Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Rb. Gelderland, 08-04-2026, nr. AWB 24/6800
ECLI:NL:RBGEL:2026:2641
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
08-04-2026
- Zaaknummer
AWB 24/6800
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2026:2641, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 08‑04‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026041506
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/514
FutD 2026-0689
NLF 2026/0763 met annotatie van mr. T.C. Hoogwout
Uitspraak 08‑04‑2026
Inhoudsindicatie
IB/PVV; massaal bezwaar plus box 3, de inspecteur heeft terecht geen ambtshalve vermindering verleend voor het box 3. Het Kerstarrest heeft te gelden als nieuwe jurisprudentie. Op het moment van het Kerstarrest stonden de aanslagen van belanghebbende onherroepelijk vast. Ook de andere gronden van belanghebbende slagen niet. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/6800, 24/6802, 24/6803 en 24/6804
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 april 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 juli 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd:
- -
een aanslag IB/PVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 128.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 29.433;
- -
een aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.370 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.667;
- -
een aanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.095 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.560;
- -
een aanslag IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.294 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.492.
Bij brieven van 24 september 2022, 6 oktober 2022 en 2 november 2022 heeft belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen overeenkomstig het zogenoemde Kerstarrest1..
De verzoeken maken deel uit van de zogenoemde massaal bezwaar plus-procedure over de jaren 2017 tot en met 2020.2.De inspecteur heeft deze verzoeken als één van de (geclusterde) zaken geselecteerd die worden voorgelegd aan de belastingrechter ter beantwoording van de rechtsvragen van de massaal bezwaar plus-procedure.
De inspecteur heeft de verzoeken bij beslissing van 30 oktober 2023 afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 17 juli 2024 heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en, ter nadere bijstand, [persoon A] en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].
Feiten
1. De bezittingen van belanghebbende bestonden in de jaren 2017, 2018 en 2019 voor ongeveer 99% uit banktegoeden en in het jaar 2020 bestonden ze voor ongeveer 93% uit banktegoeden. De rendementsgrondslag in onderhavige jaren is als volgt:
- -
1 januari 2017: € 1.380.760;
- -
1 januari 2018: € 1.363.121;
- -
1 januari 2019: € 1.391.291;
- -
1 januari 2020: € 1.267.517.
2. Het werkelijk behaalde rendement in onderhavige jaren bedroeg € 27.170 (2017), € 28.040 (2018), € 25.353 (2019) en € 17.389 (2020).
3. Het forfaitaire rendement in de onderhavige jaren bedroeg: € 58.866 (2017), € 53.333 (2018), € 53.120 (2019) en € 48.987 (2020).
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht de aanslagen niet ambtshalve heeft verminderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil is of degenen van wie de aanslag IB/PVV over het kalenderjaar 2017 of later al onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (hierna: de niet-bezwaarmakers) een beroep kunnen doen op het zogenoemd Kerstarrest3.en als gevolg daarvan aanspraak kunnen maken op rechtsherstel in de vorm van heffing over het werkelijk behaalde rendement.
6. Het beroep van belanghebbende is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Belanghebbende stelt dat de aanslagen moeten worden verminderd omdat artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de Urib 2001) een te beperkte werking oplegt aan artikel 9.6 van de Wet IB 2001. Ten aanzien van deze stelling formuleert belanghebbende, kort samengevat, de volgende beroepsgronden:
- de inspecteur heeft het mei-arrest4.onjuist geduid;
- belanghebbende beroept zich niet op het Kerstarrest, maar op eerdere rechtspraak van onder meer 3 april 20155., 10 juni 20166.en 14 juni 20197.van de Hoge Raad;
- de nieuwe jurisprudentie bepaling8.is in strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM en met artikel 14 van het EVRM;
- -
de inspecteur heeft een onjuist kader gehanteerd bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel;
- -
het maken van onderscheid tussen bezwaarmakers en niet-bezwaarmakers leidt tot met het gelijkheidsbeginsel strijdige willekeur;
- -
de inspecteur heeft tevens in strijd met het vertrouwensbeginsel en het fair play-beginsel gehandeld, gelet op de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën in de podcast “betrouwbare bronnen” van 14 september 2022;
- -
de verzoeken vallen onder het aanwijzingsbesluit massaal bezwaar van 26 juni 20159.;
- er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
8. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het mei-arrest volgt dat niet-bezwaarmakers, waaronder in dit geval belanghebbende, geen beroep kunnen doen op het Kerstarrest. Het Kerstarrest geldt immers als nieuwe jurisprudentie, zodat de onderhavige verzoeken op grond van artikel 45aa, aanhef en onderdeel b, van de Urib 2001 terecht zijn afgewezen. De inspecteur heeft alle overige gronden van belanghebbende gemotiveerd betwist.
Heeft de inspecteur het mei-arrest onjuist geduid?
9. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het mei-arrest onjuist heeft geduid. In het mei-arrest is niet aan de orde gekomen of een verzoek om ambtshalve vermindering kan worden gebaseerd op andere rechtspraak dan het Kerstarrest en evenmin is getoetst of algemene beginselen van behoorlijk bestuur en fundamentele rechten in de weg staan aan de toepassing van de nieuwe jurisprudentie beperking. Er is hooguit geoordeeld dat het Kerstarrest kwalificeert als nieuwe jurisprudentie in de zin van artikel 45aa van de Urib 2001, aldus belanghebbende.
10. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in het mei-arrest heeft geoordeeld dat het Kerstarrest als nieuwe jurisprudentie in de zin van artikel 45aa, aanhef en onderdeel b, van de Urib 2001 moet worden aangemerkt en dat de minister van Financiën na het Kerstarrest niet bekend heeft gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en onderdeel b, van de Urib 2001 opgenomen uitzondering. Voor ambtshalve vermindering van de betreffende over de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV was volgens de Hoge Raad in het mei-arrest dus geen plaats.
11. De inspecteur heeft onder meer op grond van het mei-arrest het verzoek om rechtsherstel van de niet-bezwaarmakers afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een onjuiste duiding van het mei-arrest door de inspecteur geen sprake. Het oordeel van de Hoge Raad in het mei-arrest is duidelijk en niet voor enige andere uitleg vatbaar dan dat de niet-bezwaarmakers geen beroep op het Kerstarrest kunnen doen, omdat sprake is van nieuwe jurisprudentie. De niet-bezwaarmakers komen op grond van dat arrest dus niet voor rechtsherstel in aanmerking.
Overige beroepsgronden
12. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat de onjuistheid van de aanslagen volgt uit eerdere rechtspraak dan het Kerstarrest. De beroepen op het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, de (overige) algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het EVRM, slagen ook niet. Ter onderbouwing van deze oordelen verwijst de rechtbank naar de oordelen van Rechtbank Den Haag van 26 juni 202510., onder de punten 15. tot en met 56., waarin deze gelijkluidende beroepsgronden (van dezelfde gemachtigde) gemotiveerd zijn verworpen. De rechtbank maakt de oordelen van de rechtbank Den Haag tot de hare.
13. Belanghebbende stelt verder dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2020. Belanghebbende had beter geïnformeerd moeten worden dat hij zelf in bezwaar moest gaan en kon ook niet weten dat in bezwaar gaan enig soelaas zou bieden.
14. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat belanghebbende tegen de onderhavige aanslagen geen bezwaar heeft ingediend. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de onderhavige verzoeken om ambtshalve vermindering als bezwaren moeten worden aangemerkt en dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, slaagt dit niet. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding hem niet is toe te rekenen. Niet gesteld is dat belanghebbende niet in staat was om binnen de wettelijke bezwaartermijn bezwaar te maken. Belanghebbende heeft geen bezwaar ingediend, omdat hij daartoe (binnen de bezwaartermijn) geen reden zag. Pas later is die reden opgekomen. Een na het verlopen van de bezwaartermijn opgekomen reden om alsnog bezwaar in te stellen, zoals in casu het Kerstarrest, maakt volgens vaste jurisprudentie echter niet dat de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.11.
Conclusie en gevolgen
15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar en de aanslagen IB/PVV in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 3 april 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier | voorzitter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑04‑2026
Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stcrt. 2023, 2860.
Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.
Besluit staatssecretaris van Financiën, nr. BLKB2015/903M, Scrt. 2015, nr. 18400.
Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI-nummer ECLI:NL:RBDHA:2025:11718.
Vgl. Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.