Het cassatieberoep is op 7 juni 2023 ingesteld.
HR, 09-12-2025, nr. 23/02206
ECLI:NL:HR:2025:1871
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
23/02206
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1871, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1109
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1818
ECLI:NL:PHR:2025:1109, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1871
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Verkopen van cocaïne en heroïne, meermalen gepleegd (art. 2.B Opiumwet). 1. Bewijsklacht pleegperiode. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk). Is hof bij straftoemeting uitgegaan van verkeerde LOVS-oriëntatiepunten (behorende bij langere periode)? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02205 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02206
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2023, nummer 20-000165-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opiumdelicten. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring en de strafmotivering. Nu de bewijsvoering zonder meer steun geeft voor de vaststelling dat de verdachte zich aan handel in harddrugs schuldig heeft gemaakt tijdens de door de steller van het middel betwiste periode, is de bewijsklacht tevergeefs voorgesteld. Dat brengt met zich dat de klacht over de strafmotivering eveneens tevergeefs is voorgesteld. Het middel faalt. Artikel 81 lid 1 RO. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02206
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 30 mei 2023 (parketnummer 20-000165-20) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over het beslag, een en ander als nader in het arrest bepaald.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/02205. Dit betreft de met deze zaak samenhangende ontnemingszaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
De toelichting op het middel
4. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring en de strafmotivering. Voor zover het ziet op de bewezenverklaring, wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte in de periode van 16 juli 2018 tot en met 16 januari 2019 harddrugs heeft gedeald. Uit de bewijsmiddelen kan immers slechts worden afgeleid dat de verdachte in de periode medio november 2018 tot 16 januari 2019 in verdovende middelen handelde. De bewezen verklaarde ruimere periode is daarmee onvoldoende gemotiveerd.
5. Ten aanzien van de strafmotivering geldt dat het hof de LOVS-oriëntatiepunten voor een periode van drie tot zes maanden tot uitgangspunt heeft genomen. Nu de bewijsmiddelen slechts een kortere periode (hoogstens twee maanden) ondersteunen, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom het hof bij de straftoemeting van die oriëntatiepunten is uitgegaan.
Het bestreden arrest
6. Het bestreden arrest houdt als bewezenverklaring in dat:
“1. hij op tijdstippen in de periode van 16 juli 2018 tot en met 16 januari 2019 te [plaats] , telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als vermeld op lijst 1 behorende bij de Opiumwet;
2. hij op 16 januari 2019 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 7,12 gram cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
7. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen (onderstrepingen door mij aangebracht):
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit. Daartoe is - op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord - in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdacht handelde in cocaïne dan wel cocaïne voorhanden heeft gehad. Voorts heeft de raadsman van de verdachte als subsidiair standpunt het verweer gevoerd dat slechts een periode van 3,5 maanden bewezen kan worden verklaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voornoemde bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - laten naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat de verdachte in de periode van 16 juli 2018 tot en met 16 januari 2019 te [plaats] opzettelijk cocaïne en heroïne heeft gedeald en dat hij op 16 januari 2019 te [plaats] opzettelijk ongeveer 7,12 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ten verwere naar voren is gebracht, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, die kort samengevat inhoudt dat getuige [getuige] de cocaïne en de witte Nokia (dealertelefoon) in de auto van de verdachte moet hebben gegooid, vindt nergens steun in het procesdossier en is overigens ook niet aannemelijk geworden. Het hof zal daaraan voorbij gaan.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om de bewezenverklaarde periode te verkorten, nu volgens de verdediging slechts een periode van 3,5 maanden voorafgaand aan 16 januari 2019 bewezen kan worden verklaard. Het hof overweegt dat de tijdstippen en perioden waarvan de getuigen hebben verklaard dat ze cocaïne en/of heroïne hebben gekocht van de verdachte in de bewezenverklaarde periode zijn gelegen en dat het hof aldus geen aanleiding ziet om de bewezenverklaarde periode voorafgaand aan 16 januari 2019 in te korten.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.”
8. Ten aanzien van de strafmotivering heeft het hof – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – als volgt overwogen:
“Het hof neemt als uitgangspunt de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van het dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat gedurende een periode van drie maanden doch minder dan zes maanden. De oriëntatiepunten indiceren een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.”
De bespreking van het middel
9. Naar aanleiding van de bewijsklacht merk ik allereerst op dat de bewijsvoering zonder meer steun geeft voor de vaststelling dat de verdachte zich aan handel in cocaïne en/of heroïne schuldig heeft gemaakt “op tijdstippen in” de periode die in de bewezenverklaring is opgenomen. Met andere woorden, de bewezenverklaring stelt niet uitdrukkelijk dat de verdachte gedurende de gehele periode (onafgebroken) handelde in harddrugs. Overigens bevat de bewijsvoering ook werkelijk steun voor de vaststelling dat de verdachte reeds sedert juli 2018, zo niet langer, met dealeractiviteiten in verband kan worden gebracht . Zie daartoe met name bewijsmiddel 7 ( [getuige] koopt zijn drugs al jaren bij de verdachte) en bewijsmiddel 9 ( [betrokkene 1] gaf aan dat hij al jaren drugs bij de verdachte koopt). Ook in dat licht bezien is de vaststelling dat de verdachte (op tijdstippen) in een periode die aanvangt op 16 juli 2018 harddrugs heeft gedeald niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld. Dit brengt met zich dat de klacht over de strafmotivering eveneens tevergeefs is voorgesteld nu het hof in dat verband van de bewezen verklaarde periode kon uitgaan.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
10. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.1.Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Slotsom
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
12. Anders dan hetgeen ik in randnummer 10 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑2025