer artikel 12, lid 3, en artikel 12, lid 1, van de Brussel II bis-verordening naast elkaar worden geplaatst. Artikel 12, lid 1, van de Brussel II bis-verordening, dat prorogatie van de rechtsmacht van de gerechten toestaat in de lidstaat waar een echtscheidingsprocedure hangende is, bevat een gedetailleerde opsomming van degenen die de bevoegdheid moeten aanvaarden voor de geldigheid van de prorogatie, namelijk ‘de echtgenoten en de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen’. Artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening daarentegen spreekt van ‘alle partijen bij de procedure’ en verwijst hierbij naar de welbepaalde procedure. De procedure zelf wordt echter georganiseerd door het nationale recht van het aangezochte gerecht.
47.
Volgens de verwijzende rechter wordt het openbaar ministerie naar Grieks recht als een partij bij de betrokken procedure beschouwd.
2. Aanvaarding
48.
Het openbaar ministerie is passief gebleven in het hoofdgeding en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om zich te verzetten tegen de prorogatie van bevoegdheid die voortvloeide uit het feit dat de ouders van het kind een verzoek hebben ingediend. Met andere woorden, het openbaar ministerie heeft de prorogatie van rechtsmacht gedoogd, dat wil zeggen het heeft er stilzwijgend mee ingestemd. Volgens de Griekse regering volstaat dit om te spreken van aanvaarding van de bevoegdheid door het openbaar ministerie.
49.
Het openbaar ministerie heeft in de procedure in het hoofdgeding strekkende tot machtiging om namens een kind een nalatenschap te verwerpen, immers de rol van stille beschermer. Volgens de informatie die de verwijzende rechter heeft verstrekt, moet een kopie van het verzoekschrift met mededeling van de datum van de terechtzitting worden toegezonden aan het openbaar ministerie, dat partij is bij de niet-contentieuze procedures en het recht heeft om voor het plaatselijke gerecht te verschijnen, deel te nemen aan de terechtzitting, en procedurehandelingen te verrichten, zoals hoger beroep instellen, ongeacht of het is opgeroepen voor of verschenen op de terechtzitting.
50.
Het statuut van het openbaar ministerie in niet-contentieuze procedures zoals de onderhavige kan dus, zoals beschreven door de verwijzende rechter, worden aangemerkt als dat van een passieve waarnemer die het recht heeft te worden geïnformeerd en in elke fase van de procedure de procedurele rechten van een partij kan uitoefenen.
51.
Gezien de aard van deze rol moet het gedogen door het openbaar ministerie worden geacht te volstaan voor een ondubbelzinnige aanvaarding van bevoegdheid, mits het openbaar ministerie daadwerkelijk de aanvankelijke mededeling van het door de ouders ingediende verzoek heeft ontvangen. Aangezien het openbaar ministerie naar Grieks recht een kopie moet krijgen van het verzoekschrift met een mededeling van de datum van de terechtzitting waaraan het kan deelnemen, is het in staat om desgewenst te reageren en zich te verzetten tegen de bevoegdheid van het door de ouders aangezochte Griekse gerecht.
3. Tijd
52.
Nu ik tot de slotsom ben gekomen dat het openbaar ministerie partij is bij de procedure en dat er bijgevolg geen prorogatie kan plaatsvinden zonder zijn aanvaarding van de bevoegdheid, rijst de vraag op welk moment deze aanvaarding moet plaatsvinden.
53.
De bevoegdheid dient in een vroeg stadium van de procedure te worden vastgesteld. De bevoegdheid van een gerecht om kennis te nemen van een zaak mag niet langer dan nodig onduidelijk blijven.
54.
Daarom vereist artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening dat de aanvaarding van bevoegdheid plaatsvindt ‘op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt’. Volgens artikel 16 van de Brussel II bis-verordening wordt ‘[e]en zaak […] geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt […] op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid […] bij het gerecht wordt ingediend’.21.
55.
Een strikte toepassing van deze definitie in artikel 16 van de Brussel II bis-verordening zou betekenen dat alleen de aanvaarding door de verzoekende partijen relevant is voor de prorogatie. Alle andere partijen zijn immers pas op een later moment op de hoogte van de procedure, aangezien zij eerst een kennisgeving moeten krijgen van het stuk waarmee het geding wordt ingeleid.
56.
Enerzijds staat artikel 16 van de Brussel II bis-verordening in afdeling 3, ‘Gemeenschappelijke bepalingen’, van het hoofdstuk over de bevoegdheid, en dient de definitie in artikel 16 in de Brussel II bis-verordening dus met het oog op een stelselmatige uitlegging in de onderhavige zaak te worden toegepast.
57.
Anderzijds zou een strikte toepassing van deze definitie artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening overbodig maken. Indien alleen de verzoekende partijen aan de strikte voorwaarden van artikel 16 van de Brussel II bis-verordening kunnen voldoen, zou dit betekenen dat prorogatie uitsluitend afhankelijk is van de verzoekende partijen en dat niet ‘alle partijen bij de procedure’ de prorogatie moeten aanvaarden.22. Dit zou artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening zijn nuttige werking ontnemen. Indien het de bedoeling was dat de prorogatie uitsluitend afhankelijk is van de verzoekende partijen, zou de wetgever andere bewoordingen hebben gekozen dan ‘alle partijen bij de procedure’, zoals hij bijvoorbeeld heeft gedaan in artikel 12, lid 1, van de Brussel II bis-verordening, volgens hetwelk de prorogatie van rechtsmacht moet worden aanvaard ‘door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen’.
58.
Nu de strikte definitie in artikel 16 van de Brussel II bis-verordening niet spoort met artikel 12, lid 3, van Brussel II bis-verordening, moet de uitlegging in die zin worden genuanceerd dat, enerzijds, de fase van rechterlijke onzekerheid kort wordt gehouden, en anderzijds, aanvaarding door alle partijen noodzakelijk is.
59.
Dit gezegd zijnde moet in de beginfase van de procedure duidelijkheid ontstaan over de aanvaarding, te weten zodra de partijen aan wie een kopie van het inleidend stuk is betekend, de eerste mogelijke stappen hebben gezet of kunnen worden geacht te hebben nagelaten die stappen te zetten na afloop van de periode waarin zij die stappen moeten zetten.23.
60.
Dit wordt, zoals de Griekse regering heeft opgemerkt, a contrario bevestigd door het arrest in de zaak L waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid niet is aanvaard wanneer de verwerende partij bij de eerste door haar te stellen handeling in de betrokken procedure aanvoert dat het gerecht, waarvan de prorogatie van rechtsmacht ter discussie staat, onbevoegd is.24. In die zaak heeft het Hof zijn beoordeling niet beperkt tot het tijdstip waarop een zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt zoals omschreven in artikel 16 van de Brussel II bis-verordening, namelijk het ‘tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid […] bij het gerecht wordt ingediend’, maar ook het gedrag van de andere partij van drie en vijf dagen later in zijn oordeel betrokken.25.
61.
In de onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie geen enkele handeling gesteld nadat het terdege in kennis was gesteld van het verzoekschrift dat de ondubbelzinnige aanvaarding van de bevoegdheid van de Griekse gerechten door de ouders impliceerde, en heeft het daardoor impliciet de bevoegdheid van de Griekse gerechten ondubbelzinnig aanvaard. Wanneer het openbaar ministerie heeft nagelaten de eerste stappen te zetten die het in deze procedure kon zetten, kan het niet in een later stadium van de procedure gebruikmaken van zijn recht om hoger beroep in te stellen teneinde die aanvaarding terug te draaien.
E. Rechtvaardiging door het belang van het kind
62.
In het derde deel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind, gelet op het feit dat Clio Margot en haar ouders hun gewone verblijfplaats in Italië hebben, terwijl de verblijfplaats van de erflater bij diens overlijden Griekenland was, waar zich ook de nalatenschap bevindt.
63.
Artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening eist dat ‘de bevoegdheid […] door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd’, hetgeen de indruk zou kunnen wekken dat dit een bijkomende factor is die noodzakelijk is voor een geldige prorogatie.
64.
Mijns inziens is ‘het belang van het kind’ in deze context geen autonome factor maar veeleer een herinnering aan de onderliggende ratio van alle bevoegdheidsgronden in de Brussel II bis-verordening.
65.
Deze ratio is terug te vinden in overweging 12 van de Brussel II bis-verordening, die luidt als volgt: ‘De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin […] er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.’
66.
Dit betekent dat de bijzondere bevoegdheidsregels, waaronder artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening, in de regel het belang van het kind dienen. Bijkomende factoren, naast de in de wettekst gespecificeerde aanknopingsfactoren, zijn dan ook niet vereist.
67.
Zoals hierboven vermeld26., wordt het criterium van de nauwe verbondenheid hier ingevuld door het element nationaliteit. Wanneer daarenboven, in een procedure strekkende tot het verkrijgen van machtiging om namens een kind een nalatenschap te verwerpen, welke procedure is opgezet om de belangen van het kind te beschermen, de partijen, doorgaans de ouders van het kind, evenals het openbaar ministerie de bevoegdheid van de lidstaat van het forum ondubbelzinnig aanvaarden, is dit een typisch geval waarin het belang van het kind om niet aan procedures te worden onderworpen in een staat waarmee het kind geen band heeft, doorgaans is beschermd.27.
68.
Dit is de reden waarom artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening, anders dan artikel 15 van de Brussel II bis-verordening28., niet eist dat vergelijkend wordt beoordeeld of de gerechten van de lidstaat van het forum beter zijn geplaatst om de zaak te behandelen dan die van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. De in artikel 15 van de Brussel II bis-verordening genoemde aanknopingsfactoren zijn flexibeler en minder gestandaardiseerd, zodat de omvang van een onderzoek van het belang van het kind groter zal zijn dan in de context van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening het geval is. Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 15 van de Brussel II bis-verordening blijkt dat dit artikel wordt opgevat als een uitzondering en dat het eist dat het gerecht stappen zet om de bevoegdheid van het ene gerecht aan een ander gerecht over te dragen, wat niet het geval is met artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening, waarin de bevoegdheid ex lege en zonder verdere handelingen ligt bij het gerecht dat voldoet aan de voorafgaande voorwaarden van artikel 12, lid 3, onder a) en b), van de Brussel II bis-verordening.
69.
Daarom dient herhaalde verwijzing naar het belang van het kind in artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening slechts om de rechter eraan te herinneren, niet voorbij te gaan aan deze doorslaggevende maatstaf van alle bepalingen van die verordening29. en deze maatstaf ambtshalve en actief te hanteren, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval30., teneinde tegen de achtergrond van de algehele situatie extra nauwkeurig na te gaan of de uitzonderlijke omstandigheden van het concrete geval de rechter ertoe nopen bij wijze van uitzondering voorbij te gaan aan de prorogatie waarin artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening voorziet.
70.
In een atypische zaak houdt de verwijzing naar ‘het belang van het kind’ voor de rechter de bevoegdheid en de plicht in om het resultaat van een rigide toepassing van de relevante bepaling te corrigeren.31.
71.
Ten slotte wil ik er nog op wijzen dat in de context van de rechtsmacht het belang van het kind niet de grond van de zaak betreft, maar alleen het belang van het kind ter zake van de rechtsmacht, dat wil zeggen zijn belang bij het antwoord op de vraag in welk land de gerechten goed geplaatst zijn om de zaak betreffende het kind te behandelen.32.
72.
In deze zaak deel ik het standpunt van de Commissie dat geen enkele van de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheden een correctie vergen. Zij bevestigen daarentegen de algemene indruk dat het belang van het kind naar behoren in aanmerking is genomen. De mogelijkheid om van de gewone verblijfplaats af te wijken via een prorogatie voortvloeiend uit een overeenkomst tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, wordt zelfs genoemd in overweging 12 van de Brussel II bis-verordening. In het onderhavige geval is de bevoegdheid bovendien (stilzwijgend) aanvaard door het openbaar ministerie, dat volgens artikel 21, lid 1, van de Griekse grondwet gehouden is het belang van het kind te beschermen. Ook het feit dat de in de procedure aan orde zijnde goederen van het kind in Griekenland zijn gelegen, is typisch een factor die de bijzondere band van het kind met die lidstaat versterkt.33. Tot slot komt daarbij dat, ingeval de procedure betreffende de nalatenschap van Michaïl Xylina in Griekenland plaatsvindt, dit een bijkomende factor voor aanknoping bij de gerechten van die lidstaat zal vormen, daar deze gerechten dan goed in staat zullen zijn de context van de verwerping van de nalatenschap namens Clio Margot te beoordelen.
73.
Gelet op deze overwegingen, ben ik van mening dat in casu geen correctie nodig is. Het is echter de taak van de verwijzende rechter, het belang van Clio Margot volledig te beoordelen..
IV. Conclusie
74.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 12, lid 3, onder b), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: ‘de Brussel II bis-verordening’) moet aldus worden uitgelegd:
- (a)
dat het loutere feit een verzoek in te dienen bij een gerecht van een lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft in de zin van artikel 12, lid 3, onder a), van de Brussel II bis-verordening, ondubbelzinnig aantoont dat de verzoekende partijen de bevoegdheid van dat gerecht hebben aanvaard,
- (b)
dat ook het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van de lidstaat van het forum partij is bij de procedure, de bevoegdheid van het gerecht moet aanvaarden, en dat deze de bevoegdheid van het gerecht waarbij een verzoek is ingediend, stilzwijgend kan aanvaarden door gedogen nadat dat verzoek hem officieel ter kennis is gebracht, en
- (c)
dat het criterium van het belang van het kind geen onafhankelijk element is, maar voor de rechter de bevoegdheid en de plicht inhoudt om de toepassing van artikel 12, lid 3, onder b), in atypische gevallen te corrigeren.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑12‑2017
Oorspronkelijke taal: Engels.
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
De verwijzende rechter heeft dit uitgelegd in antwoord op een verzoek om verduidelijking van het Hof.
De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd of het kind naast de Griekse nationaliteit nog andere nationaliteiten heeft.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107; hierna: ‘de erfrechtverordening’).
Artikel 1, lid 1, onder b), van de Brussel II bis-verordening.
Artikel 1, lid 2, onder e), van de Brussel II bis-verordening.
Artikel 1, lid 3, onder f), van de Brussel II bis-verordening.
Zie arrest van 6 oktober 2015, Matoušková (C-404/14, EU:C:2015:653, punt 31). In punt 34 van dit arrest stelde het Hof vast dat elke overlapping en elk rechtsvacuüm tussen de Brussel II bis-verordening en de verordening inzake erfopvolging moet worden vermeden.
Arrest van 6 oktober 2015, Matoušková (C-404/14, EU:C:2015:653, punt 29).
De artikelen 9 tot en met 11 van de Brussel II bis-verordening regelen de situaties waarin de gewone verblijfplaats is gewijzigd, en artikel 13 van de Brussel II bis-verordening de situatie waarin de gewone verblijfplaats niet kan worden vastgesteld. Artikel 12, lid 1, van de Brussel II bis-verordening staat prorogatie van rechtsmacht toe ingeval een echtscheidingsprocedure van de ouders van het kind hangende is.
Zie artikel 15 van de Brussel II bis-verordening.
Zie artikel 8, lid 2, van de Brussel II bis-verordening.
Het Italiaanse recht inzake staatsburgerschap is gebaseerd op het ius sanguinis-beginsel, zie artikel 1, lid 1, van de wet nr. 91 ‘Nuove norme sulla cittadinanza’ (nieuwe regels inzake het staatsburgerschap) van 5 februari 1992, punt 91, bekendgemaakt in de Gazetta Ufficiale (publikatieblad) nr. 38 op 15 februari 1992. Het dossier van het Hof bevat geen aanwijzingen of Clio Margot slechts één nationaliteit dan wel twee of meer nationaliteiten heeft. Het dossier bevat evenmin nauwkeurige informatie over de nationaliteit van haar ouders.
Zie Pfeiffer, T., Internationale Zuständigkeit und prozessuale Gerechtigkeit, 1995, blz. 614 e.v.; Spellenberg, U., in: J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Neubearbeitung 2015, Art. 3 Brüssel IIa-VO, punt 16.
Zie arrest van 16 juli 2009, Hadadi (C-168/08, EU:C:2009:474, punten 37-43). Zie ook Dilger in: Geimer/Schütze Internationaler Rechtsverkehr in Zivil- und Handelssachen, Looseleaf (juli 2013), VO (EG) 2201/2003, vor Art 3. EuEheVO, punten 30 e.v.
Zie artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘de Brussel I bis-verordening’) en daaraan voorafgaande verordeningen — Artikel 23 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘de Brussel I-verordening’), en artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1978, L 304, blz. 36: hierna: ‘het Executieverdrag’) — waarin uitdrukkelijk een overeenkomst wordt geëist. In zijn arrest van 12 november 2014, L,(C-656/13, EU:2014:2364, punt 56), met betrekking tot artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening, heeft ook het Hof verklaard dat ‘uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord over [de] prorogatie van rechtsmacht’ noodzakelijk is.
Zij bijvoorbeeld arresten van 20 februari 1997, MSG (C-106/95, EU:1997:70, punt 17), en 16 maart 1999,Castelletti (C-159/97, EU:1999:142, punt 19), waarin erop wordt gewezen dat ‘een van de doelstellingen van’ artikel 17 van het Executieverdrag, waarbij wordt toegestaan dat de partijen de bevoegde rechter aanwijzen, ‘de daadwerkelijke instemming van de belanghebbenden is’.
Arrest van 12 november 2014,L (C-656/13, EU:2014:2364, punt 57).
Arrest van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:2014:2364, punt 58). Zie ook arrest van 1 oktober 2014, E. (C-436/13, EU:C:2014:2246, punt 40), waarin is geoordeeld dat ‘per geval moet worden nagegaan of een gerecht ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd is, wanneer een procedure bij een gerecht aanhangig wordt gemaakt’.
Zoals uitgelegd in de beschikking van 16 juli 2015 (C-507/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:512), dat wil zeggen op voorwaarde dat de verzoekende partij het verzoekschrift naar behoren ter kennis brengt of betekent.
Zie ook Salomon, D., ‘‘Brüssel IIa’ — Die neuen europäischen Regeln zum internationalen Verfahrensrecht in Fragen der elterlichen Verantwortung’, Zeitschrift für das gesamte Familienrecht (FamRZ), 2004, blz. 1409 e.v., blz. 1413.
Partijen die partij bij de procedure worden na het verstrijken van een periode om te reageren op de betekening van het stuk waarmee het geding is ingeleid, zullen evenwel moeten worden uitgesloten van de kring van de ‘partijen bij de procedure’ die de prorogatie dienen te aanvaarden in de zin van artikel 12, lid 3, van de Brussel II bis-verordening.
Arrest van 12 november 2014,L(C-656/13, EU:2014:2364, punt 57).
Het verzoek was door de vader van de kinderen ingediend op 26 oktober 2012, terwijl de moeder op 29 oktober 2012 een verzoek had ingediend bij hetzelfde gerecht en op 31 oktober 2012 in de door de vader ingeleide procedure duidelijk had verklaard dat zij de internationale bevoegdheid niet aanvaardde [arrest van 2 november 2014,L(C-656/13, EU:2014:2364, punten 19, 21, 28)].
Zie punten 25 e.v.
Een nationaal gerecht dat dit standpunt deelt, is bijvoorbeeld het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste deelstaatrechter Düsseldorf) in zijn beschikking van 8 december 2009 (DE:OLGD:1208.3UF198.09.0A).
Zie de uitlegging die het Hof in zijn door de Commissie in de onderhavige zaak aangehaalde arrest van 27 oktober 2016, CAFA/D. (C-428/15, EU:C:2016:819, punt 54), van artikel 15 van de Brussel II bis-verordening heeft gegeven.
De verordening gaat uit van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren [zie arrest van 11 juli 2008, Rinau (C-195/08 PPU, EU:C:2008:406, punt 51)] en in de eerste plaats komt [arrest van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:2014:2364, punt 48)].
Zie bijvoorbeeld arrest van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:2014:2364, punt 49): ‘in geen geval [mag] van die prorogatie gebruik […] worden gemaakt in strijd met dat belang’.
Pataut É./Gallant E., in: Magnus, U./Mankowski, P. (uitg.), European Commentaries on Private International Law, Brussels IIbis Regulation, 2017, artikel 12, punt 53, beschouwt artikel 12, lid 3, onder b), van de Brussel II bis-verordening, gelet op dit bijkomend onderzoek van het belang van het kind, als een forum non conveniens-bepaling.
Dilger, J., in: Geimer/Schütze, Internationaler Rechtsverkehrin Zivil- und Handelssachen, Looseleaf, 53. EL, juli 2017, VO (EG) 2201/2003, art. 12 punt 24 met verdere verwijzingen.
Zie artikel 15, lid 3, onder e), van de Brussel II bis-verordening waar de plaats waar bestanddelen van het vermogen van het kind zich bevinden, wordt vermeld als een van de factoren die in aanmerking dienen te worden genomen ter zake van de bijzondere band van dat kind met een lidstaat in een geschil dat betrekking heeft hebben op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van dat vermogen.