Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/4.3.4
4.3.4 Art. 6 EVRM schept geen zelfstandige aanspraak op informatie
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS375914:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 2 april 2008, LJN BC9315, r.o. 5.1 (Cargill c.s./KPN c.s.); Rb. Den Haag 2 juli 2008, NJ F 2008, 361 (Bombardier/Daimler Benz).
Zie over de wijze, waarop betekenis wordt gegeven aan art. 6 en 8 EVRM in de personenschadepraktijk recent - bijv. - Christiaan & Hengeveld 2008, p. 51-56; Kolder 2008,1278-1282; en eerder o.a. Deen 2005, p. 1-10; Dennekamp 2005, p. 93-98 en Ch. van Dijk 2006, p. 8-17; Kolder & Schultz 2007, p. 5-17.
Aldus ook Christiaan & Hengeveld 2008, p. 55, die de juiste conclusie trekken, maar daar ten onrechte de observatie aan vooraf laten gaan, dat ook art. 6 hier een rol speelt zonder te bespreken, waarom art. 6 EVRM ook een een rol zou spelen, wanneer de bescheiden niet reeds direct of indirect in het geding zijn gebracht.
Zie aldus eerder: Ekelmans 2007b, p. 29-37.
Al de hiervoor besproken uitspraken laten zien dat art. 6 EVRM óf waarborgt dat partijen gelijke rechten hebben óf zeker stelt dat informatie die direct of indirect de rechter kan beïnvloeden ook beide partijen bereikt. Buiten dat geval blijkt niet dat art. 6 EVRM een aanspraak op bescheiden vestigt. Wat mij betreft zijn dan ook juist uitspraken, waarin rechtbanken hebben uitgemaakt, dat het niet in strijd is met art 6 EVRM dat een partij over een substantieel betere bewijspositie beschikt én dat derhalve evenmin uit art. 6 EVRM voortvloeit, dat partijen toegang dienen te krijgen tot alle bewijsmiddelen, waarover hun wederpartij beschikt.1
Dat art. 6 EVRM voor die discussie geen betekenis heeft, vind ik overigens ook logisch. Een andere opvatting zou betekenen dat voor alle landen binnen de Raad van Europa een gelijk regime zou gelden voor de aanspraak op - bijvoorbeeld- bescheiden. Ik twijfel er niet aan, of het is door geen van de bij het verdrag betrokken partij beoogd of voor mogelijk gehouden, dat dit in feite zou moeten leiden tot harmonisatie van de rechtsregels over toegang tot bescheiden van de wederpartij. Daarvoor zijn de onderlinge verschillen in opvattingen immers ongetwijfeld te groot. Er is ook geen reden om te denken dat de opvattingen thans zo zeer naar elkaar toe gegroeid zouden zijn, dat het EHRM ruimte zou zien voor het introduceren van een uniforme regeling op dit punt.
In - bijvoorbeeld - de personenschadepraktijk valt dan ook niet te betogen dat op grond van art. 6 EVRM aanspraak zou bestaan op medische gegevens die niet reeds direct of indirect in het geding zijn gebracht.2 Een beroep op art. 6 EVRM snijdt weliswaar hout, indien die gegevens ten grondslag liggen aan een deskundigenbericht, maar mist betekenis als die gegevens nog niet direct of indirect in het geding zijn gebracht. Hinderlijk hoeft het niet te zijn, dat art. 6 EVRM minder vaak betekenis heeft, dan wellicht gedacht. Het debat over de reikwijdte van de verplichting tot verstrekking van bescheiden dat in het verleden (mede) gevoerd is met een beroep op art. 6 EVRM kan immers onverdroten worden voortgezet met een beroep op de regels van nationaal procesrecht die aanspraak geven op verstrekking van bescheiden zoals art. 22 Rv en art. 843a Rv.3 Er is, kortom, niet meer aan de hand, dan dat de opvattingen daarover slechts onderbouwd kunnen worden met argumenten ontleend aan nationaal recht.4